Opgedragen aan Arie, Charlotte, Elfride en Ellen

Annemarie Verdooren-Vermaes

De navigatie binnen deze webpagina (dit Ebook) gaat vanuit het browser-venster INHOUD, dat een overzicht geeft van de links naar de respectievelijke hoofdstukken.

Alle titels van de hoofdstukken op hun beurt vormen links naar voornoemd navigatie-venster INHOUD.

INHOUD

BOEKTITEL

COPYRIGHT

INFO

Voorwoord

H1 Paps opgepakt

H2 Kempeitai

H3 De Familie Avé

H4 Kerkelijke Hulpaktie

H5 Van Wates naar Djocja

H6 Een moeilijke keuze, snel gemaakt

H7 In Memoriam Lena Loth

Ingrijpende periodes voor de Indische families zijn de Japanse bezettingstijd en de daarop volgende Bersiap-tijd.

Herinneringen vervagen. Toch hoop je iets te bewaren voor het nageslacht.
Maar ook onze leeftijdsgenoten zouden geďnteresseerd kunnen zijn in wederzijdse belevenissen.

Djocja, 6 juni 1942.
Indië door de Jappanners sinds maart van dat jaar bezet. De jonge Pangeran Adipati Ario Pakoe Alam VIII had alle Europese werknemers van zijn Regentschapswerken ontslagen in de maand april. Werkeloze Europese mannen werden door de Japanners verdacht als zijnde KNIL militairen die hun uniform hadden afgelegd of nog erger als zijnde leden van niet geregistreerde KNIL vernielingscorpsen of verzetsgroepen. Paps hoorde tot de Vernielingsbrigade van de Landstorm en was ook net ontslagen.

Doordat Paps oorontsteking had en ook wat koorts had, was hij iets later opgestaan en had z'n kamerjas nog aan om te ontbijten.
De lopis vrouw (die ook ketan en grontol verkocht met kintja (stroop van goela Djawa) knielde met haar lekkernijen bij de voordeur en wij kinderen hurkten en stonden rond haar om te kiezen wat we wilden ontbijten. ( Sinds de Japanse bezetting waren de Europese scholen gesloten, dus hadden we de tijd aan onszelf).
Mams riep Paps om ook iets te kiezen voor 't ontbijt. Ik zie 't nog voor me, Paps zat in een gemakkelijke stoel en Mams wat bezorgd. Paps zag er zo ziek uit (hij wilde net beginnen te ontbijten).

Plotseling stopte een auto waaruit een stel Jappaners kwamen. In de auto zagen we wel een bekende ingenieur zitten. Ze maakten gebaren dat Paps mee moest.
Mams zei: "Jong, ze komen je halen, kleed je goed aan, want misschien moet je wel blijven."
Paps trok gauw z'n overhemd en pantalon aan, maar hij kreeg nauwelijks de tijd om nog iets anders mee te nemen of de kinderen te groeten.
Ze trokken hem mee. Hij moest snel instappen. We waren niet allemaal aanwezig toen paps vertrok.

Als verdoofd zaten we daar en konden nauwelijks nog genieten van het lekkere ontbijt.
Die avond kwam paps niet thuis en de volgende ook niet.

Inmiddels hoorden we dat ook Paps' vriend en collega Archie Winter opgepakt was en enkele andere ingenieurs.

Overal ging Mams navragen waar of Paps kon zijn. Waar niemand wist het.

Op een dag kwam Archie Winter gemarteld en toegetakeld thuis, hij mocht wat kleren ophalen.
Zijn familie schrok, verschrikkelijk zoals hij er uit zag en toen ze hem dat zeiden, antwoordde hij: "Vermaes is nog erger geranseld." ( Vermaes dat was Paps). Hij is nog bij de Kempeitai.

Mams kreeg bericht dat Paps overleden was, maar dat bericht was via via. Mams zocht de bron en toen bleek dat iemand Paps voor dood had gezien een de marteling. Hij dacht echt dat Paps al dood was. Mams was ergens opgelucht dat Paps nog leefde.

