Aan Dorith, onze kinderen en kleinkinderen

Auteur: Fried Muller

Corrector: Drs. Jan Paul Kok

 

Dit verhaal omvat één webpagina, waarvan de grootte nu 141 KByte tekst en 2.522 KByte beeld is.

Er is ook navigatie: het "hoofdstuk" INHOUD toont een lijst met links naar de respectievelijke hoofdstukken. Als er op een zekere item wordt geklikt, komt het begin van het gekozen item in het leesvenster.

Door te klikken op een willekeurig hoofdstuk-titel keert INHOUD in het leesvenster terug.

INHOUD

Tip: Klik op een item van onderstaande lijst dan komt het begin van het gekozen item in beeld.

Mijn jeugdherinneringen gaan terug naar het eiland Java, Indonesië, en bestrijken de periode 1937 - 1951.

De spelling van Indonesische woorden in dit verhaal loopt door alle spellingswijzigingen heen; daarvoor mijn excuses.

Ik ben ertoe gekomen de volgende anekdotes en soms droevige verhalen op papier te zetten om allereerst aan mijn familie en ook aan toekomstige lezers door te geven wat er in het voormalige Nederlands-Indië zich in die periode heeft afgespeeld rondom mijn turbulent leven.

Velen die toen in Indonesië gewoond hebben, zal het verhaal niet onbekend voorkomen. Misschien zullen ze veel overeenkomsten zien met hun eigen levensverhaal.

Ik wil mijn nakomelingen laten zien wat mij ertoe gedreven heeft mijn leven op deze manier inhoud te geven, hetgeen mij voor een groot deel is gelukt.

Het was alles niet op een gemakkelijke manier verkregen, daar kwamen veel bloed, zweet en tranen aan tepas. Het was niet altijd rozengeur en maneschijn geweest, maar ik heb mij door de tegenslagen nooit laten domineren.

Het waren deze tegenslagen die mijn karakter hebben gevormd en als ik eenmaal mijn doel had gekozen liet ik mij daar nooit van afleiden.

./beeld/stoomloc.jpg
Stoomlocomotief, bergloc

Het moet in 1937 begonnen zijn dat ik mij kan herinneren dat wij in Tjibatoe (Cibatu) woonden. Tjibatoe is een heel klein dorp gelegen op de treinsplitsing Bandoeng - Yogjakarta en die ook naar Garoet gaat.

Mijn vader was treinmachinist en in die tijd gestationeerd in Tjibatoe. Voor de spoorwegen is Tjibatoe een belangrijke plaats.

Hier werden de treinen van stoomlokomotief gewisseld. De treinen naar Bandung kregen een berglokomotief aangekoppeld en de treinen van Bandung naar Yogjakarta kregen de snellopers voor vlak terrein aangekoppeld.

Daar was een werkplaats waar de lokomotieven een onderhoudsbeurt kregen of gerepareerd werden. Er was ook een grote draaischijf waar de lokomotieven van richting gedraaid konden worden. Want als er 2 lokomotieven achter elkaar geschakeld werden om een zwaardere trein de bergen in te trekken of een langere trein naar Djokja te verslepen, dan moesten ze altijd met de voorkant in de juiste richting rijden. Dit om te voorkomen dat de machinist en zijn stoker van de tweede lokomotief zouden verbranden als hun kabine naar de verkeerde kant open stond.

Mijn vader werkte niet alleen als machinist, maar ook als werktuigkundige in de werkplaats met zijn collega’s bij de reparatie van de lokomotieven.

./beeld/stoomloc2.jpg
Wijk met hoed in de hand

./beeld/stoomloc3.jpg
Op de lange afstand was vrouwengezelschap erg welkom.

Tjibatoe is ook de plaats waar alle produkten van de thee-, koffie- en kinaplantages rondom Garut naar grotere steden met havens werden afgevoerd.

Tjibatoe bestaat uit een klein station met een klein rond pleintje voor het station en verder één lange straat waarlangs de woningen van spoorwegpersoneel gelegen zijn.

Zover ik mij herinner woonden daar alleen mensen die bij de spoorwegen werkten en aan het einde van die straat waren de toko’s (winkeltjes) en de pasar (markt) met daarachter de kampong (dorp).

Er was geen elektriciteit en 's avonds werden de petromaxen (spiritusbranders) aangestoken. Dat vond ik altijd heel interessant hoe dat gedaan werd; waarschijnlijk omdat er een gevaar bestond van brand.

Ik ging in die tijd in Garoet (Garut) op school; eerst op de Chinese kleuterschool. Ik herinner mij, dat ik geen woord verstond van wat er gezegd en gesproken werd. Ik had er wel veel geplakt en gekleurd.

Mijn broer Ries zat daar al op de lagere school waar ik later ook naar toe ging.
Wij vertrokken om 7 uur 's morgens met de trein naar Garoet maar eerst moest er op het station een soort wafel gekocht worden, kue pukis (cakejes in pukis-vorm gemaakt van cocosmelk) om dat onderweg in de trein op te eten. Ik was er gek op, dat werd voor mij 's morgens een ritueel. Zonder deze wafel stapte ik niet op de trein.

De tocht duurde bijna een uur en wij werden door de djongos (huisjongen) begeleid. Om 4 uur 's middags reden wij terug en dat duurde maar een half uur omdat het helling af ging.

De huizen van de spoorwegen bestonden uit een stenen hoofdgebouw (zie foto 1) waar wij in woonden en bijgebouwen waar onze bedienden woonden. De keuken, badkamer en wc zijn daar ook ondergebracht. Naast ons woonden de families Erdzik en Breuer.

./beeld/huizemuller.jpg
Zittend in kimono één van mijn tantes.

Vele huizen in de tropen werden op deze manier ingedeeld. Het zijn uit baksteen gemetselde woningen met roodkleurige dakpannen. Het hoofdgebouw bestond meestal uit een eet/zitkamer, drie slaapkamers en een open inkomsthal, die meestal als zitkamer of dansplaats bij feestjes gebruikt wordt.

Wij hadden voor de inkomsthal rieten gordijnen gehangen, die tot aan de vloer reikten en zelfs deels over de vloer lagen waar het aangenaam was om op te liggen, maar waarbij het gordijn uit zijn voegen werd getrokken als je erop lag.

Dus daar kwam gauw de rotanstok aan te pas als mijn moeder mij daarin zag liggen, want zo op de tegels liggen was mij veel te koud.

Alle bezoekers en kennissen werden in deze inkomsthal ontvangen. De buurvrouwen hielden hier hun kaartdagen en roddelochtenden. Als mijn ooms kwamen werd daar altijd gegeten of muziek gemaakt, dat was onze culturele zaal.

Zover ik mij kan herinneren waren er in Tjibatu geen saté- of bamiverkopers net zoals in de grote steden, waar na 6 uur allerlei venters diverse etenswaren langs de huizen verkochten. Na 6 uur s’avonds werd het in Tjibatu meestal doodstil op de weg voor ons huis. Achter ons huis liep ook een weg, ik heb er nooit achter kunnen komen waar die weg heenging. Het was daar altijd ontzettend stil.

Bij ons werd altijd zelf gekookt want wij hadden een goede kokkin die heette Rukisah. Zij toverde allerlei gerechten uit haar mouw. Zij was een jonge levendige vrouw, niet zo knap, maar wel heel erg aardig. Zij nam meestal mijn jongere zus Reina onder haar hoede.

Rukisah deed ook meestal de inkopen op de lokale markt, een serieuze taak, gezien de talrijke familieleden die in de weekends overbleven en die speciaal voor het heerlijke eten kwamen. Zo was het ieder weekend. Ik heb haast geen week voorbij zien gaan zonder bezoekers.

Wij gingen op zondag vaak naar het meer van Bagendit, dat zo mooi tussen de bergen lag. Of wij gingen naar Tjipanas waar de warmwaterbronnen waren en een klein overdekt zwembad was aangelegd met naar zwavel ruikend kristalhelder warm water. Het hele gebied waar wij woonden was zeer vulkanisch en overal vond je warmwaterbronnen.

./beeld/bagendit.jpg
Het meer van Bagendit ligt vlak bij Tjibatoe.

Van een kerk hadden wij in die tijd nog nooit gehoord laat staan dat wij die bezochten. Er werd thuis nooit over kerk of religie gesproken. Trouwens in geen velden of wegen waren kerken rondom Tjibatu te vinden. Merkwaardig genoeg ook geen moskee alhoewel de inheemse bevolking zeer fanatiek gelovig is.

Wij hadden achter het huis veel eenden, kippen en ganzen en zelfs een geitje in onze tuin. De ganzen werden gebruikt als waakhond tegen dieven en slangen.

Het stierf er van de slangen. Zeker in de regentijd kwamen ze uit de omliggende bossen. Mijn broer werd er gebeten en heeft lange tijd in Garoet in een polikliniek gelegen. Ik liep daar altijd met een rotanstok rond en heb van onze tuinman geleerd hoe een slang met één gerichte slag uit te schakelen. Ik was een specialist op dat gebied.

Het hele gebied rondom Tjibatoe en Garut was een zeer fundamentalistisch Islamitisch gebied waar later de Darul Islam een terroristische beweging tegen alles wat niet Islamistisch is huisde, een zeer extreem extremistische groep.

Tjibatoe was ook het plaatsje waar veel mensen tijdens de bersiapperiode Indonesische vrijheidsstrijd zijn omgebracht door de Darul Islam.

Ik werd ook getraind, zo klein als ik was, in de pentjak vechtsport. Mijn vader had zo'n man ingehuurd en eens in de week werden wij een half uur lang in de pentjak vechtsport onderwezen.

Ik kan mij niet herinneren, dat ik pentjak ooit heb moeten gebruiken; zelfs niet op latere leeftijd. Het gaf je wel een gevoel dat je veel veiliger kon rondlopen en geen angst hoefde te hebben, dat een grotere knaap op school je zou komen aftroeven.

Want als je daar als nieuweling op de lagere school kwam werd je door de bestaande vechtersbazen de zogenaamde djago’s (vechthanen) altijd uitgedaagd om te zien of je het wel tegen hun dorst op te nemen.

Ze hebben het één keer geprobeerd en een paar pentjaktrappen heeft ze voor altijd op een afstand gehouden. Toch wel goed in die tijd dat mijn vader zo bezorgd om ons was geweest.

Wij hadden ook een baboe Cuci (wasmeid); spreek de c als tj uit.
Ik heb weliswaar een oudere broer Ries en jongere zus Reina, maar ik was diegene die van jongsaf aan altijd de klappen kreeg; dat dacht ik toen en dat voelde ik ook zo aan.

Die klappen kreeg ik zowel van mijn moeder als van mijn tantes, die altijd in grote getale bij ons logeerden. Babu Cuci was dan altijd mijn toevluchtsoord.
Daar rende ik altijd naar toe om mij achter te verschuilen als er iemand was die mij om één of andere reden een pak slaag wou geven en dat waren er nog al wat.

Zij was meer dan mijn eigen moeder. Raar om dat te zeggen maar zo was het éénmaal gegroeid, want zij heeft mij altijd gevoed en verzorgd. Als er gevaar dreigde was zij mijn toeverlaat.

Babu Cuci heeft mij Indonesisch leren spreken. Zij gaf mij ook de naam van Sinjo, dat jongeman betekent in het Maleis van toen. Dit woord is afkomstig en afgeleid uit het Portugees toen de Portugezen als eerste Europeanen rond 1590 naar Indië kwamen.

De Maleise taal van toen was een oriëntaalse taal die doorspekt is met vele Westerse, Arabische en Chinese woorden, afkomstig uit het koloniale verleden van Indonesië, en is daardoor makkelijk aan te leren.

Wij hadden drie bedienden. Zoals in Indonesië en omliggende landen heeft ieder gezin dat het betalen kon, enkele bedienden en zo ook wij.
Dit heeft niets met kolonialisme te maken, want Chinezen en Indonesiërs hebben die ook, dat is de tropische levensstijl.

./beeld/penjual_anak.jpg
Er waren nog geen becaks in Tjibatoe.

Het is daar een normale levensgewoonte. In feite is dat een sociale gewoonte, want de bedienden behoren meestal tot de armste groep van de samenleving en door ze in dienst te nemen geef je ze iedere dag voeding en eind van de maand een bepaald geldbedrag en met de Lebaran, dat is de periode na de Ramadan, krijgen ze geld om nieuwe kleding aan te schaffen en cadeautjes voor familie te kopen.

Van mijn vader kregen ze ook treinkaartjes om met de trein naar hun familie te reizen. Als ze geen familie hadden bleven ze gewoon thuis en gingen met hun kennissen en vrienden die bij onze buren werkten ergens uit feesten. Dat feesten bestond meestal uit lekker eten en drinken. Sterke drank werd zelden door de bedienden gebruikt. Tenminste niet door onze bedienden.

Mijn vader had in die tijd een Ford auto overgenomen (geen idee van wie).

./beeld/auto_muller.jpg
Wijk en Paula zittend op de treeplank en Tine op het spatbord

Wij maakten weinig uitstapjes met de auto althans met mijn vader, dus nam mijn moeder het heft zelf in handen en laadde ons in de auto. We zigzagden over de smalle weggetjes naar onbekende oorden.

Wij waren altijd verstijfd van schrik en dorsten geen woord van protest laten horen. De near missers waren niet van de lucht.

De wegen in die tijd waren smal en werden veel door boeren die hun waren op de pasar (markt) wilden verkopen gebruikt. De koopwaar werd meestal in draagmanden aan een verende bamboestok (pikulan) vervoerd, die ze over de schouder droegen.

Als er zo over de wegen werd gelopen staken de manden ver over de weg uit met als gevolg dat als er een wagen of bus langsreed deze meestal een mand raakte en deze wegslingerde en de boer al tollend in de goot lag. Dat was voor ons de eerste en laatste keer dat wij bij haar mee in de auto hebben gezeten.

Later toen wij in Nederland woonden heeft moeder acht keer haar rijexamen afgelegd zonder te slagen en dat kwam omdat ze slecht zag en niet toe wilde geven dat ze beter geen auto zou kunnen rijden.
Wij hebben de rollen hier later omgedraaid en zij mocht dan met ons meerijden.

  Wij woonden in een huis van de spoorwegen in de enige straat van Tjibatu tussen de andere spoorwegmensen in. Ernst Frank (zie foto) woonde vlak naast het station. Zijn vader was stationschef. De familie Croese had twee zonen, Ronald en Beke, jongens van mijn leeftijd. De familie Baron had een grote schare kinderen. Er was ook een familie Bierhuis.

./beeld/ries_ernst_fried.jpg
Ernst Frank te midden van de gebroeders Ries en Fried Müller.

Zover ik mij herinner woonden daar alleen mensen die bij de spoorwegen werkten. Aan het eind van die straat waren de toko's (winkeltjes) en de pasar (markt). De grootste toko was van de Chinees Kung Ju Lung. Achter de pasar lag de kampong (dorp).

Wij hadden voor en achter het huis een vrij grote tuin. Achter het huis liep de tuin vrij stijl bergopwaarts en was met een hekwerk afgespannen. Tegen het hekwerk was de kippenren aangelegd waar wij ook ganzen hielden om slangen en dieven buiten te houden.

In feite waren er in die tijd geen dieven zeker niet bij ons en omliggende huizen. Ik heb in die tijd nog geen buurman of buurvrouw horen vertellen dat er dieven wat gestolen hebben. Ze zouden niet durven wetend dat zoveel mensen een schrotgeweer (jachtgeweer) in huis hebben.

Een jonge geit die overal rondliep en alles opvrat zelfs het wasgoed, was een ergernis van onze babu Cuci. Onze wasmeid, mijn surrogaatmoeder, begon dan hard te gillen en joeg de geit met een stok weg.

Om haar terwille te zijn heb ik een lage trap onder de dakgoot geplaatst en met behulp van mijn broer het geitje in de dakgoot geplaatst, voor straf dat hij het wasgoed van de lijnen trok en probeerde op te eten.

De meiden kwamen allemaal naar buiten gerend op het klagelijk geblaat van het geitje en konden niets anders doen dan ook te klagen dat ze het dier niet naar beneden konden krijgen. De tuinjongen met de ladder bracht het geitje naar beneden.

Door de commotie is mijn moeder naar buiten gekomen en wist meteen wie dit allemaal georganiseerd had met als resultaat dat ik een gevoelige aframmeling kreeg met de rotanstok.

Wij wisten door verhalen dat de plaatselijke bevolking sterk Islamitisch was maar ook bijgelovig, dat zijn ze trouwens allemaal in Indonesië. Het gebied waar wij woonden was door het gouvernement als fundamentalistisch aangeduid en ook nu in het moderne Indonesië is dit nog steeds het geval.

In heel Indonesië ongeacht de religie bestaat er een sterk bijgeloof dat de mensen van kinds af aan door de familie wordt bijgebracht. De geestenwereld is en wordt zeer sterk in ere gehouden, dat was daar lang voordat al die nieuwe geloven hun intrede begonnen.

De grote waringinbomen met hun luchtwortels zijn ideale verblijven voor slechte geesten, die regelmatig vereerd moesten worden door middel van offerandes en smeekbeden. Meestal is het wierook met eten en bloemen ook bloedoffers door kippen of geiten te slachten die hiervoor gebruikt worden.

