Aan Annisa Astuti en aan Tumiyem

Jan F. Coers

De navigatie binnen deze webpagina (dit Ebook) gaat vanuit het venster INHOUD, dat een overzicht geeft van de links naar de respectievelijke hoofdstukken.

Alle titels van de hoofdstukken op hun beurt vormen links naar het navigatie-venster INHOUD.

INHOUD

BOEKTITEL

COPYRIGHT

INFO

Voorwoord

I Prille Jeugd Geboorte, kleuterschool,

II Lagere School

III De Oorlog

IV Eerste Werkervaring

V Voedselschaarste

VI Bathmen

VII Bevrijding

VIII Het Boerenleven

IX Bevrijd Amsterdam

X Oorlogsvrijwilliger

XI Aldenshot en Southampton

XII Bootreis en Aankomst in Indië

XIII Eerste Politionele Aktie

XIV Tweede Politionele Aktie

XV Terug in Nederland

XVI Technische Carrière

XVII Gepensioneerd

Naschrift

Dit verhaal wordt nu geschreven omdat ik niet weet of ik later nog in staat zal zijn het persoonlijk aan jou, mijn lieve dochter, te vertellen. Op het moment namelijk dat ik hiermee begin ben jij veertien dagen oud en ik 71 jaar en een beetje.

Gegeven de gemiddelde levensverwachting van mannen in Nederland is het niet onaannemelijk dat, op het moment dat jij vragen over je vader gaat stellen, ikzelf er niet meer zal zijn om die vragen te beantwoorden.

Je moeder kwam pas in mijn leven toen ik al 69 jaar was. Zij weet wel wat van mijn verleden, maar lang niet alles. Daarom wordt dit verhaal ook voor Tumiyem geschreven en misschien blijkt wel dat ook andere kinderen en ouders hieraan plezier beleven.

Het is het verhaal van een doodgewone man, die tussen twee wereldoorlogen werd geboren. In een tijd toen auto's nog heel erg schaars waren, het luchtverkeer nog in de pioniersfase verkeerde, de computer nog uitgevonden moest worden.

In een wereld waarin veel te beleven viel. Een wereld, die er heel anders uitzag dan de wereld van vandaag. Maar waarin geboren worden en sterven, net als heden ten dage, het begin- en eindpunt vormden van wat men leven noemt.

Op 4 Juni 1926, 's avonds om kwart over negen werd ik geboren. In Amsterdam, mijn ouders woonden aan de Lijnbaansgracht. Er is nog een foto van het raam waarachter ik geboren ben.

Van mijn eerste zes levensjaren herinner ik mij niet zo heel veel. Dat de Westertoren van onder tot boven voorzien was van lampjes en dat veel bruggen in het centrum van Amsterdam eveneens verlicht waren. Ik denk dat ik toen een jaar of drie zal zijn geweest.

Ook dat ik een keer nodig moest poepen. Mijn moeder stond met een buurvrouw te praten en ik zal wel niet duidelijk genoeg te kennen hebben gegeven dat de nood heel hoog was. Toen we thuis kwamen was het al te laat.

Ook herinner ik me dat er een crèche was, op de hoek van de Nassaukade en de 2-de Hugo de Grootstraat. Daar moest ik 's middags slapen.

Toen ik vier was gingen we verhuizen. Mijn ouders deden dat vaak maar deze keer was heel bijzonder.

Op de dag dat we in het nieuwe huis kwamen viel ik in de kelder en brak mijn linkerbeen. Mijn vader heeft mij toen uit de kelder naar boven gedragen en een plank onder mijn voeten bevestigd.

Daarna ging ik naar het ziekenhuis. Ik heb toen 7 weken in het ziekenhuis gelegen, met een touw en een gewicht aan mijn been. Ik moest met mijn linkerbeen omhoog liggen, er was een stelling gemaakt met een wieltje. Aan de ene kant hing mijn been en aan de andere kant dat gewicht.

Toen ik naar huis mocht waren we alweer verhuisd. Uit de Bestevaerstraat nr. 100 naar Jan Evertsenstraat 94, boven de bakker.

We hadden een hond die Jenny heette. Een zwart/wit gevlekte cocker spaniel, die gek was op zwemmen.