Een pleegdochter van Archie Winter, Thea Vermeulen en ik werden in die tijd vriendinnen. Tesamen gingen we heel vaak bij de H.B.S. op Djetis kijken. Daar zaten veel krijgsgevangenen opgesloten, maar paps was burgergevangene.
De Japanse bewakers waren vriendelijk voor kinderen. Thea en ik waren niet zo groot voor onze leeftijd (11 en 10 jaar) dus maakten we er gebruik van en probeerden zo pakjes af te geven voor gevangenen.

Zo wandelden we op een dag vele malen heen en weer langs de kawat, waarachter de krijgsgevangenen bezig waren.
Toen zag ik op de open galerij, die van het hoofdgebouw naar een bijgebouw leidde, Paps heel voorzichtig lopen. Hij had een lichtgrijze lange broek aan en wit overhemd.
Thea en ik probeerden van ver toch Paps' aandacht te trekken en het lukte. Paps maakte met gebarentaal tekens, dat hij wilde roken en om kleren te brengen..

Grote mensen werden vaak teruggestuurd, wanneer ze bij de bewakers een pakje wilden afgeven, maar kinderen werden zelden weggezonden.

Thuisgekomen maakten we een pakket klaar met kleren en sigaretten ook wat lekkers en brachten het die middag bij de wacht.

Met gebarentaal vroegen we het pakket aan onze vaders te geven. Ons verzoek werd ingewilligd en die namiddag om half zes zagen we Paps met een ander overhemd en rokend.

De Kempeitai had het Groot Seminarie geconfisceerd en daar zijn hoofdkwartier gevestigd.

Dat Paps nog in leven was ,was te wijten aan een wonder, zoals ik 't zie.

De beul zat hem te ranselen met een karwats, terwijl Paps zelf repeterend door z'n knieën moest zakken, hurken en daarna weer recht op staan: pompen met een stoel boven zijn hoofd geheven.

Intussen werd hij ondervraagd door enkele Japanse officieren.
Omdat hij bleef ontkennen en geen namen noemde hebben ze hem zo dagen ondervraagd.

pompen en ranselen

De dag voor de laatste ondervraging, werd hem gezegd, of je nu bekent of niet, je wordt toch gedood.

Paps had toen op een sigarettenvloeitje met potlood een afscheidsbriefje geschreven aan mams en het gesmokkeld naar de Pastorie, belendend aan het Groot Seminarie, waar Pastoor Rietra nog verbleef.

De Pastoor was zo wijs om het briefje niet aan mams te geven maar het voor zich te houden.

Hij vertelde later dat hij dacht dat 't niet goed was als mams dat las. Immers zij stond helemaal alleen voor de taak, haar 10 kinderen waarvan de jongste pas 3 maanden oud was, door deze tijd te halen.

Niemand wist toen hoe lang de oorlog zou duren en anders zou ze de moed verliezen en nu zou ze alles op alles zetten om haar kinderen voltallig en gezond, voor hun vader te bewaren.

Paps vertelde later wat hem toen z'n leven had gespaard.

Hij werd als vele dagen daarvoor weer ondervraagd en geranseld. Toen zag hij door z'n zweet en tranen heen op de tafel voor hem, waarachter de officieren zaten, hun revolvers liggen.

Hij dacht er toen over, als ik toch dood moet, dan een paar met mij en hij bedacht hoe hij de stoel zou werpen op de ondervragers, pistool pakken en meteen schieten op een paar ondervragers.

In het kader van de Landstorm had hij iets vóór de Japanse inval op het Politiebureau in Wates leren schieten vanuit de heup.

Terwijl hij dit zo overdacht en de slagen op hem neer kwamen hoorde hij iets op de grond vallen.

Plotseling hield de beul op met slaan en beduidde hij paps te gaan zitten.

Paps keek door een waas naar wat gevallen was en hij zag een horloge op de grond liggen.
Het glas was gebroken, maar het bandje ongeopend nog dicht gegespt.

De beul zag dit kennelijk als een teken om op te houden.
Hij bezag z'n dikke gebalde vuist en vroeg zich af hoe in hemelsnaam dat bandje, ongeopend over die vuist kon glippen... Een wonder?