Daar is nog niemand die ooit een geestverschijning overdag of 's nachts heeft meegemaakt, maar waarbij de verhalen over deze geestverschijningen des te gruwelijker zijn en die zeker bij de primitieve en laaggeschoolde bevolking als waar worden geaccepteerd.

Zo geloven ze in het bestaan van de endas glundung rollend hoofd en de kuntil anak vrouw met groot gat in haar rug. Een groot deel van de Indonesische bevolking gelooft hierin.

De mythe in Indonesië heeft zijn oorsprong eigenlijk in Maleisië waar de Kuntilanak ook wel Matianak, Boentianak of Pontianak wordt genoemd. In Indonesië spreken ze ook wel alleen over de Kunti.

In de Maleise folklore is de Pontianak een geestverschijning als vampier die voortkomt uit vrouwen die overlijden tijdens de bevalling. Die overlijden niet echt, maar worden spoken die op wraak belust zijn en ze terroriseren soms hele dorpen.

Ik hou het bij de Kuntilanak die de meest verbreide benaming is voor deze verschijning.

Een Kuntilanak laat zich horen door het huilen van een baby of verschijnt als een bevallige vrouw of jong meisje om daarmee haar toekomstige slachtoffer te verleiden, dat meestal een man is.

Haar aanwezigheid kan soms worden waargenomen door een heerlijke bloemengeur, vergelijkbaar als dat van een grote bos bloemen en daarna vervolgd door een verschrikkelijke en misselijk makende stank.

Dit verhaal is ontsproten bij de Maleise huisvrouwen die hun echtgenotes willen ontmoedigen om overal sex te hebben met vrouwen die zij s’nachts op hun weg naar huis tegenkomen.

Om te schatten hoe ver de Kuntilanak verwijderd is bij het roepen, geloven de Maleiërs, dat als haar roep zacht is dat de Pontianak dichtbij is en als die luid klinkt dan is zij ver weg.

Sommige mensen geloven dat als je een hond hoort huilen, het betekent dat de Pontianak ver weg is. Als de hond echt aan het janken is, dan is de Pontianak dichtbij.

Een kuntilanak doodt haar slachtoffers door met haar scherpe nagels in hun buik te steken en hun ingewanden te verslinden. Kuntilanaks moeten zich zo voeden om te kunnen overleven.

In sommige gevallen wanneer de Kuntilanak wraak wenst te nemen tegen een mannelijk individu, zal zij de genitaliën van het slachtoffer met de handen afrukken.

Men gelooft ook, dat ze hun slachtoffer zoeken door kleding te besnuffelen die 's nachts buiten te drogen worden gehangen. Om deze reden weigeren sommige Maleiërs als ook Indonesiërs enig artikel vooral kledij buiten te laten liggen.

Sommigen geloven dat een scherp object, zoals een tijgernagel of een naald, bescherming biedt tegen aanvallen door Kuntilanaks.

De nagel wordt dan gebruikt om een gat in de nek van de Kuntilanak te prikken. Men gelooft dat dit de Kuntilanak in een mooie vrouw zal veranderen, totdat de nagel weer is uitgetrokken.

De Indonesische versie is dat de nagel in de apex van het hoofd van de Kuntilanak geduwd moet worden.

De Pontianak wordt geassocieerd met bananebomen. Haar geest rust daarin gedurende de dag.

Pontianak, een stad in West Borneo (Kalimantan Barat) is genoemd naar dit creatuur (schepsel). Men veronderstelt, dat de Pontianak daar de eerste kolonisten zwaar gekweld had.

Er wordt verteld dat wanneer je daar 's nachts met open ogen slaapt en wanneer er een Pontianak in de buurt is, deze je ogen uit je hoofd zuigt. Wanneer een Pontianak echt kwaad is kan ze een persoon gemakkelijk geheel verzwelgen.

Later als mij dit door Indonesiërs verteld werd, antwoordde ik altijd dat ik weet waar een vrouw een groot gat heeft, maar niet in haar rug. De meeste mensen begrijpen het vaak niet, misschien is mijn Indonesisch niet al te goed, maar anderen liggen op de grond te gillen van het lachen.

Zo mag je als het regent niet met een geopende paraplu het huis binnenlopen, dat vraagt om narigheid. Zo zijn er honderden van die bijgeloven.

Als je daar werkelijk aan gelooft en daar lopen er nog wat van rond, dan kun je beter een lang koord kopen om sneller van alle toekomstige ellende af te komen.

Als je de plaatselijke bevolking de weg vraagt en zij willen dat je die richting niet op gaat om wat voor reden, dan ook wordt je de weg ontraden omdat de mogelijkheid bestaat dat je één van deze twee boven vermelde verschijningen tegenkomt. Zelfs als je hen uitnodigt jou te vergezellen weigeren ze mee te gaan.

Ik hoorde via de bedienden dan ook allerlei horrorverhalen, die andere daden of misdaden moeten verdoezelen. Veel vetes werden met gif uitgevochten en daar bestaan in Indonesië veel gifsoorten o.a. bamboehaartjes in het eten vermengen, dat een pijnlijke dood door inwendige bloedingen veroorzaakt.

Het animisme vierde hoogtij voordat alle godsdiensten in Indonesië binnen gebracht werden, zoals het Budisme, daarna het Hinduïsme, daarna de Islam en na 1600 ook het Christelijk geloof onder leiding van de Jezuieten met de hulp van het koloniale gezag.

Ondanks al deze religies bleef het animisme een grote invloed houden op het religieuze leven van de Indonesiërs.

Gezien onze gemengde afkomst tussen Indonesische overgrootmoeder en Duitse overgrootvader behoorde je in de kolonie tot de Duitse groep en daar werd in de kolonie veel waarde aan gehecht uit wat voor grootouders je bent geboren.

Wij die Duitse voorouders hebben, werden tot de superieure groep gerekend. Waarom, geen idee, maar dat werd je wel zo verteld. Niet door mijn vader, maar eerder door de familie van mijn moeder want die hadden als voorouders geen Duits bloed, eerder Belgisch en Indonesisch bloed.

Ikzelf stond er nogal huiverig tegenover. Ik kon mij niet voorstellen dat ik superieur ben aan al mijn vrienden en dan alle Indonesiërs. Ik kon dat toen al niet bevatten, maar je werd toen naar je afstamming ingedeeld waar jouw plaats was in de koloniale maatschappij.

Ik denk dat het koloniale systeem hier als oorzaak moet worden gezien. Iedereen in de kolonie was er mee bezig om zijn afkomst zo belangrijk mogelijk naar voren te schuiven want het systeem in dat koloniale systeem was een kasten systeem zoals bij de Indiërs in India.

De Indonesiërs vormden de laagste kaste, maar er was wel een probleem voor de gemengde groep waar ik toe behoorde, die uit de laagste en hoogste kaste zijn ontstaan en als je in die gemengde groep bent ingedeeld behoor je voor de hoogste kaste tot de laagste kaste en omgekeerd voor de laagste kaste tot de hoogste kaste.

Als je tussen deze twee kasten valt, wil je zelf altijd tot de hoogste kaste gerekend worden. Omdat de maatschappelijke positie die op dat niveau te bereiken was, vele malen groter was dan voor hen die tot de lagere kaste behoren.

Voor mij was het een natuurlijk racisme dat door het koloniaal systeem in het leven is geroepen. Onze gemengde groep werd niet alleen door geboorte bepaald, maar ook door je huidskleur die je van je ouders erfde.

In dezelfde familie kunnen zowel blanke als donkere kinderen geboren worden waarbij de blanke veel minder problemen in het koloniale systeem met de uitbouw van hun carrière hebben dan hun donkere broeders of zusters.

Naarmate er meer Europeanen naar de kolonie gestuurd werden kwamen er ook meer gemengde kinderen op de wereld en des te groter werd de gemengde groep die dan ook sterker opviel in het openbare leven.

Een positieve kant in deze ontwikkeling is dat de gemengde kinderen er vaak heel leuk uitzagen. Vaak mooier dan de oorspronkelijke ouders. Maar om in het koloniale systeem een topfunktie te bekleden was je toch automatisch uitgesloten aangezien je geen volbloed Europeaan bent.

Een ander voordeel dat de gemengde groep heeft is dat die meestal ook Nederlands spreekt waardoor deze groep uitermate goed past als tussenpersoon tussen de kolonisators en de Indonesische bevolkingsgroep, maar voordat dit zover was behoorde de gemengde groep tot de slaven kaste. In 1869 werd de slavernij afgeschaft en werd de gemengde groep als die door de vader erkend werd tot de Europese groep gerekend.

Maar voor de Europeanen bleef je altijd een kleurling al ben je officieel met de hoogste ambtenaar getrouwd. Dit waren de ongeschreven leefregels in een kolonie als Indië.

Voordat dit zich zover ontwikkeld had, was er een heel lang groeiproces aan vooraf gegaan.

Ik was van kleinsaf altijd bewust geweest van mijn relatie met de Indonesiërs. Die kwamen mij van jongsaf aan altijd natuurlijker over dan de afstandelijke Hollanders.

Daarom de vraag zijn wij gemengden Indonesiërs of Nederlanders. Naar mijn gevoel behoren wij tot de eerste groep. Zowel in voorkomen als karakter behoren wij meer tot de Aziatische clan.

Hoewel er hele groepen Indo’s zich meer Hollander voelen ondanks hun bruine kleur. Ik denk dat dat komt door een minderwaardigheids-complex. Eigenlijk willen ze hiermee uitdrukken dat ze tot de Hollandse groep behoren daar er betere betaalde baantjes aan verdiend kunnen worden of dat de Hollandse baas je niet als een allochtoon zal beoordelen.

Wij werden thuis en op school vaak geïndoctrineerd dat wij intelligenter zijn dan de Indonesiër. Ik weet tot nu toe vaak niet waarom wij ons altijd op de Indonesiërs afgaven, terwijl wij cultureel en visueel dichter bij deze groep liggen dan bij de Hollandse.

Als mij gevraagd wordt wat ik eigenlijk ben zeg ik altijd dat ik Indonesiër ben en daar ben ik trots op. Als je onze groep tussen Hollanders mengt of tussen Indonesiërs, dan zie je tussen de Hollanders meteen wie de gemengdbloedigen zijn maar niet tussen de Indonesiërs. Dat wil echter niet zeggen, dat wij, gemengdbloedigen, ons in Nederland niet geïntegreerd hebben, in tegendeel.

Er zijn vele Indische clubs. Pasar Malams (Avond Markten) worden wekelijks ergens in Nederland gehouden. Daar wordt Indonesisch eten geserveerd en worden Indonesische snuisterijen en textiel verkocht. Je kunt die pasars vergelijken met normale Hollandse markten, waar een deel van de bevolking het inkomen mee verdient.

Deze Pasar Malams roepen bij mij het beeld op dat de Indische groep zijn oorspronkelijke cultuur mist en middels die gelegenheden aan zijn eetcultuur en aan zijn roots herinnerd wil worden.

Wij kregen vaak bezoek van onze buren, van Erdsiek en van Breuer. Meestal waren het de buurvrouwen die zich zeer verveelden en bij ons was het altijd vol van de vrouwelijke familie van mijn moeder. Er werd altijd luid gesproken en gelachen. Ik begreep geen snars van waarover het ging en dat maakte mij razend.

./beeld/buurvrouwen.jpg
Kaartspel met buurvrouwen

Meestal was ik niet welkom als ik in de buurt zat, want dan werden er dingen gezegd en verteld die ik niet mocht horen. Ik heb nooit kunnen achterhalen wat er toen besproken werd. Naar ik aanneem werden de laatste familiale roddels en affaires besproken. In die tijd was dat een zonde om roddels aan kinderen door te geven.

Zo ken ik mijn grootvader van vaders kant niet en er werd nooit binnenskamers over hem gesproken, dat was verboden.

Mijn overgrootvader was een Duitse boterboer Gottfried Müller genaamd uit Beieren die rond 1876 naar Indonesië is geëmigreerd en zich een Indonesische vrouw heeft toegeëigend. Of hij haar gehuwd heeft is niet bekend, maar naar ik aanneem van niet.

Toch heeft mijn grootvader zijn familienaam gekregen en dat betekent dat overgrootvader zijn zoon erkend heeft als zijn natuurlijke zoon, die hij in de gemeente Depok heeft ingeschreven.

Hier is mijn grootvader uit voortgekomen en die is met mijn grootmoeder Oma “Dik” Anna Sophia gehuwd en ze hebben een zevental kinderen voortgebracht. Oma Dik is ook uit een Duits-Indonesisch koppel geboren. Hun familienaam is Knödler en komt ook uit zuid Duitsland net als die van mijn overgrootvader van vaders kant de Müllers.

./beeld/fam_muller.jpg
1913 Families Müller, Ehrenkrohn en Filet

De familiefoto genomen in 1913 met Opa en Oma Müller omgeven door hun 4 dochters en 3 zonen. De 4 dochters: Lotte, Trees, Toetoe en Tottoh ( staande achterste rij en één zittend) en hun zonen: Vent, Wijk en Tinus. Alle drie midden op de foto van boven naar beneden. Wijk zit helemaal vooraan op de grond met blote voeten. In die tijd liep geen kind op schoenen rond, thuis zeker niet.

Opa en Oma deftig opgedoft voor de foto. Opa was commies op het Ministerie van Oorlog en had daar een heel goede funktie.

Het leeftijdsverschil tussen de zonen en dochters is vrij groot. Daarom mochten de zonen toen ze nog klein waren hun zusters niet bij hun voornaam noemen, maar met tante aanspreken en daarna hun naam melden. Als ze dat niet deden, riskeerden ze een pak voor hun broek.

Als je de foto in drie delen opsplitst en rechts van opa een vertikale lijn trekt zitten en staan aan zijn rechterkant de hele familie Ehrenkrohn met hun 6 kinderen. Vertikale lijn links van oma zit en staat de familie Filet met hun drie kinderen. Schuins achter oma staat haar dochter Toetoe.

Waarom ik mijn grootvader nooit ontmoet heb is een verhaal op zich, maar dat mocht niemand weten ook de kleinkinderen niet wegens schaamte tegenover de familie, buren en vrienden die daar achter zouden kunnen komen en die meestal eerder de perkara’s (affaires) kennen dan wij de kleinkinderen.

Achteraf zijn wij er achter gekomen, dat mijn grootvader er met de zuster van mijn grootmoeder vandoor is gegaan en dat was een geheim in de familie, dat was de perkara van onze familie.

Zogenaamd om mijn grootmoeder tegen gezichtverlies te beschermen voor deze familie-affaire. Ik denk dat het ook bij de Indonesiërs zo is. Het geheim houden van familiale problemen, er een taboe van maken, is ook in onze cultuur opgenomen.

Gezichtsverlies is in de tropen een hele grote smaad, de mensen doen er alles aan om dat te voorkomen.

Zo had mijn moeder die de oudste was in haar familie een heleboel zusters en één daarvan die ikzelf heel mooi vond, kwam vaak bij ons logeren. Op een dag was er weer zo’n gekakel tussen de zusters van mijn moeder bij ons thuis en wij de kinderen werden de tuin ingejaagd. Het gekrakeel duurde wel een uur.

Jaren later toen ikzelf grootvader was, werd mij verteld dat in die bewuste periode mijn vader en die mooie tante Geertje (die eerst getrouwd was met oom Emiel Topée en later met de journalist Loebis) zo gestoeid hadden met als resultaat dat zij in verwachting raakte, maar zij wist niet waardoor althans dat vertelde zij haar zusters.

In die tijd bestond er nog geen pil om dergelijke problematische situaties te voorkomen, maar de natuur dwong ze om bepaalde risico’s te nemen.

In die tijd wist mijn grootmoeder van moederskant na zeven kinderen gebaard te hebben nog steeds niet hoe zij iedere keer in verwachting raakte. Althans, dat probeerde ze ons wijs te maken.

In plaats van de kinderen voor te lichten werd alles geheim gehouden. Dat was zo in die tijd de stijl om de kinderen over deze affaires dom te houden.

Zo is het ook met mijn tante vergaan die wist ook niet hoe zij in verwachting geraakt was, want ze was toch nog niet getrouwd.

Ze moest van de familie heel snel trouwen met iemand die voor haar door de familie werd uitgezocht.

Helaas kwam het uit dat die lieve tante in verwachting is geraakt door het gestoei met mijn vader toen mijn moeder niet thuis was.

In die tijd werd voor degene die in de familie financieel hoog aangeschreven stond, alles door de vingers gezien; ook bij mijn vader.

Maar er waren zusters van mijn tante die het hem zeer kwalijk hebben genomen. Zij legden geen familiale bezoeken meer af, ook niet bij verjaardagen en geboortes.

Ook deze familie-affaire heb ik pas op latere leeftijd vernomen van één van de zusters van mijn moeder die nog in leven is.

Er gebeurde in onze familie niet veel. Wij zochten de heibels meestal bij onze vrienden op.

Ik zag mijn vader niet veel, meestal als hij van zijn werk thuis kwam. Meestal wachtte ik op hem in de tuin, terwijl ik met mijn vrienden aan het knikkeren was. Meestal rende ik naar hem toe om hem even aan te raken om zeker te zijn dat hij het was. Het was alsof ik er en kik van kreeg. Meestal aaide hij over mijn haar en dat voelde heel aangenaam aan.