Die Jan Evertsenstraat was een drukke straat, waar twee trams doorheen reden, lijn 7 en lijn 13 en de tramhalte was bij ons op de hoek.

Op zaterdagavond was het altijd druk in de straat en ik herinner me dat er een krantenverkoper was, die 's avonds zijn kranten probeerde te verkopen. Ik lag dan al in bed en hoorde hem dan schreeuwen: "Koop en lees De Tribune". Ik heb die krant nooit in handen gehad, kon toen ook nog niet lezen, maar ik weet nu nog precies hoe die man dat riep.

Ik was ook bang voor onweer. Een keer was ik gaan wandelen naar het Mercatorplein en toen ik daar was begon het te onweren en te regenen.

Nu waren er op dat Mercatorplein en ook in de Jan Evertsenstraat luifels, waardoor de mensen droog langs de winkels konden lopen.

De regen was dus niet zo erg maar die bliksem en die donder werden door die luifel niet tegengehouden.

Ik ben toen bij stukjes en beetjes naar huis gerend. Elke keer opnieuw moed verzamelend voor weer een stukje rennen.

Ik ben ook nog een blauwe maandag op kleuterschool geweest bij de nonnetjes in de Kortenaerstraat. Dat was vrij ver van ons huis.

Ik was al heel jong een soort ontdekkingsreiziger. Ik was al een aantal keren zoek geweest.

Een keer toen we op vakantie waren in Laren, waar mijn ouders een vakantiehuis hadden gehuurd. Meteen na aankomst was ik vertrokken en werd een paar uur later terug gevonden bij de zigeuners. Zelf kan ik me dat niet meer herinneren.

Een keer heb ik mijn been bezeerd, achterop de fiets van mijn vader naar de kleuterschool.

Die kleuterschool was dus geen succes en toen er dan ook een nieuwe noodkleuterschool werd geopend, die dichter bij huis lag, mocht ik daar naar toe.

Die school lag aan de Jan van Galenstraat, aan het eind van de Vespuccistraat en bestaat al lang niet meer.

Wat nog wel bestaat is de brug in de Jan van Galenstraat over de Admiralengracht. Die brug werd in die tijd gebouwd.

Over de brug begon het zandland, een soort paradijs waar je kon spelen en kijken naar treintjes die rondreden en waarvan de wagens met zand geladen waren, gebruikt om de grond op te hogen. Want in de toekomst zouden daar huizen gebouwd worden.

Met een paar vriendjes ben ik op een middag over die brug in wording gelopen en ben op dat zandland gaan zwerven. Ik vond het prachtig, maar op zeker moment was ik mijn vriendjes kwijt en ik wist ook de weg naar huis niet meer. Ik wist ook niet hoe de straat heette waar ik woonde, alleen dat het boven de bakker was. En dat het bij de "Verspuugstraat" was. Zo had mijn vader de naam van de Vespuccistraat verbasterd.

Uiteindelijk kwam ik op het politiebureau terecht en daar hebben ze met deze gebrekkige informatie mijn ouders opgespoord en een poosje later kwam mijn vader mij van het politieburau ophalen.

Veel zin om naar huis te gaan had ik niet want ik was met de dienstdoende agenten aan het voetballen. Als troost kreeg ik de bal mee naar huis.

Het is vandaag 20 november 1997 en nu ik hier zit te schrijven komen allerlei herinneringen naar boven.

Toen ik nog op die noodkleuterschool zat heb ik een keer een pak voor mijn broek gekregen van een meneer op een fiets.

Dat ging zo. Ik kwam uit school en had nog geen zin om naar huis te gaan. Op straat had ik een klein stukje tak van een boom gevonden. Met dat stukje tak liep ik naar de overkant van de straat en probeerde daar dat houtje door het achterwiel van een passerende fiets te gooien.

Dat ging een paar keer goed en ik vond het een geweldig leuk spelletje. Maar bij een volgende keer bleef het houtje in het achterwiel van de fiets steken en die fiets stond ineens stil.