Hij zei wat aan de ondervragers en die hielden ook op en opeens werd er één weggestuurd en kwam die terug met een bord nasi goreng en ze waren ineens heel vriendelijk.

Paps kon niet eten. Hij was murw geslagen.

Ze hadden hem als burgergevangene tussen de krijgsgevangenen in de H.B.S. geplaatst, zodoende zagen we hem later op die galerij, nadat hij, voor we hem zagen, nog 14 dagen had gekropen, omdat hij door alle martelingen niet anders kon.

En dit was nog maar 't begin van kennismaking met de Japanse bezetting.

Op 8 juli 1942 werden de krijgsgevangenen uit de H.B.S. weggevoerd naar elders. Ze liepen met hun bundeltje kleren naar 't station.
Overal stonden Japanse soldaten.

Ferdi en Wies

Mams zag paps ook tussen de krijgsgevangenen meelopen. Ze liep naast de rij en riep: "Fer, jij hoeft toch niet mee.... je bent toch een burgergevangene."

Maar paps riep terug: "Laat maar vrouwtje, bid trouw 't Rozenhoedje en ik kom levend terug."

Mams riep niet verder maar zag paps verder gaan met de anderen.

Ze ging naar huis en huilde.

Tinus, onze jongste broer werd die dag 2 jaar en Monica de jongste was nauwelijks 4½ maand. Mams voedde haar nog zelf.

Treuren

Oom Joop Avé kwam die avond bij ons thuis, hij was nog niet geďnterneerd, omdat hij machinist was.
Hij had de trein bestuurd, waarmee paps werd weggevoerd.

Hij zei: "O, Wies ik vond 't verschrikkelijk toen ik Friki moest rijden maar als er wat is, Boeng Jacob masih hidoep."

Later bleek dat Paps en vele anderen via tussen stops in Bandoeng en Batavia, werden ingescheept in het ruim van een schip.
Je kon er nauwelijks staan zo laag was't daar en je had alleen ruimte om te zitten, liggen was er niet bij.
Er brak dysenterie uit en velen stierven en gingen overboord.

Via het Changi-kamp in Singapore bleek Paps' eindbestemming kamp Hakodaté I op het eiland Hokaido te zijn.

Oom Joop Avé had zelf een groot gezin. Z'n vrouw was een lieve vriendin van m'n moeder.
Oom Joop was een lange slanke gespierde, mocca-kleurige, man met een rustige stem, scherpgetekende gelaatstrekken en vriendelijke ogen.
Wanneer hij liep dan leek 't alsof hij iedere stap wel overdacht zette.

Het gezin van Avé (afkorting van Armeens: Avedisian ...?) woonde twee straten verder en de kinderen waren altijd present op verjaardagen bij ons en omgekeerd werden wij ook altijd bij hun uitgenodigd. Ze hadden een hele grote tuin rond het huis.
Mams en tante Elly konden 't heel goed samen vinden. Ze noemden elkaar dan ook niet altijd bij de naam maar Soesi (Zusje) of afgekort "Si". Dat "Si" werd dan wat zangerig uitgesproken.
Ze hadden ook nog andere lieve vriendinnen in de buurt en van buiten Djocja. Wanneer ze bij elkaar waren dan was er een gezellige sfeer. Er werd veel gelachen maar ook wel ernstig over van alles en nog wat gesproken.

De Japanse bezetting maakte daar een einde aan. De mannen werden kort na elkaar opgepakt de vrouwen en kinderen bleven achter en moesten zelf in hun onderhoud voorzien.
Vele gezinnen verhuisden daardoor naar andere plaatsen om dichter bij hun familie te zijn, om samen met hun familie te wachten op wat komen ging.
Oom Joop bleef nog even machinist, maar toen de Jap al mensen had die voor de Nederlanders konden invallen, werden ze ook opgepakt en weggevoerd, zo ook oom Joop.
Nadat hij uit z'n gezin werd gehaald is zijn gezin naar een ander huis verhuisd. (Niet meer in de Staats-Spoorbuurt).
Kort nadat hij is opgepakt is hij volgens zeggen aan dysenterie overleden. Hij, eens een boom van een kerel, was vel over been toen hij stierf.
Toen tante Elly dat hoorde is ze weggegaan uit Djocja, naar Soerabaja.