Het werd zo iets als een rite. Dit herhaalde zich totdat hij in de oorlog door de Japanse Kempeitai (militaire politie), werd opgepakt, toen was de rite plotseling verdwenen. Ik miste die rite van de eerste dag dat hij gevangen zat, ik was 8 jaar oud.

Hij nam ons vaak mee naar de werkplaats waar locomotieven gerepareerd werden en we mochten wel eens staan op een loc die onder stoom stond. Het was een enorme ervaring om op zo’n gevaarte van een machine te mogen staan.

./beeld/stoomloc1.jpg
Zoals de ouderen zongen, zo piepen de jongen.

Eén van mijn hobbies nu zijn technische beschrijvingen van spoortreinen, getrokken door stoomlocomotieven van over de hele wereld verzamelen. Ik ben er vast van overtuigd dat wat je als klein kind wordt geleerd en mee in aanraking wordt gebracht dat je dat op latere leeftijd blijft interesseren.

Ik denk dat het ook met de godsdienst zo is. Nu begrijp ik waarom in dat gebied rondom Tjibatu de moslims zo ultra orthodox hun godsdienst bedrijven. Door van jongs af aan hun kinderen bij te brengen wat hun godsdienst voor hen in het leven betekende. De Islam blijft bij hun kinderen ingebrand en ze geloven er ook in.

Bij alle godsdienstige volkeren gebeurt dit. Allereerst waren er die tijd voor de Indonesiërs geen scholen, dus werden de kinderen door de Imams in de godsdienst onderricht. Daar was voor hen niets anders. Daarnaast was Indonesië al meer dan 300 jaar een Nederlandse kolonie en daar wilden de Indonesiërs onderuit, dat was voor hen lang genoeg geweest.

Die twee punten samengevoegd en je hebt een religieuze freedomfighter. Zodra je deze soort freedomfighters de vrije hand geeft vallen er slachtoffers.

Maar aan de andere kant waren deze peloppors (rebellen) vogelvrij en mochten zonder pardon geliquideerd worden door het Koloniaal Nederlands Indische Leger.

Sommige bekende Indonesische politici werden dan naar Nieuw Guinea verbannen naar het Boven Digoel gebied, dat zover van de kust lag dat ontvluchten niet mogelijk was.

Dat ondervond de latere eerste president Sukarno van Indonesië zelf ook aan de lijve met Moh. Hatta en andere later bekende Indonesische ministers en dat gebeurde al in het jaar 1923.

Zelf voor onderdak en voedsel moesten ze zorgen midden in de jungle. Dat waren toen één van de voorrechten dat de plaatselijke bevolking door het koloniale bestuur werd opgelegd, als er over meer vrijheid en meer scholen werd gesproken waren dit revolutionaire vragen aan het lokale gouvernement en dat was ten strengste verboden.

Apartheid in de zuiverste vorm en het land op een legale manier van zijn grondstoffen ontdoen dat moest blijven bestaan ten voordele van het moederland, Nederland.

Wij leerden van onze tuinman vliegeren. Ik kreeg wat geld van mijn vader om een vlieger te kopen en draad om daar glasdraad van te maken. Glasdraad had je nodig om in de lucht te blijven hangen zonder door een vreemde vlieger aangevallen te worden, die jouw draad door zou kunnen snijden.

Om glasdraad te maken moest glas heel fijn stampen en zeven tot poeder. Daarna wordt de poederin de speciale lijm (Kah opgelost in warm water) gemengd. Een klos garen wordt in het warme mengsel gedompeld en het doorweekte garen wordt tussen twee palen of bomen in de tuin te drogen gehangen. Naderhand wordt het glasdraad gewikkeld op een ronde trommel, een leeg conservenblik.

Vliegeren in die tijd was oorlog. Tjibatu was een straat met enkele huizen, dus heel weinig vliegers in de lucht. In vergelijking met de grote steden, waar honderden vliegers in de lucht hangen.

Ben je eenmaal in de lucht dan is het knokken geblazen net zo lang totdat jezelf uit de lucht ben gesneden of totdat je als enige overbleef. Dan was ik heel trots dat ik de beste was in de omgeving. Dat deed mij goed.
Maar als ik uit de lucht werd gesneden zat ik te janken van nijd.

Als er glasdraad van de buren over onze tuin hing, probeerden wij dat draad door een waterbak of door kippenstront te halen, zodat de buurjongen die zijn draad terugrolde het natte bevuilde draad over zijn goeie droge draad op de trommel rolde. De onderliggende draad werd ook vuil en nat en hij kon zijn volledig trommel met glasdraad weggooien.

Dergelijke streken hoorden bij de vliegeroorlog. Dat was zo spannend, ik kon er alles voor achterlaten om maar met dat vliegeren mee te doen. Ik kon na de vliegertijd zelf hele mooie vliegers bouwen, trouwens dat kan ik nu nog.

Alleen die vliegeroorlog van vroeger vind je hier in Europa niet terug. Hier hangen van die mooie grote kleurige vliegers in allerlei vormen zachtjes te zweven omdat ze zo log zijn.

Soms zie je wel van die speciale razend snelle dubbele vliegers die allerlei kapriolen uitvoeren, maar zonder oorlog.

Omdat wij toch al gewend waren om met glasdraad te spelen plaagden wij de mensen die na zes uur 's avonds, als het daar al donker was, van de trein terug kwamen en langs ons huis naar hun dorp moesten lopen.

Wij hebben op een keer een stuk gevonden glasdraad over de telefoonlijnen die voor ons huis op palen hingen, gegooid en daar een grote witte luier aan gehangen. De luier was met een steen verzwaard zodat het glasdraad en de luier naar beneden vielen als je het glasdraad losliet.

Wij hadden 's middags het draad al over de lijnen gegooid en aan een steen vastgemaakt en die in onze haag voor het huis verstopt. 's Avonds na het avondeten zijn wij meteen naar onze draad gelopen en hebben er een grote luier aan vastgeknoopt en omhoog getrokken en gewacht tot forensen voorbij zouden lopen.

Wij hoorden dat de trein binnen was gelopen en toen maar wachten tot ze voorbij zouden komen.

Eigenlijk was het heel gevaarlijk om je 's avonds achter onze heg te verschuilen vanwege de slangen, maar dat deerde ons niet.

Ja hoor, wij hoorden stemmen en lieten eerst een paar mensen voorbij lopen en wij lieten het draad los en naar beneden zoeven. De kreten waren niet van de lucht en plotseling zette iedereen het op een lopen.

Wat een lol hadden wij, maar mijn vader kwam erachter en wij kregen weer een berisping maar geen aframmeling. Geluk dat mijn moeder dat niet te horen kreeg, want dan was de wereld weer te klein.

Soms gingen wij ook mee op jacht en mijn vader nam ons naar een rivier de Tjitarum waar veel binjawak’s, leguanen, op de oever in de zon lagen te drogen. Daar schoot hij een paar van af en gaf die aan de plaatselijke kampong, die werden door de plaatselijke bevolking graag gegeten. Het was in elk geval geen babi, varken, dat haram was voor de moslims.

Toen ik 6 jaar was verhuisden wij van Tjibatu naar Batavia en woonden in de Pasarstraat, Meester Cornelis, midden in een Chinese wijk achter een broodbakkerij.

Het was een doodlopende zijstraat van de Pasarstraat met 4 huizen, waarvan de eerste links bij binnenkomst van de straat het onze was. In de volgende drie huizen woonden Totok-Chinezen, die alleen Chinees spraken.

In de Chinese wijk waren alle winkeltjes van Chinezen. Daar bestonden in die tijd twee groepen Chinezen en wel de Indo-Chinezen en de Totok-Chinezen.

De Indo-Chinezen zijn de al eeuwen geleden geïmmigreerde en geïntegreerde Chinezen, die zich gedeeltelijk met de plaatselijke bevolking vermengd hebben en de Indonesische taal spreken. Die hebben meestal Indonesische opschriften op hun reclameborden staan.
De Totok-Chinezen spreken hoofdzakelijk Chinees en hebben alleen Chinese uithangborden.

Beide groepen kunnen niet makkelijk met elkaar overweg. Trouwens wij de Nederlands sprekenden hebben weinig kontakt met de Chinezen. Zeker niet met de Totok-Chinezen.

Vaak gingen de Indonesisch sprekende Chinezen naar Nederlands sprekende scholen en hadden alleen op die manier met de Nederlands sprekende gemeenschap kontakten.

Vele Indo-Chinezen waren arts of tandarts en schenen in de tropen beter te fungeren dan hun Europese vakgenoten, vooral in de hospitalen.
De Chinese tandartsen waren in Indonesië zeer gewaardeerd.

Naar school gingen wij per dokkar Engels dog car een soort koets door één paard getrokken. Ik vond het toen niet zo veilig; ik was altijd bang dat het paard uit zou kunnen glijden en als dat zou gebeuren, wat zou er van ons overblijven.

Aan de andere kant van de Pasarstraat tegenover het doodlopend weggetje waar wij woonden was een enorm groot gebouw waar nonnen in woonden Orde: De Goede Herder.

Ik zag ze iedere morgen in de tuin rondlopen in hun donker habijt, maar wist nooit wat ze deden en in ben ook nooit één tegenkomen met wie ik heb kunnen praten.
Volgens de verhalen van mijn moeder en vrienden deden zij niets anders dan bidden.

Toen al begreep ik niet waar dat goed voor is. Het is en bleef voor mij een vraagteken wat ze ertoe bracht en wat ze daarmee zouden kunnen bereiken met al dat bidden.
Wij zijn thuis ook niet met bidden en godsdienstige verhalen opgegroeid en grootgebracht.

Achteraf ben ik er achter gekomen dat al die duizenden uren bidden nagenoeg voor niets zijn geweest. Ze hadden die tijd beter met sociaal werk waar dan ook en desnoods in de kampongs de zieke mensen helpen te overleven. Nee dat heb ik van jongs af aan nooit begrepen.

Ik denk, dat ik later er steeds meer van overtuigd ben geraakt dat die Christelijke godsdienst een zoethoudertje voor de mensheid is geweest, zoals alle andere geloven.

Lezers die wel een godsdienstige opvoeding hebben genoten en die tot een kerkelijke gemeenschap behoren, zullen het er beslist niet mee eens zijn dat ik dit schrijf. Vroeger had de kerk veel macht en vertelde de kindertjes allerlei bijbelse verhalen, die soms wel interessant waren maar niet voor niet-kerkelijke kinderen.

Wij hadden, mijn broer en ik, ons aangesloten bij een welpenclub, waarvan de bijeenkomsten op het terrein van de Protestantse Bethelkerk werden gehouden. Daar leerden wij niet veel. Aan het eind van de anderhalf uur durende sessie moesten wij in een kring onze yell uitroepen. Die luidde:” Akela wij doen ons best voor de rest doen wij geen pest!” Dit was wat ik van die welpenclub onthouden heb.

Ik ben er nooit op betrapt dat de yell in feite anders moest zijn, maar niemand van de leiding die er iets van zei. Ik moet bekennen dat ze mij er nooit toe overgehaald hebben om mij bij die kerk aan te laten sluiten. Ik denk, dat ze toen al aan mijn gedrag zagen, dat ze dat kereltje beter buiten dan binnen de kerk moesten houden.

Wat ik in de Chinese Wijk wel goed vond is dat met ons Nieuwjaar en hun Chinees Nieuwjaar zoveel vuurwerk werd afgestoken. Het was altijd oorverdovend. Wij vonden dat prachtig hoe krachtiger hoe beter.

De straten kleurden rood van de vele duizenden ontplofte rotjes. Het papier kwam je tot de enkels en wij woelden dat papier om en wel om de niet ontplofte rotjes zelf tot ontploffing te brengen.

Met al dat vuurwerk konden wij natuurlijk niet achter blijven. Wij kochten ons ook een pak rotjes.

Mijn broer op de fiets en ik achterste voren achter op de bagagedrager met een rotje in mijn rechterhand en een brandende obat njamoek, muskietenverdelger, in mijn andere hand.

Mijn broer schreeuwde alleen,Nu!! En ik wierp het rotje gewoon op de grond en die viel meestal achter mensen die op het trottoir liepen.

Vaak liepen er ook verkopers met grote blikken kroepoekdozen hangend aan een bamboestok die ze op hun schouders droegen en dan riep mijn broer ook Nu!! En ik gooide en na de knal gooide de kroepoekverkoper zijn blikken dozen ook weg.

Soms waren er geen mensen en mijn broer riep Nu!! En ik gooide mijn rotje weg en zag geen mensen alleen maar een loslopende honden, die na de knal luid jankend van schrik wegliep.

Er reden ook veel opelets, taxi’s, rond die meestal bomvol zaten en dat bracht ons op het idee om zo’n rotje midden tussen die mensen te werpen. Zien wat de gevolgen zijn, maar dat hebben wij nooit gedaan. Dit alles was vragen om problemen, want dat kon je één keer doen maar niet meerdere keren.

De politie was dan ook vaste klant bij ons thuis. Mijn vader was razend en beloofde een pak rammel als wij dat nog een keer deden. Mijn vader zei ons niet vaak iets maar deed hij dat dan werd dat ook altijd opgevolgd.

Ons huis grensde aan de chinese bakkerij en daar heb ik mijn vriend Kim Yuk leren kennen. Hij wachtte mij 's middags als ik van school kwam altijd op en gaf mij een warme bol.

Ik kon niet veel met hem praten want hij mocht niet te lang met mij bij het hek staan van zijn moeder of grootmoeder. Dat heb ik nooit geweten wie dat waren en waarom dat niet mocht.

Bij elkaar spelen was helemaal uit den boze wat ik heel jammer vond. Ik vond dat toen op die leeftijd Kim Yuk mij altijd van een warme bol voorzag iets warms iets van vriendschap dat niet te beschrijven was.

Zo kocht ik eens een rijstvogel, glatik in een kooitje en hing dat kooitje onder de overloop tussen hoofdgebouw en bedienden kamers.

Toen mijn vader om vijf uur thuis kwam, zag hij het kooitje hangen. Hij liep er direkt naar toe en deed het luikje open en de rijstvogel vloog onmiddellijk weg. Hij zei tegen mij dat ik nooit vogels in kooien mocht houden en beloofde mij een paar duiven te kopen. Wat hij ook deed.

Wij hebben maar één jaar in Batavia gewoond toen mijn vader weer werd overgeplaatst naar Yogyakarta.

Wij gingen daar op de lagere school met de Bijbel, dat was op loopafstand van waar wij woonden.

Ons huis was vlak bij het Toegoe hoofdstation gelegen. Ons huis was van de SS, Staats Spoorwegen, dat ook vlak bij de lokomotievenwerkplaats lag.

Ik had gauw vrienden waar ik woonde en Charles Lapré was toen wel mijn boezemvriend, die woonde één huis verderop. Hij had twee zusters en op de oudste zuster was ik direkt verliefd. Zij was lang en had lang zwart haar heel knap gezicht echt mijn type. Maar mijn verliefdheid kwam alleen van mijn kant, want zij was ouder dan ik en had andere interesses dan zo’n klein jochie van negen jaar en dat was altijd zo gebleven.

Charles kon goed knikkeren en ik kon niet tegen mijn verlies en als wij geknikkerd hadden was er altijd bonje tot huilens toe, maar ik wou het knikkeren ook onder de knie krijgen en daarom speelde ik vaak met hem mijn ergernis wegbijtend.

Daar begreep ik dat als je iets goed onder de knie wilt krijgen je veel moet oefenen. Zonder oefening krijg je niets onder de knie. Dat werd later mijn lijfspreuk tot nu aan toe.

Wij hadden naast het huis een grote sawo-boom staan met reuze grote mierzoete vruchten en die gaf ik zo nu en dan aan mijn vriend Charles. Ik kreeg van hem een houten vork (cagak) om er een katapult van te maken, wat ik ook deed.

Dat was mijn eerste geheime wapen. Ik heb er dagen zoniet weken mee geoefend en ik had een goed schot over mij gekregen.

Er was in die tijd ook een siësta tijd, maar niet voor mij en Charles, want dan gingen wij door de wijk op zoek naar fruit. In de mangotijd waren het natuurlijk de mango’s. Ik schoot ze uit de boom en Charles pikte ze op.

Met de buit gingen wij mee naar huis en maakten daar rudjak, een pittig zoete fruitsla, van. Een fruitsla met een hete zoete saus gemaakt van gula Jawa (palmsuiker), asam (tamarinde), trasi en kencur.

Wij aten dat alleen om onszelf te bewijzen dat het pikken van andermans fruit zin had.

Mijn vader vroeg mij of hij mijn katapult mocht zien, dat ik ook met trots toonde. Hij heeft mij die nooit teruggegeven. De mensen waar wij de mango’s hadden gepikt, hebben zich bij mijn ouders beklaagd met beslaglegging van mijn katapult tot gevolg.

Tegenover de Laprétjes woonde de familie van den Broek, hele aardige mensen als ik daar kwam. Maar de interesses van de jongens van den Broek lagen op een heel ander niveau. Ze waren allemaal zo klein, het leek wel een lilliput familie.

Tegenover hun huis woonde Armand Hoop, maar daar hadden wij helemaal geen kontakten mee. Hij zat bij ons op school, bij mij in de klas en daar was ook alles mee gezegd. Ik had het gevoel dat hij van zijn ouders niet met ons mocht omgaan vanwege een “klasse” verschil. Zijn vader was stationschef en mijn vader werkte in de lokomotievenwerkplaats.