De man op die fiets viel maar hij bleef op de been. Hij liet zijn fiets op straat liggen, was in twee stappen bij me, greep me beet en legde me over zijn knie. Ik kan de klappen op mijn billen nu nog voelen.

Hij heeft daarbij ook nog verteld dat wat ik gedaan had heel erg stout en ook erg gevaarlijk was. Zijn fiets was gelukkig niet kapot en na de bestraffing reed hij verder en ging ik naar huis.

Ik durfde thuis niet te vertellen wat ik gedaan had. Later, toen ik al groot was heb ik wel eens gedacht hoe gevaarlijk het was wat ik toen deed en was die man dankbaar voor dat pak slaag. Ik had er van geleerd en heb zulke dingen nooit meer gedaan.

Ook heb ik geleerd om na te denken over wat ik ging doen en daar heb ik in mijn hele verdere leven erg veel plezier van gehad.

DENK ALEER GE DOENDE ZIJT, EN DOENDE DENK DAN NOG!!

Verderop in mijn leven, toen ik een jaar of vijftien was werd ik daar nog eens aan herinnerd. Ik kom hier later nog op terug.

Mijn vader was banketbakker, maar hij moest ook vaak bestellingen weg brengen naar de klanten. Hij reed op een zwarte bakfiets en daar stond "Maison Dreihus" op geschilderd.

Tussen de middag kwam hij altijd thuis om te eten en dan ging hij na het eten in de grote stoel zitten om een dutje te doen.

Hij droeg altijd hoge zwarte schoenen en leren beenkappen, die om zijn onderbenen waren vastgegespt.

Mijn vader is op 5 December 1981 in Amsterdam overleden. Hij was toen 86 jaar.

Later vertel ik nog wel meer over hem en ook over mijn moeder en van mijn zuster, waar ik als kind heel vaak ruzie mee had.

In 1932 werd ik zes jaar en moest ik naar de grote school. Zo heette dat toen. Tegenwoordig heet zoiets basisschool. Het werd de Mercator-school, waar ik terecht kwam.

De onderwijzeres heette juffrouw Brusse, ze was al erg oud, ik heb geen idee hoe oud precies, maar er is nog een schoolfoto.

De juffrouw van de tweede klas en ook van de derde heette juffrouw Mensing.

In de vierde kreeg ik eindelijk een meester, mijnheer Fauwels, J.P. Fauwels. Hij woonde op de Hoofdweg 44. Bij hem ben ik gebleven tot en met de zesde klas.

In de zomer van 1938 was ik klaar met de lagere school en kreeg ik loffelijk ontslag. Zo werd dat genoemd; ik wist helemaal niet wat dat betekende. Loffelijk ontslag. Ik had wel goede cijfers op mijn rapport.

Ik was net 12 jaar geworden en je mocht in die tijd pas met je veertiende naar een baas.

Er is wel eens over gesproken om mij door te laten leren, ook door meneer Fauwels, maar ik denk dat mijn moeder dat heeft tegengehouden. Er was geen geld voor.

In 1929 was een grote, wereldwijde crisis gekomen, de werkloosheid was groot. Mijn vader had nog wel werk maar mijn moeder moest met erg weinig geld rond zien te komen.

Zij dacht dat als ik eenmaal 14 jaar zou zijn geworden, ik een bijdrage zou kunnen leveren aan de kosten van het huishouden.

Voor zulke kinderen hadden ze toen het zevende en achtste leerjaar uitgevonden. En daar moest ik dus naartoe. En daarna naar een baas, maar dat komt in een volgend hoofstuk.

Die Mercatorschool stond in de Jan Mayenstraat. Er waren vier school-gebouwen naast elkaar. Eerst kreeg je de Vespuccischool, dan de Mercator, vervolgens de Jan Mayen en hoe de vierde school heette weet ik niet meer. Ook niet waarom ik op de Mercatorschool terecht kwam en niet op de Vespucci, die dichterbij was.

De Jan Mayenstraat liep parallel aan de Jan Evertsenstraat tussen de Vespuccistraat en de Mercatorstraat. De schooltijden waren van 9 tot 12 uur en van 2 tot 4 uur 's middags. Woensdag- en zaterdagmiddag hadden we vrij van school. En natuurlijk zondag.