De eerste tijd dat de Jappen in Djocja waren konden wij kinderen nog gewoon overal naar toe.
Voor alle moeders, waarvan de mannen opgepakt waren, geďnterneerd of als krijgsgevangene weggevoerd, kwamen moeilijke jaren. Geen inkomen en de uitgaven gingen door aan eten, huishuur, licht en water.
Rijke mensen en die in 't bezit waren van tweede huizen in Kali Oerang op de voet van de Merapi, konden zich in de hele Japanse bezettingstijd op de been houden. Ze hadden voldoende reserves.
Door iets van hun meubilair of een enkel juweel te verkopen, konden ze weer een poos vooruit.
Maar de middenmoot, die nooit reserves kon kweken, die kwam meteen in de zorgen. Al gauw hadden velen hun hele hebben en houden moeten prombengen, omdat hun kinderen moesten eten. Degenen die voorheen al van de steun leefden waren ten einde raad.Maar 't is toch frappant dat in moeilijke tijden, wanneer je één doel voor ogen hebt, overleven, je dan elkaars zorgen meedraagt.

Er werd in die tijd niet gevraagd welk geloof heb je? Natuurlijk, had je van elke geloofsrichting iemand die voor de belangen van z'n geloofsgenoten opkwam. Maar alle vertegenwoordigers gingen samen werken, opkomen voor 't algemeen belang.
Misschien zal 't niet precies zijn zoals ik 't zag en ervaarde, maar van nabij zag ik zeker 4 mensen die zich dagelijks hebben beziggehouden met 't zoeken naar en 't vinden van een oplossing om de noodlijdenden te helpen.
Deze vier hadden weer mensen gevonden om mee te helpen: 't Zij door financiële steun, door inzet van hun persoon, koken in de gaarkeuken, door producten van hun land (ketela rambat, djagoeng etc) af te staan.

De vier die ik van nabij kende waren:

In die jaren was mijn moeder Wies Vermaes elke dag op pad. Ze had zelf tien kinderen waarvan de oudste net 14 jaar was en de jongste 4 maanden.
Mams, die voorheen nooit fietste maar altijd gereden werd in de auto door de chauffeur of door Paps, ging dagelijks op de fiets naar diverse "noodflats"( Gewezen woningen op ondernemingen. Die huizen kwamen vrij, de vrouwen 't veiliger vonden om in de stad te wonen, dan zo in hun eentje op afgelegen plaatsen enkele kilometers van Djocja verwijderd.

Zo gingen ook heel wat gezinnen uit de stad, die zich alleen niet konden handhaven bij elkaar wonen in die leegstaande huizen. Grote gezinnen kregen één kamer per gezin. De kleinere gezinnen moesten genoegen nemen met elk een hoek van de kamer.

Ik ben een keer meegeweest. Ik vond 't zo zielig voor die gezinnen. Zelf woonden we ook niet meer in de grote dienstwoning in Wates (Koelon Progo), maar we hadden toch nog een eenvoudig koel huis goed verscholen achter een grote bougainville en gelegen tussen veel vruchtbomen in een bescheiden straat in Djocja: Boemidjo Lor 11.

Vele gezinnen woonden ook tijdelijk in de Bijbelschool (Alle Europese scholen of eigendom van Europeanen waren gesloten en onderwijs mocht niet gegeven worden dus de scholen stonden ook leeg).

En zo ook in de school voor Chineze kinderen in Dagčn, werden veel gezinnen ondergebracht. In elke school of ander kamp was een gaarkeuken. Daar werd in grote pannen sajoer en rijst gekookt en zoute vis gebakken.

Zo hadden de vrouwen, kinderen elk hun taak of corvee-beurt. Wanneer ze zelf nog iets wilden en konden koken was 't natuurlijk ook goed. Want op de open galerij zag ik menig moeder of dochter achter een anaglo kipassen en een pannetje op 't vuur en kinderen die er om heen hurkten.