Ries en ik gingen ook wel eens naar de familie Vermaes die woonden op de Boemidjo Lor niet ver van ons huis. Met wie wij in die tijd bevriend waren kan ik mij niet meer herinneren. Het enige wat ik bij hun thuis altijd interessant vond was de reuzenbok die in de tuin stond en het was geen lieverdje, want hij zat vast aan de grote boom en als wij binnen kwamen boog hij zijn kop en richtte zijn horens onze kant op en krabde met zijn voorpoten in de droge grond. Ik liep er altijd met een grote boog omheen.

Op weg van ons huis, wij woonden op de Gowogan Tengah naar de Avé’s die woonden op de Jl. Diponegoro (toen Jl. Toegoe) passeerden wij altijd de ijsfabriek. Iedereen in Djokja wist waar de ijsfabriek lag.

Het was helemaal omheind door een stalen hek met zware stalen poorten.

De directeur van de fabriek was de heer Heubelt en zijn zoon Helmut zat bij mij in de klas. Zij waren geïmmigreerde Duitsers of uitgezonden Duitse werkkrachten en spraken thuis onder elkaar Duits.

Zij hadden helemaal geen kontakten met wie dan ook met als gevolg dat Helmut geen vrienden had. Hij vroeg mij op school of ik bij hem langs wou komen om met zijn elektrische treinen te komen spelen. Dat deed ik dan ook en kwam vaak bij hem langs en keek mijn ogen uit met wat voor speelgoed hij was uitgerust.

Hij had de mooiste Märklin treinen en tientallen Chuco auto’s en ook veel sportuitrustingen. Ik mocht er zolang mee spelen als ik wou.

Wij speelden ook badminton buiten in de tuin. Als wij naar binnen werden geroepen stond zijn blonde moeder ons met koek en limonade op te wachten.

Het was natuurlijk wel interessant om met van die moderne dingen te spelen, maar naar de kali gaan om te zwemmen en met een katapult rond te zwerven was stukken spannender, maar dat mocht hij niet van zijn ouders.

Hij wilde dat ik vaker naar zijn huis zou komen, want je kunt nog zoveel mooi speelgoed hebben, alleen is ook maar alleen.

Hij beloofde mij dat hij mij zijn geheim zou laten zien. Dat was als zijn ouders lagen te slapen of de liefde aan het bedrijven waren, hen via een zijraam te begluren. Hij had zijn kamer boven die van zijn ouders.

Ik wist niet wat ik hoorde. Hij scheen op dat gebied mij jaren vooruit te zijn. Ik keek wel naar mooie meiden, maar zover ging het bij mij toen nog niet. Hij van zijn kant had verwacht dat ik er anders op zou reageren als ik toen deed. Maar onze vriendschap bleef totdat de familie Heubelt met alle andere Duitse families die in Indië woonden door de politie en Nederlandse militairen gearresteerd werden.

Nadat Duitsland Nederland in mei 1940 had bezet, werden alle etnische Duitsers naar het eiland Onrust voor de haven van Batavia afgevoerd en geïnterneerd.

Of ze voor of tegen Hitler waren maakte toen niet veel uit, ieder Duitser werd afgevoerd die verbleven daar totdat de Japanners Indië hadden veroverd.

Wat ik heb vernomen zijn de meeste Duitsers via Japan en China naar Duitsland teruggekeerd. Zeker weet ik het niet.

Van Helmut heb ik sindsdien nooit meer iets vernomen. Ik zou hem nu nog graag nog willen ontmoeten om zijn levenservaringen aan te horen.

Dan de jongens Avé waar ik met Joop lang bevriend ben geweest. Joop was in Indonesië gebleven en was Chef de Protocol van Sukarno geweest. Later onder Suharto was hij Minister van Toerisme geworden. Toch werd hem de toegang tot Australië geweigerd vanwege pedofiele verdenkingen.

Oom Joop Avé en mijn vader waren goede vrienden. Zij hadden graag dat wij bij elkaar over de vloer kwamen. Helaas toen wij door de Japanners bezet werden, werd oom Joop net als mijn vader door de Japanse Kempeitai gearresteerd. Oom Joop heeft dit niet overleefd.

Tante Tine Deighton is een zuster van mijn moeder en was getrouwd met Harry Deighton die ook bij de spoorwegen werkte. Hij was in die tijd baankontroleur en deed lange inspecties van de spoorbanen en had een bepaald traject te inspecteren.

Hij was in die tijd op een heel klein stationnetje gedetacheerd. Dat plaatsje heette Djenar. Later woonden ze in Malangbong. Het huis van tante Tine en oom Harry was vlak naast een overweg gebouwd.

Verder in de hele omgeving alleen rijstvelden en een boerderij met melkkoeien en varkens van de familie Susenaar. Het waren Groningers. Daar ging mijn oom Harry wel eens naar toe als er een dolgedraaid varken afgeschoten moest worden.

Wij logeerden vaak bij de Deightons, maar er was verder niets te doen. Wij kregen van mijn tante Tine les met het schieten van een luchtdrukgeweer. Wij schoten de hele dag op slangen die hun kop boven het hoge gras uitstaken, maar ik heb al die tijd nog geen één geraakt. Ik denk dat dat geweer een kromme loop had, want ik doe het nu veel beter met mijn M1 met telescoop.

./beeld/jacht.jpg
Paula en Tine met windbuksen in de andong terug van de jacht.

Toen Tine nog op vrijersvoeten was, logeerde ze veel bij ons omdat haar verloofde Harry bij ons in de buurt werkte en woonde nl. in Malangbong. Daarom waren Paula en kinderen officieel er altijd bij geweest als ze ergens naar toe gingen om de geliefden niet de gelegenheid te geven te zondigen.

Het ging er toen aan toe als bij de Arabieren nu. De meeste huwelijken vroeger waren voor het overgrote deel moetjes geweest.

Ook de katten van de buren waren in die tijd nooit veilig geweest. Ik was een echte kattenmepper geweest. Alle katten uit de buurt meden onze tuin als de pest. Ze wisten wat hen te wachten stond.

Ik weet niet wat ik vroeger tegen katten had want als wij bij familie op bezoek kwamen werden alle katten verstopt om problemen te voorkomen.

Op een dag reden wij naar familie die ik nog nooit had ontmoet. Die woonde zo’n 30 km bij ons vandaan in een huis met verdiepingen.

Bij aankomst werden wij al door horden katten begroet. Grote en kleine van allerlei kleur en ras. Ik was helemaal niet verrast met zoveel katten.
Wat deed die tante van mij met zoveel katten? Ik dacht daar kan ik haar heel goed van afhelpen.

Na de cake en limonade ging de familie geheel op in familienieuwtjes en ik kneep er tussenuit.

Ik zocht alle kleine katjes op en borg ze op in de koelkast. De meid liep toevallig langs de koelkast en hoorde het miauwen van de katten. Deed de deur van de koelkast open en vond de zes kleine katjes.

Toen begon de meid te roepen, totdat mijn tante kwam aangelopen en mij allerlei verwensingen naar het hoofd slingerde. Mijn moeder kwam met een rotanstok aangelopen en ik kreeg er weer van langs.
Ik stond bij ons in de familie bekend als de kattenmepper.

Mijn vader bouwde mij een mooie duiventil en mijn duiven vermenigvuldigen zich snel en na een half jaar had ik al acht duiven.

De meeste waren witte duiven met een kuif, maar die vond ik te saai. Ik kocht op de pasar, markt fluiten die je op de staart van de duif vastzette, die had je in allerlei tonen. Van scherp fluitend tot zacht brommend.

Wij kochten de scherp fluitende en plaatsten die op de staarten van de duiven. Door dat gefluit achter zich vlogen ze veel sneller.

Wij waren nog niet tevreden. Wij zagen in allerlei tijdschriften Spitfires van de RAF, dus wat deden wij. Wij kochten waterverf in allerlei kleuren. Daarna hebben wij alle duiven gevangen en die met waterverf overschilderd als de Spitfires.
Daarna hebben wij ze allemaal op het dak gedroogd en mijn duivenbestand was dramatisch veranderd.

Ik had nu duiven in camouflage kleuren. Ik heb niemand nog met zulke duiven gezien ik was de enige in heel Yogya. Al mijn vrienden hadden het er over. Het was een prachtig gezicht voor mij zeker.

Op de school met de Bijbel heb ik vrij kort gezeten. Wij verhuisden in 1940.

In 1941 werden alle scholen gesloten vanwege de komende Japanse invasie. Wij kregen thuis bijscholing van Hetty Valenbreder, maar ze had nogal problemen om mij wat bij te brengen. Ik was te onrustig en had andere plannen dan al dat onzinnige geleer.

Na de lessen ging ik altijd over de muur naar George (Tji roepnaam) Loth. Die vond ik meestal op zijn kamer als hij thuis was. Hij was meestal nooit alleen, want hij lag meestal met één of andere griet in bed. Als ik voor zijn open raam stond te roepen riep hij mij altijd om zijn laatste verovering te komen bewonderen.

Hij had ook een zuster Lena, hele mooie vrouw. Zij was ouder dan Tji en had ook prachtig lang zwart haar en ze had mij graag dat ik daar op bezoek kwam en zwijmelde altijd dat het zo jammer was dat ik zo jong was. Ik kreeg van haar altijd een zoetigheid (wadjik) en limonade zonder mij te vragen of ik dat wel wilde hebben. Dat was toen zo’n zelfde geval als met Ilse Lapré. Ik wou toen dat ik wat ouder was, want de kriebels begonnen steeds sterker te roeren en wat moet je doen als zulke aanbiedingen iedere keer in je oor gefluisterd worden.

Tji was net van de technische school gekomen en hij moet zo’n 18 jaar geweest zijn en kon op Maguwo vliegveld beginnen als technieker. Als hij vrij was riep hij ons, Ries en mij, om te komen. Dan leerde hij ons te boksen met echte bokshandschoenen. In het begin mepten wij elkaar waar wij elkaar maar konden raken tot huilens toe, maar langzamerhand begonnen wij de bokstechniek beter te beheersen. Maar boxen was niet mijn sport.

Toen de oorlog begon werd Tji op Maguwo als militair ingedeeld bij de luchtafweer en luchtbescherming en werd na de capitulatie als alle andere militairen krijgsgevangene gemaakt en later overgebracht naar het Ngawikamp.

Mijn vader werd in 1942 door de Japanse Kempeitai gearresteerd met nog vele van zijn spoorwegcollega’s. Van die groep spoorwegmannen in totaal 74 mannen bleven er 9 over. De meesten van hen kwamen om door marteling en ziekte. Deze 9 mannen werden ook naar Ngawi gestuurd en daar ontmoette mijn vader Tji Lot, die in de keuken werkte omdat hij zo sterk gespierd was en om al het zware werk te doen. Hij was ook de man die mijn vader van een wisse dood heeft gered want toen mijn vader daar aankwam was hij al zo sterk vermagerd, dat hij het zonder hulp en extra voedsel het niet lang meer zou overleven. Tot hij bij toeval Tji ontmoette en sinds die ontmoeting ging het hem stukken beter doordat Tji mijn vader van extra eten voorzag.

Lena verging het na de Japanse capitulatie, in de bersiap periode, veel slechter. Door administratieve rompslomp konden zij en haar moeder niet geëvacueerd worden naar gealliëerd, bevriend, gebied. Zij moesten zichzelf in een kampong bij Boemidjo Lor bedruipen. Afgesneden van alle hulp en financiële middelen. De pest brak uit en Lena werd er door besmet en stierf een verschrikkelijke dood.

Europa was in oorlog en Nederland, toen ons “moederland” zoals dat ons in die tijd werd voorgehouden, was bezet door de Duitsers.

In 1941 mochten wij niet meer naar school. De scholen werden omgetoverd in kazernes voor Australische en Engelse militairen. Onze militairen hadden hun eigen kazernes.

Vanaf die tijd geen school tot aan de Japanse capitulatie.

Mijn vader hoefde niet in militaire dienst, omdat iedereen van de spoorwegen cruciaal was voor het leger.

Later vernam ik dat mijn vader van de militairen een kist met dynamiet heeft gekregen om alle lokomotieven op te blazen. Gelukkig heeft hij dat niet gedaan anders had hij de oorlog zeker niet overleefd.

De dynamiet heeft hij laten verbranden en de lonten in een put gegooid wat zijn geluk is geweest.

./beeld/data_wijk.jpg
Japanse identiteitskaart van Lodewijk Muller

De Japanners wisten dat er gesaboteerd was en wilden weten wie dat op zijn geweten had. Zo werden op dezelfde dag een heleboel spoorwegpersoneel door de Japanse Kempeitai, militaire politie, opgepakt en in de plaatselijke gevangenis vastgezet.

Eén voor één werden ze aan een verhoor op z’n Japans onderworpen. Velen hebben dat niet overleefd ook Charles en Joop hun vaders niet.

Charles kwam niet meer bij me langs om te knikkeren en ik had angst om bij hem langs te gaan. Ik weet nu hoe erg het is om op die leeftijd te moeten vernemen dat jouw vader is omgekomen.

Mijn vader had in onze achtertuin een schuilkelder laten bouwen die bestond uit een lang uitgegraven gat met haaks aan het uiteinde een ingang en bovenop zware spoorwegbielsen die met één meter dik klei waren afgedekt.

Leek erg indrukwekkend maar was eigenlijk een schuilkelder van niks. Wij hebben er maar één keer in moeten schuilen toen een Japans vliegtuig het hoofdstation dat vlakbij lag aanviel en er een lichte bom op gooide.

Op een morgen tijdens de Japanse invasie ging de sirene af en wij doken de schuilkelder in. Wij hoorden een vliegtuig boven ons cirkelen en mijn vader zei: ik ga even kijken. Hij stond nog niet buiten toen hij weer naar binnen sprong. Hij zei dat het vliegtuig ons ging aanvallen en vlak daarop hoorden wij een flinke knal, maar wat verder van ons af. Bij het spoorwegstation.

Dat was alles wat wij tijdens die periode hebben meegemaakt.

Toen wij bezet waren vlogen iedere morgen de Japanse tweemotorige bommenwerpers over ons huis naar doelen die nog bestookt werden.

Mijn spitfires had ik toen willen laten opstijgen, maar bleken geen enkel gevaar voor de bommenwerpers. De bommenwerpers waren groen geschilderde vliegtuigen met een rode bol op één vleugel en op de zijkant van de romp.

Toen de Japanners een maand of wat ons bezet hadden ging mijn vader nog steeds normaal naar zijn werk net als alle andere mensen die bij de spoorwegen werkten.

Op een morgen zag en hoorde ik een tank en Japanse militairen onze straat in rennen en op bepaalde punten hielden ze de mensen tegen.

Er kwamen twee officieren naar ons huis gelopen en vroegen om mijn moeder naar buiten te laten komen.

Zij wilden de kamer van mijn ouders inspekteren, wat ze ook deden en verzegelden de klerenkast van mijn vader.

Mijn moeder kreeg de opdracht om het huis binnen twee uur te verlaten. Onze bedienden moesten het huis ook verlaten en waar moesten die naar toe.

Wij hadden aan het begin van de oorlog elk een rugzak met kleding om dat in geval van nood bij de hand te hebben.

De bedienden hebben van mijn moeder wat geld gekregen om de eerste noden te lenigen om in de kampong woongelegenheid te vinden.

Wij liepen naar de familie Flohr die op de Pakuningratan woonde. De Flohrs kenden mijn moeder goed en boden ons een kamer aan om de eerste tijd bij hen door te brengen.

Wij hoorden alleen dat mijn vader met andere mannen van de spoorwegen door de Japanse Kempeitai, de Japanse Militaire Politie, was opgepakt.

Tegenover het huis waar wij nu verbleven woonde een Hollandse familie waarvan de man ook ergens gevangen zat, maar waar de officieren van de Kempeitai bij waren ingetrokken en de vrouw des huizen als gezelschapsdame optrad.

De eerste weken hoorden wij nog helemaal niets, maar daarna werd die vrouw iedere avond gemolesteerd en de kreten en geschreeuw waren niet van de lucht.

Vaak rende ze de straat over en schreeuwde om hulp voor onze tuindeur, maar niemand dorst haar te helpen.

Dan kwam één van de Japanners haar halen. Met een of andere judogreep werd ze al kermend naar binnen gesleurd.

Dat ging weken door en iedereen kon zijn ogen niet meer dicht doen, dus ging mijn moeder op zoek naar een andere plek. Ik was enorm onder de indruk van wat er allemaal gebeurde.
Veilig voelde ik mij niet.

Mijn moeder verhandelde via haar Chinese kennissen alles wat los en vast zat, maar daar zat een een groot risico in om spullen van mensen te verkopen.

De Flohrs waar wij bij inwoonden wilden niet betrokken worden bij mijn moeders verkooppraktijken en vroegen ons ergens anders een onderkomen te vinden.

Wij verhuisden naar de familie Schoew in de Gowogan Lor waar wij in het paviljoen mochten wonen.

Het stierf daar van de ratten en wandluizen, die ons 's nachts opvraten. Wij zaten vol onder de wantsenbeten en de enige remedie tegen die wantsen was de matrassen in de zon drogen, maar veel hielp dat niet.