Het leukste vond ik het speelkwartier, dat was om half elf 's morgens en lichamelijke oefening, dat was twee keer per week.

In het speelkwartier deden we vaak diefie met verlos, een spelletje van aanvallen en verdedigen. Er werden eerst twee partijen gekozen. Twee jongens uit de groep deden om beurten een keus uit die groep totdat de partijen gevormd waren.

Natuurlijk werden de beste en de sterkste jongens het eerst gekozen. Daar hoorde ik niet bij, want ik was maar klein en niet erg sterk, maar ik kon wel hard lopen. En ik was ook wel een beetje slim.

Het spel ging ongeveer als volgt: Een lantaarnpaal was de burcht, die verdedigd moest worden tegen de aanvallers.

Die lantaarnpaal was dus het domein van de verdedigers en stond aan de overkant van de school een klein stukje in de James Cookstraat, een klein straatje tussen de Jan Mayenstraat en de Shackletonstraat.

Het trottoir voor de school was het domein van de aanvallers, daar waren ze veilig en konden niet gepakt worden door de verdedigers. De aanvallers moesten proberen het domein van de verdedigers te veroveren. Dat gebeurde als één van de aanvallers zonder door een verdediger te zijn aangeraakt de paal wist te bereiken en met twee handen vast te houden.

Nu waren er bij de verdedigende partij twee paalwachters aangesteld, die er voor moesten zorgen dat zoiets niet gebeurde. Als een aanvaller gevangen was werd hij naar de paal gebracht en moest de paal blijven vasthouden. En als alle aanvallers gevangen waren had de verdedigende partij gewonnen en werd opnieuw begonnen, waarbij deze keer de aanvallers verdedigers werden en de verdedigers aanvallers.

Maar zolang er nog vrije aanvallers waren ging het spel door en als een aanvaller kans zag om door de verdediging heen te glippen en één van zijn gevangen makkers aan te tikken waren alle gevangenen bevrijd en ging het spel gewoon verder.

In dat bevrijden van gevangenen was ik een meester. Aan het begin van het spel bleef ik rustig in ons domein, terwijl mijn meer dappere kompanen de strijd aangingen. Op het moment dat er een aantal aan de paal stonden kwam ik in actie.

Ik overzag het strijdtoneel en bekeek hoe ik met een snelle actie de gevangenen kon bevrijden. Heel vaak lukte dit omdat de verdedigers zich concentreerden op de nog loslopende aanvallers en de gevangenen mochten niet uit zichzelf vluchten maar wel de paalwachters hinderen.

Het is mij vaak gelukt op deze wijze gevangenen te bevrijden en later werd ik ook altijd als een van de eersten in het team gekozen.

Helaas worden deze spelletjes vandaag de dag niet meer gespeeld; de straat is voor de auto's en de bromfietsen en voor kinderen blijft weinig ruimte om te spelen over.

Ik vertelde al dat ik niet groot was en niet sterk. Dus zocht ik een vriendje die wel groot en sterk was, hij heette Bertus Praag en zijn vader en mijn vader bleken elkaar te kennen.

Zijn vader werkte in een verfhandel, dat is alles wat ik er van weet.

Erg lang heeft die vriendschap ook niet geduurd, want toen ik een keer ruzie had met een jongen die groter en sterker was dan ik, kwam hij me niet te hulp en werd ik door die grote rotzak afgetuigd en kwam jankend en met een blauw oog thuis.

Woensdagmiddag ging ik vaak spelen in de Jan Mayenstraat, voor de school.

Bij mij in de klas zat een jongetje, die Driesje Ree heette. Die kon een tennisbal tot boven het dak van de school schoppen. Dat vond ik een geweldige prestatie. Ik mocht van mijn moeder niet op straat voetballen want dan gingen mijn schoenen kapot.

Er waren kinderen die klompen droegen, maar mijn zus en ik hebben altijd schoenen gehad.

Ook gingen sommige kinderen tussen de middag naar de eetzaal, daar kregen ze gratis eten. Maar dan moest je echt arm zijn en dat waren wij niet.