Het huis in Boemidjo Lor hadden Paps en Mams gebouwd op gehuurde grond.

De fundamenten waren alvast voor stenen huis met eventuele etage, maar door geldgebrek werd het huis half in steen en half in gedeg opgetrokken.

Onze Pondok in Djocja werd bewoond door Oma Leen en haar volwassen kinderen, terwijl Oma ook kostgangers had.

Voor het schoolgaan van de kinderen was de Pondok beter gelegen dan Paps' dienstwoning in Wates.

Paps werkte in Wates, Koelon Progo, als Opzichter van Zelfbestuurwerken. Daar woonden we naast de Regent.

Tegenover ons een groot veld de Aloon-aloon met een kanjerd van een waringinboom met luchtwortels waar je aan kon hangen en meezwiepen.

Eigenlijk was Wates een heerlijk oord voor kinderen en moeders, maar dan wanneer je geen baby's na elkaar kreeg. Want dan was de dokter helaas niet een, twee, drie te bereiken.

Voor mams was het aanvankelijk geen probleem, al miste ze het stadsleven van Djocja wel.

Maar toen de 4de zich meldde en de oudste twee, Jack en Non dan in wezen, met z'n beidjes in de trein, iedere dag op en neer zouden moeten reizen Wates- Djocja, besloot Mams in de Pondok te Djocja te gaan wonen en Paps zou dan door de week als 't enigszins kon, maar zeker de weekenden in ons midden zijn.

Dat besluit, besef ik pas nu, moet vast heel zwaar geweest zijn.
Maar onze ouders beseften ten volste de verantwoordelijkheid voor hun opgroeiende kinderen.

Het besluit was eigelijk voor Paps en Mams pas definitief toen, zo vertelde ze me, Mams de 4de verwachtte.

Op een dag Mams was hoogzwanger, speelde ik als derde kind in een box op poten. De Baboe die toen op me lette wou me laten lachen en langs de spijlen laten lopen. Door iedere keer bij de volgende hoek te klappen met haar handen.

Ik vond het een fantastisch spel en ging langs de spijlen zo snel als een peuter zich kon verplaatsen naar haar toe. Ik had zo'n plezier.

Hoe het precies gegaan is, wist zelfs de Baboe niet, maar op een gegeven moment vloog ik over de rand van de box met poten die nog op een verhoging stond en viel op de grond.

Ik maakte een val van 1½ meter. Mams kwam met haar omvang op het geschreeuw van de Baboe af.

Mijn hoofd stond scheef en Mams kreeg mijn hoofdje niet meer in de juiste houding.

Gelukkig was Paps nog niet op dagelijkse tournee en stond de auto nog in de garage. Paps snel achter het stuur en mams met buik en mij met scheef hoofd naar de dokter in Djocja gereden.

De afstand Wates - Djocja was toen 1 uur rijden zeker en op de wegen daar kon je vast niet sneller als 30 kilometer per uur rijden.

Wat zaten Paps en Mams in de rats. Toen beseften ze pas dat 't niet anders kon. Want stel dat Paps net op tournee was. Hij was dan niet te bereiken. Misschien moest hij ook nog ergens overnachten. Dan ..... had ik dit niet kunnen opschrijven.

Bijna was 't weer Kerstfeest en hoe de kinderen bezighouden.

Niemand had voorzien dat de Japanse bezetting zo lang zou duren.

De vaders waren al maanden geďnterneerd of op transport gesteld als krijgsgevangenen naar Japan, Birma etc. of elders. Honger en armoe was troef bij moeders die ,alleen met hun kroost achterter bleven.

Frater Csizmazia S.J. was een Hongaar die door z'n nationaliteit nog niet was opgepakt. Voor ons kinderen te Djocja, heeft hij heel wat betekend.

Hij hield, wat je noemt de geest van de jeugd van Christus' kerk levend. Hij verzinde en organiseerde een eind weg.