Ik was er niet alleen vies van maar ik sliep nauwelijks, want die beesten kwamen tevoorschijn als alles donker was en beten links en rechts waar ze je maar bijten konden.

Ze hadden daar wel veel mangabomen in de tuin en die gaven zoveel vruchten dat wij zoveel mochten plukken als wij wilden anders werden ze door de kalongs, vliegende honden, opgevreten.

Het gezin Schoew bestond toen uit moeder, drie dochters, Maggie, Lies en Ernie en twee zoons Theo en Ferry.

Veel ben ik hen niet tegengekomen, dus heb ik ook niet met hen kunnen praten omdat ze in dezelfde omstandigheden verkeerden als wij, alleen zij woonden niet in een SS Staats Spoor woning en konden in hun huis blijven wonen.

Vader Schoew was ook door de Japanse Kempeitai opgepakt en afgevoerd.

Sinds wij ons huis hebben moeten verlaten hadden wij ook geen inkomen meer. Mijn moeder kende veel Chinese handelaren en begon een handeltje met ze op te zetten.

Wat zij deed zijn goederen van mensen verkopen die ook in geldnood zaten maar niet wisten hoe, of zelf de goederen niet wilden verkopen omdat ze bang waren om door de Jappen opgepakt te worden.

Mijn moeder verkocht auto’s en electrische apparaten van particulieren aan iedereen die er wat voor wilde betalen. Ze werd zo bekend dat zij bezoek kreeg van de Japanse militaire Inkoopdienst want die waren op zoek naar al het technisch materiaal dat overal bij partikulieren verspreid lag en dat verkocht ze dan zodat de mensen weer een paar maanden voedsel konden kopen.

Haar bekendheid werd ook haar noodlot, want door jaloezie werd mijn moeder door onbekenden aangeklaagd dat zij een spion was voor de geallieerden en zij werd daarvoor gearresteerd en in het politiebureau van Yogya opgesloten waar zij de rest van de oorlog heeft doorgebracht tot aan de capitulatie van Japan.

Wat zij heeft meegemaakt heeft zij nooit aan ons willen vertellen. Ik wil het ook niet weten want ik heb zelf al 3,5 jaar ellende meegemaakt.

Alleen al om te overleven ben je dag en nacht wakker om te weten wat je de volgende dag zal gaan doen om aan eten te komen.

Met overnachten hadden wij meestal niet zo’n probleem omdat onze kennissenkring vrij groot was, maar voedsel is een andere zaak. Gezien de Indonesiërs zelf meer en meer in de problemen kwamen en wij als Nederlanders werden aangezien was van die kant ook geen al te grote hulp te verwachten.

Er was geen Indonesiër die mij in die 3,5 jaar oorlog ooit wat eten of hulp heeft aangeboden. Wij bestonden voor hun helemaal niet, dit was in het koloniale Indië ons grootste probleem.

Van jongs af aan heb ik nooit kunnen begrijpen waarom wij altijd de Nederlandse kant hebben gekozen, terwijl wij door de Nederlanders als tweede rangs burgers werden behandeld. Dat was zelfs zo toen ik in het kamp werd vast gehouden.

Ik voelde geen haat tegenover de Indonesiërs, integendeel. Ik voelde een natuurlijke verbondenheid. Misschien komt dat doordat mijn vader naar de Indonesiërs toe ook met respect sprak.

Op hun feestdagen moest ik bij de Indonesische stationschef die in onze straat woonde, altijd cake brengen met de groeten van mijn vader.

Ik voelde dat wij hen lieten voelen, dat wij hen niet als onze vijand beschouwden. Het deed mij goed dat te voelen en te weten. Ik weet niet of die andere groepsgenoten dat ook zo voelden.

Zo verhuisden wij naar een huis in dezelfde straat waar de gevangenis gelegen is. Ik ging dagelijks op de fiets langs de gevangenis via de gebouwen waar de Kempeitai gelegen zijn en door tot aan de Benteng, Fort Vredenburg, waar ook veel mannen werden vastgehouden. Hopend mijn vader ergens te kunnen vinden.

Bij de gevangenis ben ik nooit komen vragen of mijn vader daar gevangen zat, dat was mij te eng. Bij de Kempeitai, militaire politie, bleef ik ver weg na alle horrorverhalen die er over hen verteld werden. Dan maar naar het fort.

Ik had op de pasar (markt) die vlak naast het fort lag, eten gekocht gewikkeld in bananenbladeren en gebakken bananen. Dit meegevoerd naar het fort.

Van de hoofdweg naar de hoofdingang van het fort was er een geasfalteerde inrit met aan de linkerkant een houten abri voor de Japanse soldaten die de ingang moesten bewaken.

Naar de abri toe gelopen en heb de eerste de beste officier in het Indonesisch gevraagd of ik mijn vader mocht ontmoeten. Hij stond op en liep naar mij toe met een bamboestok en voor ik het wist kreeg ik een paar meppen op mijn billen om mij te leren dat ik eerst moest buigen om te groeten alvorens ik mocht beginnen te praten.

De slagen waren niet zo hard, maar de bamboestok bleek aan het uiteind gespleten te zijn, zodat de stok door mijn lichte broek, die ik aan had, mijn huid opengesneden had. Daarvan draag ik nu nog de lidtekens.

Ik denk niet dat het de bedoeling geweest was mij veel pijn te doen, maar achteraf leek het toch erger dan het was.

Mijn vader heb ik natuurlijk niet gevonden en de Jap liet mij meteen vertrekken met mijn bloedend achterwerk. Het eten mocht bij de wacht afgegeven worden en dat hebben ze zelf denk ik opgegeten.

De familie waar wij nu verbleven was het echtpaar Lipschart. Hun tuin en huis was helemaal ommuurd met een muur van wel drie meter hoog en met een dubbele houten voordeur afgesloten. In de tuin stonden enkele klapperbomen en enkele andere fruitbomen.

Er stond ook een tuinhuis, waar ik de houten gereedschapskist van mijn vader terugvond. Eigenaardig, hoe die daar terecht is gekomen dat weet ik nog steeds niet.

De tuinjongen was doofstom maar heel gespierd. Hij leerde ons roken en allerlei andere kunstjes.

In diezelfde straat woonde ook Charles, maar dan aan de andere kant van de gevangenis en als ik naar zijn huis liep ging ik altijd via de rijstvelden achterom naar waar hij nu woonde. Het was daar altijd zo mooi groen.

Op een dag liep ik weer via de rijstvelden waar de oogst in volle gang was naar Charles toe. Overal lag stro en alles was geelbruin gekleurd.

Ik hoorde achter mij een enorm geritsel en toen ik omkeek zag ik een enorme pyton van wel drie meter lang op mij afkomen. Ik sprintte onmiddellijk weg en bleef rennen tot aan Charles huis.

Wat een schrik. Ik ben vanaf die tijd altijd over de normale weg gaan lopen zonder oponthoud door slangen of ander ongedierte te ondervinden.

Nu mijn moeder ook opgesloten was, kwam ook geen geld meer binnen. Het oude echtpaar kon ons alleen onderdak verschaffen, maar eten moesten wij ergens anders zien te vinden.

Amin, zo heette de tuinjongen, brandde vaak in een bamboestang een meelpap die hij tot een broodachtige cake bakte, die hij met ons deelde. Lekker was het niet, misschien wel voedzaam.

Hij leerde ons hoe in klapperbomen te klimmen en wij werden specialisten in het beklimmen van klapperbomen.

Hij leerde ons als wij in de klapperbomen zaten naar giftige duizendpoten uit te kijken en hoe die te doden.

Amin kwam tijdens de bersiapperiode om het leven, omdat hij een Indonesische wachtpost voorbij liep en niet reageerde toen ze hem riepen te stoppen.

Mijn jonger broerje was twee en een half jaar oud en huilde constant om zijn moeder. Ik zag de tuinjongen een cigaret rollen en gebruikte een dun palmblad als cigarettenpapier.

Ik vroeg hem of je het palmblad ook zonder tabak kon roken en hij bevestigde dat. Wij rolden een cigaret van palmblad en staken die aan en lieten mijn broertje er even aan trekken.

Zijn gezicht klaarde helemaal op en we lieten hem zelfstandig roken. Dit was het enige middel om hem stil te houden. Sinds die dag is hij nooit meer gestopt met roken.

Ik maakte mij zorgen dat wij zolang school misten. Ik kende niemand die ons les wilde geven om de lagere schoolklassen door te komen. Ik vond bij het oude echtpaar waar wij nu woonden een stapeltje boeken van “Toen en Nu”, die ik iedere dag met luid te lezen allemaal verslond.

Er kwamen nooit mensen de oudjes bezoeken en ons hebben ze nooit verteld of ze ook familie in Yogya hadden. Ik zag ze nooit, heel vreemd.

Amin ging wel eens de deur uit en wandelde overal naar toe. Hij vroeg ons eens mee te komen en wij liepen naar de overkant van waar wij woonden dwars door een kampong naar twee grote visvijvers waar enorme goerami’s in zwommen.

Ik dacht er meteen aan met een hengel terug te komen, maar dat werd mij afgeraden want de vijvers behoorden aan de Kraton van de Sultan en daar wilde ik niets mee te maken hebben.

Maar 's avonds hengelen was toch nog een mogelijkheid. Zover was het echter nooit gekomen. Het zou een goede vervanging zijn van al het vieze eten. Eigenaardig dat mijn jongere broer nooit moeilijk deed met eten. Hij at hetzelfde van wat wij aten, maar hij mocht van ons roken zoveel hij wou als hij maar zijn waffel hield.

Van Charles hoorde ik dat er een Hongaarse Frater was Csizmazia ('k hoop dat ik zijn naam goed gespeld heb) genaamd, die ouderloze kinderen verzamelde en ze ook te eten gaf.

Dus mijn broer, Charles en ik naar de Frater, die in de bijgebouwen van de kerk in Lempuyangan woonde aan de Karreweg.

Hij vroeg mij wat ik wilde doen, want voor wat hoort wat, was zijn lijfspreuk. Ik had de keus het zangkoor te versterken of als misdienaar verder door het leven te gaan.

Ik dacht zingen is voor meiden dus koos ik om misdienaar te worden. Ik kreeg meteen een dun misboekje in het Latijn in mijn hand gedrukt en die moest ik helemaal uit mijn hoofd leren, wat ik ook gedaan heb. Ik zeg nu nog het confiteor uit mijn hoofd op en zo snel als toen. Wat je als kind leert vergeet je je leven niet meer.

Dus na een week werd mij dat alles door de Frater overhoord en ik mocht als misdienaar de pastoor helpen de mis op te dragen.

Ik mocht ook iedere dag een nassimaaltijd in de pastorie komen nuttigen als ik op die dag de mis had bijgewoond.

Er was in de oorlog geen wijn meer te krijgen en er werd tapé wijn gemaakt. Een wijn gemaakt uit kleefrijst. Voor mij een lekkernij.

Daar ik mij in de sacristie mocht begeven liep ik altijd langs de grote tijl en schepte altijd een glas vol tapé wijn en dronk het ad fundum leeg.

Wij zijn thuis nooit door mijn ouders religieus opgevoed. Het enige dat ik wist is als ik met Charles op zondag meeging naar de misviering in één van de katholieke kerken waar wij toen woonden.

Ik wist nooit wat ze daar allemaal deden. Ik zag ze allemaal zo devoot bidden. De priester in zijn mooie gewaad die allerlei kreten door de kerk joeg en alle mensen of misdienaars die daarop antwoorden.

Nu ik dat boekje in het Latijn ook kende en de pastoor kon antwoorden, zat ik nog met een groot probleem. Waar doen ze het allemaal voor. Hoe krijg je geestelijk kontakt met al die heiligen en met God. Ik heb dat nooit gekend. Ik heb tot nu toe nog steeds niet het fameuze licht gezien.

Charles daarentegen die heeft het licht gezien en is zo vroom als het maar zijn kan.

Vanaf die periode probeerde ik Jezus van het kruis te bidden, maar ik had altijd het gevoel van waar doe ik het voor, maar je weet maar nooit.

Ik moest iedere week ook één uur Catechisatie volgen en allerlei mooie verhalen uit de grijze oudheid aanhoren uit vreemde landen en de wonderen die Jezus overal in Palestina verrichtte. Waarom werden die wonderen alleen in Palestina verricht en niet ergens anders in de wereld.

Waarom niet hier en wel nu in deze schier onoverzichtelijke tijd. Als God toch alles kon, waarom liet hij al deze mensen zo verschrikkelijk lijden en verhongeren dat dacht ik toen al op die leeftijd en al die mooie verhalen uit de oertijd leken gemaakt te zijn om ons zoet te houden. Dat was om ons te laten geloven dat het Christelijk geloof beter was dan alle andere geloven en dat wij dichter bij God aanleunden dan al die andere. Wij werden toen al gebrainwashed.

De frater organiseerde zo nu en dan voor alle kinderen een voettocht naar een bergdorp dat vijf en twintig km buiten onze stad lag. Hij volgde ons met een door zebu’s getrokken kar (gerobak sapi) met al onze vakantieuitrusting.

Het was een omgebouwde boerderij waar wij kwamen te overnachten. Het was heel koud zo hoog in de bergen. Overdag maakten wij enorme wandelingen en 's avonds een kampvuur om ons te warmen.

Wij bleven er maar drie nachten toen wij weer heel vroeg aan de terugtocht begonnen, die bergafwaarts veel sneller verliep. De dagen dat wij in dat bergdorp verbleven voelden wij er helemaal niets van dat er een oorlog woedde. Geen Japanner gezien.

Tegenover de kerk in Lampuyangan stonden mooie woonhuizen die met een prikkeldraad hekwerk van de buitenkant waren afgesloten. Het waren hoofdzakelijk blonde kinderen die ik daar zag rondlopen. Ik heb er gedurende de tijd dat ik daar als misdienaar heb gediend geen contakt mee gehad.
Je mocht er niet bijkomen.

De jaren gingen voorbij zonder dat er iets veranderde. Ik zag steeds meer mensen in lompen en veel meer bedelaars met beri-beri in de straten rondlopen.

Iemand vertelde mij dat mijn baboe Cuci (wasmeid en tweede moeder) in het armentehuis zat niet ver van waar ik woonde. Ik ben meteen op mijn vaders fiets gesprongen en naar het armentehuis voor Indonesiërs gereden. Ik zag daar op een droog stuk terrein veel mensen en vroeg iedereen of zij Cuci wisten te vinden.

Het was middag en broeiend warm en stoffig. Het terrein was met prikkeldraad afgezet en ik stond op straat. Niet lang heb ik daar staan wachten en iedereen aangeroepen of zij Cuci wilden roepen toen ik plotseling "Njo!" hoorde en daar stond ze heel erg vermagerd maar nog duidelijk herkenbaar.

Ik stond daar te janken en vroeg haar of zij naar buiten wilde komen om mee te gaan en bij mij wilde blijven. Of ze wel genoeg drinken had en eten. Ik zei haar dat ik water ging halen en eten en dat ze op mij moest blijven wachten.

Ik heb in mijn leven nog nooit zo snel gefietst en thuis gekomen meteen een fles met water gevuld en er een kurk opgezet. In de keuken heb ik wat rijst en restjes gerechten in een pisangblad gedaan en in een doek gedaan en ben meteen teruggereden.

Daar aangekomen geen Cuci meer te zien ik heb daar lang staan schreeuwen en janken om Cuci maar ze kwam niet meer.

Ik denk dat ze ergens stilletjes is gaan zitten. Ze heeft haar kleinkind teruggezien en kon nu rustig sterven. Wat was zij een lieve vrouw voor mij geweest; Een echte moeder. Het doet mij nog altijd pijn haar te missen. Zelfs op dit moment kan ik mij niet bedwingen om de waterlanders binnen te houden.

Dat moment dat ik haar heb gevonden en nog heb gesproken heeft zo’n impact op mijn leven gehad, dat het een deel van mijn trauma, in de oorlog opgelopen, is geworden. Mijn vader niet meer terug te vinden, mijn moeder nog steeds in het gevang, mijn Cuci niet meer teruggezien en er zijn al drie jaren voorbij gegaan en wij leefden als zigeuners en wisten niet hoe lang dat nog zou gaan duren.

Het was op mijn leeftijd haast niet meer om op te brengen. Ik besefte niet dat het begrip om uit je dak vliegen bestond, maar ik was soms radeloos. Ik heb op aanraden van vrienden en van frater Csizmazia Jezus van het kruis gebeden maar niets maar dan ook niets gebeurde.

Ik werd er gek van. Om aan eten te komen werd steeds moeilijker. Ik was niet alleen wij waren met ons vieren. Wij moesten weer naar een ander onderkomen zoeken want de Lipscharts konden ons niet meer ondersteunen en wilden het huis verkopen.

Wij wisten niet wat de echte reden waren, maar wij gingen weer op zoek. Ik had last van hartkloppingen, misschien door het onregelmatig eten en tekort aan vitaminen. Ik moest rust houden en me niet teveel vermoeien. Hoe moest ik dat onder die omstandigheden doen.

Wij konden via een zuster van mijn moeder bij haar schoonouders een kamer krijgen. Dat huis is niet zo ver gelegen van de gouvernementsgebouwen en het radiostation.

's Morgens vroeg zat ik in de ochtendzon, totdat het te warm werd en ik mij dan in onze kamer terug trok.