Wel moest mijn moeder ieder dubbeltje twee keer omdraaien voordat ze het één keer uitgaf. En ik moest de kousen van mijn zuster, die haar te klein geworden waren, dragen maar ik wilde geen meidenkousen.

Eén keer heb ik ze op straat uitgetrokken en in de Admiralengracht gegooid. Daar heb ik voor zover ik me herinneren kan geen straf voor gekregen. Ik denk dat mijn vader daar voor gezorgd heeft en dat hij mijn protest tegen het dragen van meidenkousen gerechtvaardigd vond. Ik hoefde in het vervolg die dingen ook niet meer aan.

Op school ging het intussen goed. Ik was een goede leerling en ging aan het eind van het eerste leerjaar met glans over naar de tweede klas en het jaar daarop naar de derde, ik begon al een hele geleerde piet te worden.

Ik vertelde al dat er in 1929 een wereldwijde crisis was ontstaan. In 1933, toen ik in de tweede klas zat, kwam er in Duitsland ene Adolf Hitler aan de macht. Hij werd gekozen tot Rijkskanselier.

Ik wist toen op geen stukken na wat dat betekende, maar ik denk dat vanaf die tijd "Koop en lees De Tribune" in mijn geheugen terechtgekomen is. En ook "Volk en Vaderland".

De Tribune was, leerde ik later, een krantje van de communisten en Volk en Vaderland was van de fascisten.

De communisten waren verenigd in de C P N, de Communistische Partij van Nederland en werd geleid door een man die Henk Sneevliet heette. Ik geloof dat hij later door de Duitsers gefusilleerd is.

De partij van de fascisten was de N S B. Er waren natuurlijk nog meer politieke partijen, de S D A P, de R K S, de C H U, dat waren dacht ik de voornaamste.

De leider van de N S B heette Anton Mussert en de leider van de afdeling Amsterdam heette Vlekke.

Ik vroeg een keer aan mijn vader wat N S B Vlekke betekende, ik had op de brug over de Admiralengracht verkiezingsborden gezien, onder andere van de N S B met de naam Vlekke erop. Zonder een ogenblik te aarzelen antwoordde mijn vader: "Natte Scheten Blijven Vlekke". Ik had een heel bijzondere vader.

Rond de school gebeurden ook spannende dingen. Zo was er een huurstaking in de James Cookstraat en de Torresstraat en overal hingen plakkaten voor de ramen en regelmatig hadden mensen ruzie met elkaar en met de overheid. Overal in Amsterdam was het onrustig.

Als mijn vader thuis kwam van zijn werk wist hij vaak spannende verhalen te vertellen. Eén keer vertelde hij dat in de Jordaan een man op straat door een verdwaalde kogel was geraakt. Ik begreep er helemaal niets van. Hoe kan een kogel nou verdwalen. Ik vroeg dat dan de volgende dag aan mijn moeder en die legde mij dan uit wat daarmee bedoeld werd.

Een zuster van mijn moeder, tante Net, was in Engeland gaan wonen. Zij werkte als dienstbode bij een familie, die naar Engeland vertrok en zij ging mee. Wat later ging zij trouwen met een Engelsman. Dat was me even interessant. Ik had een echte Engelse oom.

Ik zal een jaar of negen zijn geweest, of tien en ik vroeg aan mijn moeder of ik geen Engels kon leren praten. Ik kreeg toen van haar een boekje, ik weet niet meer hoe het heette, maar het eerste lesje ging over een jongetje dat voor zijn moeder suiker moest halen bij de kruidenier. Het jongetje zag dat er te weinig suiker afgewogen werd en zei dat tegen de winkelier."Dan hoef je niet zoveel te dragen", zei de winkelier. "Hoeveel kost het?", vroeg de jongen. "Vijftig cent",antwoordde de winkelier. De jongen legde 45 cent op de toonbank neer. "Dat is te weinig", zei de man."Dan hoeft U niet zo veel op te rapen!", antwoordde de jongen. Jammer dat ik dat boekje niet meer heb.

In de grote vakantie mocht ik gaan logeren bij een tante in België. Dat had ik nog niet verteld, maar een andere zus van mijn moeder, tante Frida, was naar België gegaan en was daar getrouwd met een meneer die Emiel Beuckelaers heette.