In die bezettingsjaren bestonden er geen scholen voor Europeanen.

Zo ook tegen Kerstfeest 1944.
De katholieke gezinnen waren veelal aan 't eind van hun Latijn.
Mais (grontol) en zoete aardappels (ketella rambat) waren dagelijkse kost en dan nog op rantsoen.

Frater Csizmazia gaf weer één van z'n catechismuslessen. We zagen in hem meer een grote kindervriend, die altijd lachte. Ik heb hem nooit kwaad gezien. Met z'n bril en lachende ogen, wist hij veel tot stand te brengen.

"Jongelui, we gaan een kerstkribbetje wedstrijd houden", zei hij. "Als materiaal mag alleen gebruikt worden, karton, stukjes bamboe, gedroogde padihalmen, touw, lijm, tekenpapier of krant. En er zijn 3 grote prijzen te winnen."

De jury werd gevormd door dame x dame y dame z van de parochie en de prijzen werden uitgereikt door ondergetekende. In die dagen leek heel Djocja één parochie.

De naam van de deelnemer moest onder het ingezonden exemplaar geplakt worden. Anders zou de jury beďnvloed kunnen worden.

Nou alle kinderen gingen aan de slag. Er werd onderling gemarchandeerd, zoals :"Wanneer jij mijn beeldjes tekent, zaag ik het kerststalletje voor je uit." Of: "Hoe houd je nu de beeldjes op z'n plaats dat ze er niet afvallen?" Of: "Wanneer ik wat win, deel ik je wel."

Dat gaf me wat leven in de brouwerij en de moeders hadden die dagen geen kind aan hun kinderen.

Meestal hadden de jongens geen moeite met het in elkaar zetten van de kribbe of de Kerststal, maar beeldjes tekenen was voor velen een probleem.

Rozenplaatjes werden uitgeknipt, op karton geplakt en met een houdertje aan de achterzijde geplakt, zodat het kartonnen beeldje kon blijven staan.

Toen kwam de grote dag. Achter het gebouw van K.S.B. (Katholieke Sociale Bond) werd een afdak gemaakt van bamboe en als dakbedekking gedroogde klapperbladeren; heerlijk koel. Op tafel bedekt met oude lakens als tafelkleed, werden de vele kunstwerken geétaleerd. Kerststallen compleet met sneeuw.

Een Kruisbeeld of een ham?

Frater Csizmazia en enkele moeders keken heel goed wie de eerste, tweede en derde prijs verdienden.

Een jongen, de oudste van een groot gezin, kreeg de tweede prijs. De Frater liet hem kiezen: "Juul wat zal het zijn, een Crucifix of een ham?"

"Ham!", riep Juul meteen. Iedereen schoot in de lach, maar kon het goed begrijpen. Een Kruisbeeld had ieder gezin al in huis, maar een gerookte ham was zeldzaamheid in die tijd.

De familie Loth woonde in de SS-buurt. De mijnheer Loth werkte bij de Staats Spoorwegen.
Het gezin Loth had twee kinderen Tji en Lena.

Vader Loth werd als POW door de Jappen geďnterneerd en heeft vermoedelijk dezelfde kampen als Paps meegemaakt.

In de Bersiap-tijd werd Tji evenals Jack door de R.I. opgepakt en geďnterneerd in Kamp Poendoeng.

Moeder Loth en Lena woonden aanvankelijk nog in de SS-buurt.
Ze kregen een oproep om ter zelfder tijd als Oma Leen, Tante Pang en Liesje Ellens te worden geëvacueerd per vliegtuig naar Semarang.

Moeder en dochter verkochten hun huisraad of gaven die weg, omdat de evacuees per persoon slechts 30 kg bagage mochten meenemen.

Op de dag van evacuatie, vliegveld Magoewo, bleken mevrouw Loth en Lena niet op de lijsten van de Geallieerden voor te komen...

Berooid vonden ze onderdak in Boemidjo Lor en sliepen op een tikar op de koude vloer.

Er brak in Djokja een pest-epidemie uit en Lena werd besmet.
Voor ze stierf ijlde ze de naam van broer Tji.