15 Augustus: Japan tekende onvoorwaardelijk de capitulatie na de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki.
17 Augustus 1945: Soekarno roept de Republiek Indonesia uit vanuit zijn ouderlijk huis in Blitar en via de radio omroep, niet ver van waar wij woonden verspreid, over heel Indonesië.

Dat zelfde radiostation waar vroeger de Nirom ons dagelijks nieuws uitzond deed dat nu voor de Republiek Indonesia en dat was een doorn in het oog van de Nederlandse autoriteiten die in veroverd gebied zaten.

Op een morgen vroeg zat ik weer in het zonnetje op mijn oude plek toen plotseling twee watervliegtuigen laag over kwamen vliegen. Die verderop een Immelmann (WWI flying ace) uitvoerden en in duikvlucht op mij afvlogen leek het. De boortkanonnen ratelden en raketten werden gelanceerd, het leek of ze recht op mij gericht waren, maar die waren voor het radiostation bedoeld.

Ze vertrokken zoals ze gekomen waren. De raketten hadden doel gemist en een ander gebouw in brand geschoten. Kan gebeuren vooral in een oorlog. Een half uur nadat de vliegtuigen verdwenen waren had ik nog hartkloppingen.

Wij konden de gevangenen uit Ngawi bij het politiebureau komen ophalen. Mogelijk dat mijn vader daar ook bij kon zijn. Ik naar het politie bureau gefietst en daar stonden ze opgesteld: acht of negen skeletten met lange baarden en haardos, in lompen.

Ik herkende geen één van de groep die op mijn vader leek en ik begon al te janken dat ik mijn vader niet tussen de groep herkende. Dat was zo’n angstig moment te moeten vaststellen dat hij er niet meer bij was.

Ik had geen gevoel of benul hoe het aanvoelde om te beseffen dat je vader er niet meer was. Ik raakte in paniek en begon meteen te janken. Toen vroeg één van de skeletten, "Wie ben je"? Ik antwoorde Muller! Toen zei hij: "Kijk recht voor je uit, dat is Muller!"

Ik wou hem zo in de armen vliegen, maar hij schreeuwde mij toe hem niet aan te raken, want hij zat onder de luizen en ander ongedierte, hij heeft mij na drie jaar ook niet herkend.

Wij een koets gehuurd en daarmee naar het huis van een tante gereden waar wij sinds kort verbleven.

Mijn vader hebben wij buiten in de tuin uitgekleed en meteen in de badkamer gezet en met allerlei detergenten ontsmet. Oude kampkleren verbrand en haren geknipt en nu herkenden wij hem weer.

Zo waren er meerdere families in dat ene huis herenigd en iedereen probeerde op adem en krachten te komen.

Niet lang nadat wij met onze vader en moeder herenigd werden brak er 's nachts een hevige schietpartij los rondom de huizen waar wij woonden en dat ging zo door twee dagen lang.

Dat er geen kogel door ons huis gevlogen is mag een wonder heten. Niemand van ons heeft zoiets ooit meegemaakt en allemaal lagen wij trillend van angst onder de tafels die er waren.

Het waren de Indonesische Heiho soldaten die tijdens de oorlog als oorlogsvrijwilligers door de Japanners getraind waren om tegen de geallieerden ingezet te worden, maar na de capitulatie van Japan ontbonden werden.

Deze Heiho militairen waren van mening Soekarno bij te staan als een rebellenleger om het Indonesische vrijheidsstreven te verdedigen en daarvoor wapens nodig hadden die de Japanners alleen in bezit hadden. Dit was een aanval van de Heiho’s op de Japanse kazernes om aan wapens te komen, die door de Japanners niet direkt afgeven kon worden.

Een paar weken na de Japanse capitulatie mochten wij ons opnieuw op het politiebureau melden met voldoende kleding. Mannen en jongens ouder dan 14 jaar en vrouwen met kinderen werden gescheiden. De mannen werden naar kamp Pundung getransporteerd en vrouwen met kinderen naar kamp Sewoe Galoer.

./beeld/kamp_sewugalur_mrt46_web.jpg
Vooraan midden half knielend Fried Muller, aan zijn rechterzij zittend Wim Stuyver

Ik ging met mijn moeder broers en zuster naar kamp Sewoe Galoer, gelegen aan de Zuidkust. Wij werden op vrachtwagens geladen en direkt naar Kamp Sewoe Galoer gereden.

Dit kamp werd oorspronkelijk als opslagplaats voor de suikerfabriek gebruikt. Voor de oorlog heeft men er een leprakolonie in gehouden en tijdens de Japanse bezetting hebben de Japanners daar een kazerne van gebouwd voor de bewaking van de zuidkust tegen geallieerde aanvallen.

Dit kamp bestond uit een twaalftal barakken van verschillende grootte en waarvan de vloeren een 70 cm boven het maaiveld gelegen waren. Ik denk met het oog op overstromingen en ongedierte. Buiten ratten en slangen waren het ook schorpioenen die ons het leven zuur maakten.

Het kamp was omheind met prikkeldraad en een 2,5 m hoog bamboehek waar je moeilijk doorheen kon kijken. Op de hoeken van het kamp waren wachthuisjes opgesteld die eerst bemand werden door Heiho soldaten en later door jeugdige wachters onder leiding van de lokale politie.

Wij kregen elk een tiker (slaapmat) gemaakt uit tijgergras. Wij met ons vijven mijn moeder met vier kinderen, deelden één kamer van vier bij vier meter met tante Tine en haar 3 kinderen: Jimmy, Nancy en Grace en mijn grootmoeder Correwor van moederskant.

Correwor was een pittige oma, die woonde vroeger in Oengaran vlak bij Semarang. Zij hadden een plantage met een woonschuur erbij. Vroeger ging zij vaak te paard met schrotgeweer over haar schouder naar de plantage en bleef daar soms overnachten.

Dergelijke plantagewoningen hadden ramen met houten stangen in plaats van tralies. Het verhaal wilde dat Correwor onder zo’n raam sliep met vlak naast zich een groot kapmes.

./beeld/tine_10jaar.jpg
Familie van Dietz te Ungaran. Rechts zittend, Tine 10 jaar oud.

Op een nacht hoorde ze boven zich geluid alsof iemand met een lange bamboestang tussen de tralies door wasgoed probeerde weg te haken. Doordat er wasgoed lag verder dan de bamboestang lang was, stak de man ook zijn armen door de tralies om er beter bij te komen.

Correwor greep haar parang (kapmes) en in één vloeiende beweging sloeg zij op zijn arm waarbij met een hoge kreet de bamboestang op de grond viel.

De slag moest niet al te hard zijn aangekomen, want veel bloed hebben ze de volgende morgen niet gevonden.

Correwor vertelde haar kleinkinderen, dat ze vroeger ook zwijnen en een tijger had afgeschoten. Maar dat laatste geloofden wij niet, want wij dachten altijd dat die verhalen speciaal voor de kleinkinderen werden verteld.

Zij vertelde ons nooit spookverhalen. Dat was voor haar altijd een teer punt geweest omdat zij daar zelf sterk in geloofde.

Zij wisselde ook regelmatig van geloof. Eerst was ze protestant, dan gereformeerd en als laatste was ze lid van de Pinksterbeweging en daar voelde zij zich thuis.

Wij zaten dus met ons tienen op zestien vierkante meters. Gezien de kinderen van mijn tante nog hele kleine kinderen waren gaf dat natuurlijk al meteen problemen vanwege het gehuil van de babies die om een of andere reden te weinig voeding kregen of vervuild waren.

Gelukkig kregen mijn broer en ik na een maand zo krampachtig samengewoond te hebben een gewezen toilet tot onze beschikking van drie bij twee meter, waarvan het afvoergat gelukkig dichtgemetseld was.

Niemand wou in een toilet van een melaatsenhospitaal wonen. Wij waren de enigen in het kamp die zo’n privacy hadden. Daar waren wij geheel bevrijd van dat gedrein van de kinderen, maar het ledigen van de emmers met urine en uitwerpselen van de kleintjes mochten wij iedere ochtend aan de andere kant van het kamp doen.

Ik liep meestal kokhalzend tot aan de open toiletten om de emmers leeg te gooien en te spoelen. Het vergde veel energie van me, mede omdat ik natuurlijk gestressed met die vuile emmers over het kampterrein moest lopen.

Er waren twee openluchttoiletten gebouwd boven en snellopende beek (selokan) één voor de mannen en één voor de vrouwen in het kamp met 350 personen. Deze toiletten bevonden zich aan de andere kant van het kamp als waar onze barrak zich bevond. Dus in noodgevallen was het altijd prijs.

Als ik over toiletten spreek zijn dit lange bamboevlonders waarin enkele gaten zijn gemaakt en waar je afgeschermd je behoefte kon doen. Met een groot blik aan een touw kon je in de beek water opscheppen om je billen af te wassen. De beek had schoon snellopend water dat uit de bergen kwam.

Het probleem was dat het water eerst onder het vrouwentoilet ging en daarna onder het mannentoilet. Schoon water om je af te wassen kreeg je dus nooit, maar je went je er wel aan.

Er waren twee waterputten die voldoende drinkwater en badwater leverden. Er was een gaarkeuken die met hout werd gestookt en iedereen kreeg daar wat eten toebedeeld.

Men kon op privébasis produkten kopen door kleding over het hek tegen levensmiddelen te ruilen of aan de lokale bevolking te verkopen. Men kon ook gouden en zilveren ringen verkopen, maar veel kreeg je er niet voor omdat de boeren zelf behoeftig waren in die periode.

Ik had mij direkt aangeboden om allerlei karweitjes op te knappen, maar dat viel niet in goede aarde, het enige wat ik mocht doen is stookhout in bundels van de hoofdpoort naar de gaarkeuken transporteren. Dat was iedere dag vijftien keer zo’n zestig meter heen en terug lopen. Dat waren zo’n vijftien bundels die getransporteerd moesten worden.

Ik deed dit tot ik op een dag met een bundel op mijn schouder naar de gaarkeuken liep en toen een verschrikkelijke brandende pijn in mijn nek kreeg en met bundel en al op de grond viel.

Het moet een schorpioenensteek geweest zijn. Na die tijd wilde ik enkel een samengebonden bundel hout met z’n tweëen verplaatsen.

Ik kreeg in het kamp helemaal geen kontakt met mijn leeftijdgenoten, niet alleen met mijn leeftijdgenoten eigenlijk met niemand. Of dat met mijn leeftijd te maken had weet ik niet.

De enige familie die mij uitnodigde was de familie Vermaes om 's avonds bij hen een rozenkrans te komen bidden. Dat heb ik eenmaal gedaan. De reikwijdte van dat gebed kon ik niet zien en ik ben er ook resoluut mee gestopt.

De moeders hielden hun dochters binnen vanwege al die gevaarlijke klanten zoals ik en de jongens waren nergens te bekennen. Bang om naar het mannenkamp gestuurd te worden denk ik.

Er was maar één knaap met wie ik regelmatig in aanraking kwam en dat was Benno Mensink. Een pure Totok, Hollandse, jongen die er alleen met zijn grootmoeder zat. Benno werd later zeekapitein bij de Koninkelijke Marine zoals zijn vader die ook bij de marine zat.

Ik ging in ons blok alle lokalen langs om te vragen of ik wat voor ze kon doen. Het antwoord was meestal negatief, dus ik had niks te doen.

Het enigste wat ik 's morgens deed was de toiletemmer, die in de kamer waar mijn moeder en tante met de kleine kinderen woonden, naar het open toilet te brengen; de emmer uitgieten en omspoelen. Ik kan er nu nog van over mijn nek gaan als ik er sterk aan denk. Met de emmer moest je wel naar de andere kant van het kamp lopen, wat niet altijd een pretje was want de emmer was meestal meer dan vol.

Wij hadden geen boeken om te studeren of gewoon om te lezen. Inmiddels had ik al vier jaar geen school meer gevolgd en dat werd natuurlijk nog meer. Ik maakte mij echt zorgen, dat ik veel te veel achterop zou raken, maar geen een van de leraressen in het kamp wilde les geven. Alleen aan hun eigen kinderen wilden ze les geven.

Ik dacht er elke keer aan wanneer deze ellende op zou houden en wanneer ik weer in een normaal gezin kon leven en mijn ouders terug zou zien, dat was in die tijd altijd mijn grootste angst geweest dat ik geen scholing zou krijgen en met weinig lees- en schrijfervaring door het leven zou moeten.

Daar zijn zeëen van tranen over geplengd. Ik wou niet als een analphabeet door het leven gaan.

Halfweg mijn verblijf kreeg ik wegens gebrek aan vitaminen last van tropenzweren, die niet behandeld konden worden. De plaatselijke verpleegster Detie van Zeventer behandelde mijn wonden met allerlei zalfjes, maar geen reactie om de wonden dicht te krijgen. Mijn voeten en mijn knieën zaten in de zwachtels. Ik stonk van de etter dat aan alle kanten door het verband kwam. Ik kreeg er een komplex van (en ik had er al zoveel), zeker nu andere mensen mij ook konden ruiken.

Ik kon met geen sport meedoen. Voetballen was uit den boze want die delen waarmee geschopt moest worden zaten onder de tropenzweren.

Niemand vroeg mij of ik wat wou eten om aan te sterken, want zij hadden zelf niets in voorraad. De vrouwen kookten meestal voor zichzelf om hun kinderen toch meer vitamientjes te geven.

Ik zag dat ze dat vaak heel gebrekkig deden omdat ze geen braadlepels hadden. Ik ben toen begonnen om de harde schaal van de cocosnoot in de vorm van grote baklepels te slijpen. Aan de bovenkant boorde ik een vierkant gat en van bamboe maakte ik een lange steel die ik met een bamboevezel vasttrok.

Voor mij was de eerste lepel wonderbaarlijk goed gelukt. Ik heb me eerst een zestal gemaakt en ben toen langs alle blokken gaan leuren en was ze zo kwijt. Iedereen wou zo’n lepel hebben, dus heb ik me een groot deel van mijn verblijf daarmee nuttig gemaakt.

Ik heb later ook kleinere lepels gemaakt. De kleinere gaf ik meestal weg aan vrouwen die ik graag mocht en die ook normaal tegen mij deden en mij normaal groetten als ik passeerde.

Eerlijk gezegd ik dacht er wel aan om een vriendinnetje te hebben, maar geen kans om ze te spreken, die werden ver bij mij weggehouden. Maar er liepen veel jonge vrouwen smachtend rond en er waren een paar pracht exemplaren bij en ik denk dat ze mijn blik toen al opmerkten en een barrière opwierpen tegen mijn psychische gesteldheid. Ik was dertien jaar na één september en het begon toen al echt te kriebelen.

Het kwam wel eens voor dat er mannen 's avonds in het kamp rondliepen en de mensen van op afstand begluurden. Of dat wachters waren of andere mensen zijn wij nooit achter gekomen.

Het kamphoofd Mevrouv Bos heeft toen besloten een Ronda in te stellen. Die bestond uit alle jongens ouder dan twaalf jaar. Zij moesten wacht lopen in het hele kamp van 19.00 uur tot 22.00 uur.

De groep werd overdag ingedeeld wie waar gaat postvatten. Wij liepen met bamboesperen om ons te kunnen verdedigen. Achteraf heel gevaarlijk want het was er soms zo donker dat je makkelijk tegen een medebewaker zou kunnen lopen en deze goed zou kunnen verwonden.

Onze grootste schrik waren de waslijnen. Menig rondaloper had zijn keel pijnlijk aan deze lijnen bezeerd.

Er is in die maanden dat wij wacht liepen nog nooit iemand waargenomen. Mijn konklusie dat die vrouwen die die mannen gezien hebben zich zo hebben zitten opwinden dat er allerlei mannengedaantes tevoorschijn kwamen alleen in hun fantasie.

Vele vrouwen die de kinderen en volwassenen met allerlei toneel- en zangavonden bezig hielden en uit hun apathie probeerden te houden en daar zeer goed in zijn geslaagd moeten voor mij geridderd worden.

December 1945 gingen wij het kamp in en mei 1946 werden de eerste kampbewoners geëvacueerd naar Batavia. Meestal mensen die voorheen in het Jappenkamp hadden gezeten kregen voorrang.

Wij mijn moeder en haar vier kinderen werden in november 1946 geëvacueerd. Eerst per vrachtwagen naar station Toegoe in Yogya en 's avonds vertrokken wij uit Yogya per trein richting Batavia.

Volgende morgen vroeg, voordat wij de demarkatielijn bij Bekasi overstaken zagen wij overal Gurkha-soldaten. Allemaal hadden ze een zwarte baret op en behalve een korte karabijn een enorme kukrismes op hun rug. Dit waren de Britse stoottroepen de crème de la crème van het Britse leger.

Voor het eerst na zoveel jaren voelden wij ons bevrijd en veilig. Toen de trein de rivier overgereden was stonden verschillende jeeps met Britse officieren aan de andere kant van de brug, die de operatie aan het regelen waren. Dat gebied tot aan Batavia was vrij gebied waar de Indonesische vrijheidsstrijders geen zeggenschap meer over hadden. Het gevoel dat je vrij was en geen angst meer had of hoefde te hebben is een onbeschrijfelijk bevrijdend gevoel, dat ik mijn hele leven zal blijven meedragen en koesteren.

De Indonesische begeleiders gingen van de trein af en de Ghurka’s namen hun plaats op de trein in.

Wij reden door tot aan station Mangarai in Batavia, waar het rode kruis ons eerst met DDT besproeide en ons nieuwe kleren gaf.

Je mocht kiezen of twee korte broeken en een hemd met korte mouwen of één broek met twee hemden.

Later hoorden wij dat het een verordening van het Rode Kruis was en dat de directeur die ene broek of hemd op de zwarte markt liet verkopen voor eigen gewin, en die verordening zelf had laten uitvoeren. Hij is hier nooit voor aangeklaagd. Nederlandse koloniale politiek op z’n best.

Mijn vader die al eerder geëvacueerd was wachtte ons op en reed ons naar één van zijn zusters die een groot huis met bijgebouwen bezat. Daar mochten we een paar kamers van gebruiken totdat wij een eigen huis konden huren.

Ik was nog geen week in Batavia of ik kreeg een malaria-aanval. Het bleek malaria tropicana te zijn. Heel ernstig was de aanval.

Mijn tropenzweren verdwenen, doordat ik veel vitaminepillen te slikken kreeg.

Daarna kreeg ik geelzucht. Ik ging na een paar weken op bed te hebben gelegen weer naar school.

Herstelscholen waren zo ingericht, dat alle kinderen hun verloren oorlogsjaren weer konden inhalen. Elke klas is in zes maanden door te worstelen.

Wij hadden veel familie van mijn vader in Batavia wonen. Die zagen wij meestal in de week-ends en altijd met Oud en Nieuw. Mijn grootmoeder van vaderskant bezocht ik elke zaterdag. Dat was mijn Oma Dik die helemaal niet dik was tenminste in die tijd dat ik daar kwam.

Ik ging altijd vrij vroeg naar haar toe om dan nog wat te snoepen en zij bakte mij altijd iets speciaals. Als ik weg ging kreeg ik altijd fl 1,50 om naar de film te gaan of snoep te kopen.

Met de andere familieleden had ik weinig kontakt, behalve met mijn neven, de zonen van mijn vaders oudste broer, oom Vent. Die namen ons vaak mee op jacht. Om houtduiven te schieten.

Het was in de tijd dat de Indonesiërs met hun vrijheidsoorlog bezig waren en overal terroristische aktiviteiten ontplooiden.

Op een dag waren wij op een rubberplantage aan het jagen toen plotseling niet ver van ons een zware mitrailleur over ging. De kogels zoefden boven ons in de rubberbomen. Takjes en blaadjes vielen omlaag en ook rubbersap.

Wij wisten niet wie er geschoten had. Waren het onze eigen militairen of waren het Indonesische vrijheidstrijders?

Ik denk, dat het onze militairen zijn geweest. Op aanwijzing van een of andere militaire verkenner die ons van ver gezien heeft en ons heeft horen schieten, niet wetend dat wij aan het jagen waren. De verkenner heeft doorgemeld aan de thuisbasis met een salvo uit een zware mitrailleur als resultaat.

Dit was ons enige incident dat wij tijdens het jagen in die Bersiap-periode hebben meegemaakt.

Als wij dan van zo’n jachtpartij terug kwamen hadden wij wel zo’n honderd houtduiven van verschillende grootte afgeschoten. De keukenmeid van mijn tante, met hulp van andere bedienden, begonnen meteen de vogels te plukken en te braden en te koken. Zwartzuur was er altijd bij. Na het jagen kwam altijd de schranspartij. Ik kon er echt van genieten.

Herfst 1947 gingen wij richting Nederland. Wij scheepten ons in (Tandjoeng Priok, 24-09-'47) op het het MS Sibajak, een Nederlands troepentransportschip met een normale Hollandse bemanning.

Het eten aan boord was voor zo’n troepentransportschip vrij goed. De broodbolletjes voor het ontbijt waren zalig, maar liet je ze een dag liggen dan waren ze steenhard.

De reis via het Suezkanaal duurde één maand en het enige opzienbarende gebeuren was een enorme storm in de golf van Aden met huizenhoge golven en tientallen vliegende vissen op ons dek. Wij konden ze helaas niet roosteren.

Behalve zeezieke en kotsende mensen waren er geen andere ziektes aan boord.

In Suez werd gebunkerd en kregen wij winterkleding van de UNWRA.

Wij liepen op een zonnige herfstdag Rotterdam binnen (22-10-'47) en werden door een speciale dienst van sociale zaken ingedeeld in een hotel gelegen bij de Vinkeveense plassen. We werden er met bussen naar toe gebracht.

Wij kregen extra bonnen om boter en suiker te mogen kopen.

Ik had nog steeds geelzucht. Een medische controle en hulp was er niet.

De aankomst was heel erg kil. Wij dachten dat de Nederlanders ons hartelijk zouden verwelkomen, maar het tegendeel viel ons te beurt. Mede doordat een socialistische regering in de naoorlogse jaren aan het bewind was.

Deze regering wilde de Indische Nederlanders uit de koloniën niet naar Nederland halen. Want dan zouden ze deelgenoot worden van het sociale systeem dat volgens de socialisten aan hun strijd tegen het kapitalisme te danken was. Aan die strijd hadden die Indonesische Nederlanders nooit deelgenomen en die hadden het recht niet daar de vruchten van te plukken. Zo werd het van hogerhand aan de lagere echelons doorgegeven.

Zelf wisten de lagere echelons socialisten niet dat het sociale systeem in Nederland door de Duitse bezetter was ingevoerd, dat werd officiëel altijd verzwegen.

In Nederland wisten ze helemaal niet hoe het toen in de koloniën eraan toeging. Het interesseerde ook niemand wat die mensen in de koloniën meegemaakt hadden.

Je vind in de geschiedenisboekjes toch niets over 300 jaar kolonisatie. Je leest ook niet hoe het Nederlandse bewind op de Molukken en in Aceh en op andere plaatsen tekeer was gegaan. Met duizenden doden op haar conto. Nooit door de Verenigde Naties of ander internationale groep veroordeeld. Die andere Europese landen hadden zelf hun handen vol mee met hun eigen koloniën.

Niemand die ons verwelkomde, in tegendeel, iedereen was heel erg stug en in het hotel was er een eetzaal bestaande uit houten tafels en houten stoelen en banken voor de gerepatriëerden en in een andere zaal voor de klanten mooi gedekte tafels met glaswerk en het leek wel Zilveren eetgerei.

Het eten voor de gerepatriëerden was niet om door je strot te krijgen. Ik denk dat ze in de oorlog beter eten op tafel hebben gehad dan nu voor die bruine immigranten.

Mijn vader was in Amsterdam direkt op zoek gegaan naar een woning en vond er geen, maar wij moesten dit pension verlaten naar een pension in Bussum in het Spieghelkwartier. Dat was een groot herenhuis waar vier gerepatriëerde families in woonden.

In Bussum ging ik voor het eerst naar de middelbare school. In Bussum lag de chocolade fabriek Bensdorp. Die rook je op kilometers als de wind uit de juiste richting kwam.

Het herenhuis lag in het Spieghelkwartier, waar vroeger alleen millionairs woonden en waar vele Joden gewoond hadden, die na de oorlog niet teruggekomen waren.

Ons huis is door de gemeente ter beschikking gesteld om als pension te gebruiken voor repatrianten uit Indonesië.

Wij kregen een ruime zit/eetkamer met kolenkachel en twee slaapkamers tot onze beschikking. Er was maar één badkamer.

Het was een weduwe en haar zoon die dit pension beheerden. Dit herenhuis had ook een grote tuin rondom met een voor- en achteringang.

Tot onze grote vreugde woonde in de straat achter ons een ex-kampgenoot uit Sewoe Galoer en dat was Max Keller die daar met zijn familie woonde.

Mijn broer en ik hebben ons in de Bussumse rugby club 'T Gooi ingeschreven en Max Keller speelde daar ook bij. Hij speelde als voorwaartse, dat zijn de zware knokkers en ik stond met mijn broer als three-quarter en twee andere broers vervolledigden de snelle three-quarter lijn.

Dat was een harde sport. Na ieder spel als wij uit de douches kwamen kon ik amper lopen.

Naast ons huis stond ook zo’n groot huis als het onze dat bewoond werd door een vrouw met een heleboel dochters, die alleen hallo zeiden als je ze tegenkwam, maar verder geen toenadering zochten.

De mensen die achter bleven in het Vinkeveense-plassen pension dachten verder geholpen te worden door een dienst oorlogsslachtoffers. Ze kwamen bedrogen uit. Niemand kwam opdagen. Er was niemand die deze mensen begeleidde om hun uit te leggen waar en naar welke instantie te gaan, om verder te worden geholpen.

Wij dachten dat de Nederlanders ons leed en bezetting door de japanners in Indonesië goed kenden. Het tegendeel is waar. Ze wisten niets over Indonesië en ik denk dat alle regeringen in Nederland zo min mogelijk dat wat in Indonesië fout liep niet aan de grote klok wilden hangen.

Een groot gedeelte van deze mensen die nog met een oorlogstrauma rondliepen, werd lange tijd zonder hulp in die contract-pensions achtergelaten.

Als ik nu achteraf die situatie analyseer dan heb ik er maar één woord voor over. In het Duits zeggen ze daarover “zum Kotzen”. Waarom in het Duits omdat dit in het Duits de autochtone Nederlander meer aanspreekt dan dat het in het Nederlands geschreven wordt. Persoonlijk vind ik “zum Kotzen” meer wansmakelijk overkomen dan “om te kotsen”.

Wij gingen in Bussum naar een normale middelbare school. Daar begon voor mij een hele zware periode omdat ik naast mijn verloren jaren aan een sterk minderwaardigheidscomplex leed.

Ik was niet de enige die dat probleem had. Duizenden van die kinderen. De meeste kinderen liepen met een trauma rond, dat nauwelijks behandeld werd noch erkend. Zij hadden andere prioriteiten dan aan hun trauma’s aandacht te geven, maar sommigen gingen er toch aan onderdoor.

Daar was in Nederland geen interesse wat die Indische mensen in Indonesië hadden doorgemaakt. Alleen Nederlanders hadden onder de Duitse bezetting geleden. Zelfs over de Joden hoorde je in die tijd heel weinig. Je kon jouw verhaal aan niemand kwijt; Een enkeling misschien.

Ik persoonlijk ben één persoon en collega in mijn leven tegengekomen, Rein de Boer, die er met mij over gesproken heeft. Onder het drinken van een goede fles Whisky hebben wij onze levenservaringen gedeeld. Wat een tranen hebben we daarover geplengd. En waarom hebben wij er over gesproken? Omdat hij zelf met een enorm trauma rondliep.

Hij een autochtone Groninger liep zijn trauma op nadat zijn vader zichzelf van het leven had beroofd. Ik kan het mij zo goed voorstellen en aanvoelen wat een diep verdriet dat voor hem als kind moest zijn geweest. Hetzelfde toen ik mijn vader niet kon terugvinden toen hij het Jappenkamp Ngawi kon verlaten en in Yogya terug kwam. Dat ik hem op het politiebureau niet herkende en dacht dat hij ook omgekomen was. Net als de vaders van vele van mijn vrienden.

Na het eerste schooljaar op de HBS met de hakken over de sloot te hebben afgerond zijn wij in 1949 weer teruggekeerd naar Indonesië waar mijn vader bij de spoorwegen moest helpen de stoomlokomotieven weer operationeel te maken.

Mijn vader had ons op de ms Oranje geboekt, dat toen tot de meest luxe schepen behoorde. Het was een snelle overtocht zonder speciale incidenten onderweg.

Wij woonden in Meester Cornelis in de Spoorstraat aan de rand van de stad Batavia; ook in een woning van de spoorwegen. Daar stonden alleen woningen van de spoorwegen zoals in Tjibatoe vroeger.

Dat was het spoor dat de noordelijke route was naar Soerabaya een 900 km van Jakarta en dicht bij Bekasi, de plaats waar wij in 1946 door de Indonesische militairen aan de Gurkha’s werden overgedragen toen wij uit het kamp kwamen.

Toen wij vanuit de haven van Tandjung Priok naar ons huis in Meester Cornelis reden was er niet veel veranderd aan Jakarta.

Wat wij wel in ons huis vonden was een heel arsenaal wapens. Ik vroeg mijn vader waar dat allemaal voor bestemd was en zijn antwoord was, “ Je kunt nooit weten”. Maar ik maakte mij daar erg ongerust over. Wij hebben genoeg ellende in de Japanse bezetting gehad en ik wil er niets meer over horen en weten, ik heb mijn deel gehad en om nu weer te beginnen, nee daar paste ik voor.

Ik leerde daar veel buurjongens kennen die iedere morgen met dezelfde trein naar school reden. Allemaal waren ze nog bezig die 5 jaar achterstand in te halen net als ik.

Toch was er nog tijd om de kampong in te gaan en een heerlijke duik in de kali te nemen. Er bestaat voor mij geen betere afkoeling in de tropen als zo’n duik in het heldere kaliwater en het was niet eens zo ver lopen bij ons vandaan.

Wij hielden wel altijd rekening met terroristische aktiviteiten door naar de plaatselijke bevolking te kijken, die wisten meestal of er “terroristen” in de buurt verscholen waren dan was meestal geen mens te bekennen wat in normale omstandigheden nooit voorkwam.

Soms als wij door de kampong liepen en wij de mensen groetten en hun zeiden dat wij een duik gingen nemen, raadden zij ons aan dat uit te stellen. Ze zeiden nooit waarom, maar als er ongelukken kwamen kregen ze het hele militaire apparaat over hun heen en dan zouden er zeker weer slachtoffers aan hun zijde gevallen zijn.

De Nederlandse troepen werden vaak door speciale militaire éénheden ondersteund zoals de Groene en Rode Baretten die vaak door ervaren lokale militairen bemand waren en in wreedheid niet voor de Japanners onderdeden, zoals Westerling met zijn Groene Baretten.

Ik liet mij op de CAS inschrijven, maar dat ging niet van een leien dakje, want de directeur van de CAS vroeg mijn vader of hij een uitgezonden kracht was en dat was hij niet. Dan kon zijn zoon ook niet op de CAS ingeschreven worden.

De directeur probeerde op zijn manier de koloniale verhoudingen nog in stand te houden, zelfs op school. Mijn vader was die mentaliteit na wat hij in de oorlog heeft moeten meemaken kotsbeu en heeft toen zijn .45 revolver uit zijn tas gehaald en op tafel neergelegd en de directeur nogmaals heel rustig gevraagd mij in te schrijven, wat hij ook onmiddellijk deed.

Ik heb er persoonlijk geen narigheden van ondervonden, want ik moet eerlijk zeggen dat ik op de CAS een heel goede tijd heb doorgebracht.

Ik reed met de electrische trein van Station Meester Cornelis tot aan het Koningsplein, want tegenover het station was de CAS (Carpentier Alting Stichting) gelegen.

Als wij met de trein reden dan passeerden wij onderweg een heleboel plastic tenten tussen de gerangeerde wagons van daklozen en dat waren er honderden.

Als je dat zag wat een armoede deze mensen hadden. En het erge aan die hele situatie is dat je als éénling daar niets aan kon doen.

Ik schaamde mij dat ik me in zo’n bevoorrechte situatie bevond. Ik was goed gevoed, had schone kleren aan. Ging naar school.

Als je nu naar de foto van deze in lompen gehulde vrouw kijkt. Iets armzaliger als dit wezen bestaat er op deze wereld niet. Wat hebben de Indonesiërs toch enorm geleden. Is Cuci ook zo aan haar eind gekomen?

./beeld/arme_vrouw_47.jpg
De bevolking leefde in bittere armoede.

Deze mensen hadden nergens om naar toe te gaan. Laat staan als er iemand ziek was. Daar was geen medische verzorging en dat was alleen langs de spoorbaan.

Maar een groot deel van Indonesië vooral in de rurale gebieden was het zo. Daar was geen organisatie die naar hen omkeek. Men moest vechten om te overleven. Men moest stelen om te overleven. Men moest zich verkopen om te overleven. Men moest zich prostitueren om te overleven. Het was een chaotische wereld en toch hebben deze mensen zich langzaam maar zeker uit die chaotische toestand ontworsteld. Allemaal zijeffecten van het koloniaal systeem.

December 1948 was het jaar van de Tweede Politionele Aktie. Nederland dacht nog steeds door meer land te bezetten het vooroorlogse koloniale systeem te kunnen herstellen. IJdele gedachte helaas. De Amerikanen dachten er anders over.

In 1949 was de overdracht een feit. Op 24 december 1949 werd de Nederlandse vlag voorgoed vervangen door de rood- witte Indonesische vlag. Ik was thuis vanwege de kerstvakantie. Ik wist eigenlijk niet dat dit ging gebeuren, maar het deed mij niet zoveel. In feite was ik blij dat een land als Indonesië zijn onafhankelijkheid heeft gekregen en de onafhankelijkheidsoorlog tot een goed einde is gekomen.

Ik had er genoeg van te horen hoe iedere dag weer zoveel mensen zijn omgekomen aan welke zijde dan ook.

Onze afkomst en geschiedenis in het koloniale tijdperk heeft bepaald dat wij het strijdperk ook moesten verlaten om nog meer ellende te voorkomen.

Maart de 27ste 1951 scheepten wij ons voor de tweede maal in te Tandjoeng Priok; op het Ms. Castel Bianco, een Italiaans troepentransportschip met een Italiaanse bemanning.

./beeld/castel_bianco.jpg
Gezin Muller met het MS Castel Bianco naar Nederland

Met ons ging tante Tine als weduwe met al haar vier kinderen mee naar Nederland. In feite werd met de terugkeer naar Nederland een donkere era voor ons afgesloten en wij hoopten met een nieuwe in Holland te beginnen.

Veel spaghetti en ravioli gegeten en 's morgens heerlijke broodjes voor het ontbijt.

In Suez weer warme kleding meegekregen.

We kwamen aan te Rotterdam op 24 april 1951 en werden naar Amsterdam overgebracht. In het pension waren reeds andere repatrianten woonachtig o.a. de familie van den Adel en ook Polen. Afgezwaaide Poolse militairen die niet naar Polen wilden terugkeren. Ze kregen veel bezoek van hoertjes uit de warme buurt.

Ik begon ze vaak in het centrum tegen te komen op de Nieuwe Dijk waar ik 's zaterdags in een restaurant werkte. Ik wou ze ook ontmoeten, maar had geen geld om ze te betalen.

In het restaurant begon ik op de ijsafdeling, maar ik gaf veel te veel ijs weg aan arme kinderen en dat bracht niets op. Toen hebben ze mij overgeplaatst naar de keuken, waar ik eieren mocht bakken en borden moest afwassen. Ik heb mij vanaf die tijd voorgenomen nooit in de horeca beroepshalve te gaan werken.

Ik zat op de HBS op het Roelofhartplein, die ik voortijdig in de voorlaatste klas heb verlaten. Ik had de moed niet meer om niet te gaan werken en op die leeftijd altijd zonder centen te zitten.

Mijn eerste werk was op een cartonnagefabriek als typist/administrateur. Het bedrijf was gespecialiseerd in het vervaardigen van kartonnen dozen in allerlei vormen en maten.

Het merendeel van de werknemers waren zwak begaafden wel 60%, maar waar ik toch heel goed mee om kon gaan. Misschien zagen ze in mij een soortgenoot, maar dat heb ik nooit kunnen achterhalen.

De debielengroep had een uitgesproken hekel aan de eigenaar-zaakvoerder die naast mijn bureau zat met zijn cheffin die ook zijn maîtresse was en altijd zijn appeltjes schilde tijdens zijn lunchpauze.

Het eerste werk dat ik moest doen was brieven tikken op en extreem oude en zware typemachine. Vanaf de eerste dag dat ik daar zat merkte ik dat er om 12 uur 's middags en 's avonds een ongelooflijk ritueel voor mijn bureau afspeelde.

Alle werknemers moesten zich inklokken en vlak langs de bureaus lopen om in de fabriek te komen. Ook 's avonds als ze naar huis gingen en moesten uitklokken, liepen ze langs onze bureaus de andere kant op. Al die debielen die het bureau van de zaakvoerder passeerden, haast in koor, riepen: "Ouwe lul."

Ik wist niet wat ik hoorde. Zo’n 25 debielen die passeerden, jongens, meisjes, mannen en vrouwen, die elk op hun beurt ‘Ouwe Lul’ riepen. Eerst dacht ik dat ze dat tegen mij riepen, maar al gauw wist ik dat het niet zo was.

Om 12 uur tijdens de middagpauze gingen ze allemaal naar buiten om wat over de grachten te wandelen. Velen die dan naar de zaakvoerder telefoneerden om ’ouwe lul’ te schreeuwen. Dat deden ze soms gezamenlijk vanuit de telefooncel. Dan kwam de zaakvoerder mijn bureau ingerend, om te zeggen dat ik snel naar buiten moest gaan om te zien wie er in de telefooncel stonden.

Ik ging naar buiten maar heb natuurlijk nooit iemand van de groep in de telefooncel gezien. Ik wilde geen doelwit worden van deze mentaal zwakke groep.

Ik heb dan ook heel kort bij kartonnage Schwendeman gewerkt, maar typist en op kantoor werken was voor mij niet weggelegd.

Waarom ik zo snel bij Schwendemann weg ging was dat de baas mij mijn eerste loon niet wou uitbetalen omdat ik niet snel genoeg naar zijn zin werkte. Ik ben daarover gaan praten en ben 's middags zijn kantoor binnengestapt en hij vroeg mij wat ik bij hem te zoeken had.

Ik zei hem dat ik mijn loon wou hebben anders stop ik er onmiddellijk mee. Hij schreeuwde eruit!, eruit! en ik ben zijn kantoor kalm uitgelopen en naar mijn kantoor naast dat van hem mijn zware type machine gaan ophalen en ben zo naar zijn bureau terug gelopen en heb de zware machine op zijn tafel meer gegooid dan gelegd.

Ik wist niet dat het bovendek van zijn bureau zo dun was want de zware machine ging er meteen doorheen. Ik zei “sorry” en ben meteen mijn jacket gaan ophalen en heb het bureau verlaten.

Het verwonderde mij dat hij mij niet direct achterna liep, maar toen ik buiten stond kwam hij mij toch achterna. Hij vroeg mij of ik een kris bij me had en ik antwoordde hem dat ik voor zo’n kop als van hem een bijl nodig had.

Dat waren de laatste woorden die ik tegen Schwendemann gesproken had.

Via de vakbond had ik een maand later toch mijn loon uitbetaald gekregen.

Dat was Amsterdam in die tijd. Ik hield mij in die periode vrij gedeist, maar ik had allerlei plannen om Schwendemans tent in de fik te steken. Ik niets, hij ook niets, was mijn motto. Gelukkig dat er een vakbond bestond anders had het heel anders kunnen aflopen.

Mijn vader kon direkt bij Werkspoor beginnen en moest direkt allerlei kursussen volgen om ingedeeld te worden in de metaalcontrôle waar een groot tekort was aan geschoold personeel. Hij heeft daar dan ook tot zijn pensioengerechtigde leeftijd gewerkt. Ik denk dat hij achteraf daar met genoegen heeft gewerkt.

Ik wou de techniek in en waar zou ik het best kunnen beginnen. Ik las in de krant dat Groenpol een electrotechnisch bedrijf aan de overkant van het IJ mensen zocht om aan de eerste supertanker te werken. Ik heb me daar aangemeld en kon meteen beginnen.

De volgende dag moest ik mij bij een voorman van Groenpol melden en die vroeg mij wat ik alzo gedaan had op het gebied van electriciteit. Mijn antwoord was dat ik geheel geen ervaring had op dat gebied. Hij zei dat ik mij bij een voorman moest melden en kabels moest gaan trekken.

Ik dacht kabels trekken dat zal wel lukken, dat heb ik thuis ook al vaak gedaan, maar onder in de tanker vond ik de voorman met zijn ploeg en werd tussen die mannen ingedeeld.

De kabels die manueel getrokken moesten worden hadden een diameter als mijn arm. De mannen bestonden uit en selekt gezelschap mensen. Ex-moordenaars, ex-SSers die in Rusland gevochten hadden, ex-dieven net uit de gevangenis.

Het was heel zwaar werk om die kabels door het schip te trekken. Toen ik naar huis fietste dacht ik dat ik geen rug meer had. Het eigenaardige was dat ik mij helemaal niet vreemd voelde in dat selekte gezelschap. Om eerlijk te zeggen daar hing een kameraadschap die ik later op die andere afdelingen nooit meer gevoeld had.

Het gebeurde wel eens dat ik mijn boterhammen thuis heb laten liggen en om 12 uur niets te eten had. Dan vroegen ze mij waarom ik niet at en toen ik hun vertelde dat ik mijn boterhammen thuis had laten liggen riep de voorman meteen, ja Jan boterhammetje voor Fried, Klaas boterhammetje voor Fried en ik had op een gegeven moment meer brood voor me liggen dan wat ik normaal van huis meenam.

Die kameraadschap, je niet in de steek laten in de groep heb ik alleen daar tussen dat selekt gezelschap mogen beleven.

In de tussentijd volgde ik avondschool. Eerst voor electriciën, maar daar had ik heel snel examen voor afgelegd en daarna ben ik naar de avond-MTS gegaan.

Die kabeltrekkerij was van korte duur, want ik was daar echt niet voor gebouwd om aan die zware kabels te trekken. Toen Groenpol wist dat ik mijn elektriciëns diploma bezat mocht ik naar de instrumentatie-afdeling om daar instrumenten samen te bouwen en uit te testen. Het waren instrumenten van Sauter and Elioth. Nadat die inelkaar geknutseld waren moest ik ze ook uittesten. Het was heel nauwkeurig werk en ik deed dat graag.

Na deze periode mocht ik motor-control regelkasten bouwen. Zo liep ik het hele systeem door. Later mocht ik schakelsystemen op het schip aanleggen en electromotoren aansluiten. Electrotechniek had voor mij niet veel geheimen meer over.

Het grote probleem op de schepen is dat alles wat los of vast zit gestolen werd. Daar liep een lange blonde stevige lasser rond en ik kwam met hem in gesprek en hij vroeg mij waar ik vandaan kwam en ik vertelde hem dat ik uit Indonesië kwam. Hij had daar ook een 2 jaar als militair van de 7 Dec. Divisie gezeten en had daar een goeie tijd doorgebracht.

Hij zat op hetzelfde gedeelte van het schip als waar ik ook zat. Hij bracht mij iedere dag een appel, zomaar, wat een pracht gebaar. Hij vroeg mij of ik het hier wel kon uithouden en als ik problemen had hem direct te roepen. Het toeval wilde dat ik op een dag alle schakelaars in de hutten moest monteren, dus ik begon bij hut nr. 1 en ging dan zo rond tot de laatste hut.

Het duurde minstens een half uur om zo’n schakelaar te monteren en er de bedrading op aan te sluiten. Tegen 4 uur was ik de laatse schakelaar aan het monteren toen de voorman kwam om mij te vragen wat ik de hele dag eigenlijk gedaan had.

Wel ik heb alle schakelaars gemonteerd en aangesloten. Jij hebt geen reet uitgevoerd begon hij tegen mij te foeteren en ik schreeuwde ook terug. Toen schreeuwde ik naar hem toe om alle hutten maar eens langs te lopen en ik liep met hem mee.

Tot mijn grote schrik zag ik in elke hut geen schakelaar meer hangen. Wat ze gedaan hebben is als ik in een hut bezig was, zij de schakelaar van de vorige hut demonteerden.

Zo hebben ze op een avond alle meubels van de kapitein gepikt. Op de kade lag een mooie koperen schroef van 1,5 ton. Die werd in het week-end ook even verdonkeremaand.

Maar terug naar mijn schakelaars. Toen er zo geschreeuwd werd verscheen plotseling mijn grote vriend en ik vertelde hem wat er was gebeurd. Hij ging meteen op de voorman af en sleurde hem naar de railing en schreeuwde hard in zijn oor dat hij mij met rust moet laten ander zou hij hem zo over de railing in he IJ gooien.

Ik bedankte hem en vertelde hem dat dit echt was gebeurd. Geen probleem zei die als er van die etters rondlopen meteen van boord trappen. Heerlijk om zo’n beschermengel tussen al dat gajes te hebben.

Daar liepen veel werklieden rond die het niet zo’n goed idee vonden dat er zo’n bruine tussen hen in liep. Meesten van hen waren aangesloten bij de socialistische vakbond en ze dachten dat zij alleen het voor het zeggen hadden.

De eerste winter op dat schip was bar en boos. Het IJ was dichtgevroren en de temperatuur zakte tot – 15°C. Op het dek stonden enkele vuurpotten waar je je wat aan warmen kon maar gek genoeg het deed mij niet zoveel. Ik had een lange onderbroek en dubbele wollen sokken aan een dikke trui en een zware wollen jas en een wollen muts. Verder droeg ik van die hoge militaire laarzen.

Het enige nadeel aan die laarzen was dat die een stalen hoef in de hak hadden en als je voor een contrôle-paneel stil stond om de draden te rangschikken ergens onder je via een verluchtingsgat een lasser jou hoef op het dek vastlaste zonder dat te voelen. Dan sta je echt vast gelast aan het dek.

Door dit samenspel van praktische ervaring en avondschool verliep de avondschool heel makkelijk en heb de laatste klas van de MTS normaal als dagschool doorlopen.

Ik was een deel van mijn minderwaardigheidskomplex kwijt, dat mij altijd als een blok aan het been heeft gehangen, dacht ik althans. Dat komplex en oorlogstrauma was ik kwijt. Later op oudere leeftijd bleken die nog te bestaan. Ik heb ze via allerlei therapieën en behandelingen voor een groot deel kunnen wegwerken.

Mijn ideaal was altijd om nog eens te gaan vliegen. Nog iets wat in de oorlog is gegroeid toen de Japanse bommenwerpers iedere morgen laag over ons huis vlogen. Bij de KLM gesolliciteerd om te gaan vliegen als boordwerktuigkundige.

Helaas werd ik afgewezen omdat ik geen mechanische opleiding had gehad. Ik naar de luchtvaartschool voor werktuigkundigen. Die opleiding mocht ik in 2 jaar doen, wat ik ook gedaan had. Me weer bij de KLM aangemeld en aangenomen om de cursus te volgen voor boordwerktuigkundige. Na 5 maanden intense cursus geslaagd met zeer hoge cijfers, maar van vliegen als boordwerktuigkundige kwam niets te recht.

Alle in die periode opgeleide boordwerktuigkundigen werden aan de grond gezet wegens het terugkomen van honderden piloten en werktuigkundigen uit Indonesië die voor de Garuda vlogen. Oorzaak was: de oorlog om Nieuw-Guinea brak los en Indonesië verbrak het kontrakt met de KLM.

Wel dit was het begin van mijn carrière in Nederland. Het verdere verloop heb ik ook te boek gesteld.

Vervolg boeken:

Void

  1. Fried Muller geboren 01-09-1933 te Poerwakarta. Als zoon van Lodewijk Müller en Paula van Dietz.
  2. Verhuisd naar Tjibatoe 1936. Begonnen op de Chinese kleuterschool te Garoet.
  3. Verhuisd naar Batavia 1939. Gewoond in de Chinese wijk.Jl. Pasar.Meester Cornelis.
  4. Verhuisd naar Yogyakarta 1940. Op school met de Bijbel. Woonden in Bumidjo in woning van de Staats-Spoorwegen. 1942 Huis moeten verlaten omdat mijn vader door de Kempeitai is gearresteerd.
  5. 1943 Moeder door Indonesische politie gearresteerd. Kinderen alleen zonder ouders. Laurens 2,5 jaar oud. Met roken stil gehouden. Rookt nog steeds.
  6. Augustus 1945. Beide ouders terug. Start van de Bersiap periode. October 1945 naar Sewoe Galoer kamp. Vader naar kamp Pundung.
  7. November 1946. Geëvacueerd van Sewoe Galoer via Yogya naar Batavia.
  8. Juni 1947. Naar Holland met de Sibajak.
  9. Juni 1949? Terug naar Indonesië. Ingeschreven op de CAS op Waterlooplein.
  10. April 1951. Terug naar Holland. Op de Castel Bianco.
  11. 1953. Begonnen bij Groenpol op 1e supertanker van Nederland.
  12. 1956 Dipl. Electrotechniek MTS A’dam.Instrumentatie afd. Groenpol.
  13. Naar de Luchtvaartschool. Beëindigd 1958. Gehuwd met Truus v/d Waal.
  14. Gestart BWK opleiding bij de KLM–Schiphol. KLM-woning Badhoevedorp.
  15. 1959 Na behalen BWK diploma door diplomatieke reden met Indonesië vliegcarrière gestopt.
  16. 1959 KLM verlaten en in dienst bij van Houten Chocolade fabr. te Weesp als chef techn. Dienst. Naar Weesp verhuisd.
  17. 1964 van Houten verlaten voor DSM-Stamicarbon. Opleiding Chemische technologie. Specialisatie Ureum-fabrieken. Aldo geboren.
  18. 1965 Eerste uitzending naar Roemenië als constructie- en opstart-specialist Ureum fabrieken. Later uitzendingen naar Yugo-Slavië, Thailand, Duitsland en weer naar Roemenië.
  19. 1967 Echtscheiding van Truus v/d Waal.
  20. 1970 Overstap naar Coppee-Rust Brussel.Eerste assignment naar Israël als site-manager. Haïfa bij Chemicali Fosfatim tot midden 1972.
  21. 1973-1974 Boorplatform voor Ekofisk field, Fillips Petroleum, Dumbarton, Scotland.
  22. 1974-1976 Venezuela, Maracaibo. Site op el-Tablazo. Eerste Polyethylene plant.
  23. Getrouwd met Dorith Baratz. 1974 Allan en Nathalie geboren.
  24. 1977-1979 Portugal. Sines. Polyethylene plant. Verhuisd naar Tremelo Damiaandorp.
  25. 1980-1987 Bontang- Kalimantan. Site manager in consortium met Lummus-Houston en Lurgi-Frankfurt.
  26. 1988 Ontslag bij Coppee- Rust en met eigen Mulcon bvba als consulent begonnen. Geen uitzendingen meer naar buitenland.
  27. 1989-2009 Als consulent voor vele bedrijven in België projecten uitgevoerd.
  28. 2010 Mulcon bvba opgeheven. Begonnen met boeken te schrijven.