De oudste twee kinderen heetten Juliën en Henry. Juliën was een jaar jonger dan ik en Henry 2½ jaar. Ik weet niet meer precies in welke jaren ik in België mocht logeren, het ging een beetje om de beurt. Het ene jaar mocht ik naar België en het volgende jaar kwamen Juliën en Henry naar Nederland. Dat was geweldig leuk en mijn schoolmakkers waren wat jaloers op mij dat ik met vakantie naar een ander land ging.

Ik trok altijd met Juliën op en minder met Henry, maar die was ook een heel stuk jonger. We, Juliën en ik gingen naar "De Verlofkring", dat ging van de kerk uit. Wij waren katholiek en gingen altijd 's Zondags naar de kerk. Bij die verlofkring kwamen kinderen uit de parochie bijeen en dan gingen we met de hele groep naar het bos of naar het park van Hoboken of naar een sportterrein waar we dan gingen voetballen.

Ook ging ik soms alleen met Juliën en Henri naar de Schelde. Je had daar een plek en die werd "De Zandplaat" genoemd. Daar kon je heerlijk spelen. We bouwden daar hoge kastelen van zand en maakten daarin een baan van boven naar onder en lieten dan glazen knikkers naar beneden rollen.

Tante Frida en Oom Miel hadden 6 kinderen, 2 jongens en 4 meisjes. Later kwam daar nog een jongetje bij: Guido. Maar dat was lang nadat ik daar in de vakantie logeerde.

Zo ging mijn schooltijd voorbij en ik bewaar er fijne herinneringen aan. Wel heb ik mijn schoolrapporten nog. Die heeft mijn moeder altijd zuinig bewaard. Ze was er, denk ik, toch wel trots op dat ik goed kon leren.

Ik kon ook altijd met mijn vragen bij mijn moeder terecht en heb veel van haar geleerd. En ook van mijnheer Fauwels. Hij gaf alle vakken, dat was vroeger zo op de lagere school.

Bij zangles speelde hij op z'n viool. En op zaterdagmiddag deed hij iets voor de rijpere jeugd voor de KRO-radio. Een programma over knutselen, voornamelijk met hout.

Ook was hij gediplomeerd goudsmit, een heel knappe man dus. Maar toen de zesde klas voltooid was moest ik van school af. Voor het zover was had ik nog wel deel uitgemaakt van het schoolelftal en meegedaan met het schoolvoetbal-toernooi, dat ieder voorjaar gehouden werd.

We werden trouwens in de eerste ronde al uitgeschakeld; we hadden gelijkgespeeld en verloren na loting. Er was aan de Mercatorschool geen 7-e leerjaar verbonden.

Ik ging naar het V G L O, het voortgezet gewoon lager onderwijs, school Nr. XIX, gelegen aan de Pieter v.d. Doesstraat, hoek Joost de Moorstraat.

Daar kwam ik bij mijnheer P, Hezemans terecht, een wat kleurloze man, waar ik me weinig van herinneren kan.

Op deze school kreeg ik Engelse les, maar ik had me intussen al aardig wat Engels eigen gemaakt en je moest er dinsdagmiddag een uur langer voor op school blijven, iets wat ik toch minder leuk vond.

In die periode heb ik wel eens gespijbeld. Ik nam dan de hele middag vrij en ging met een paar vriendjes de stad in, wandelen en kattekwaad uithalen.

Maar ook heel lelijke dingen. Zoals bijvoorbeeld een aardappel naar binnen gooien bij een kruidenier, die in zijn winkel een mooie toren had gebouwd van pakjes thee of van pakjes maizena. Die aardappel hadden we dan eerst gegapt bij een groenteman.

We probeerden dan met die aardappel de toren ondersteboven te gooien en als dat lukte hadden we reuze pret, maar moesten wel maken dat we wegkwamen. Want als zo'n man je te pakken kreeg kon je zeker zijn van een flink pak slaag.

Ook gapten we wel appels en peren, die bij veel groentewinkels buiten uitgestald lagen. En we schoten met papieren propjes naar voorbijgangers.

Eén keer heb ik veel geluk gehad. Ik had m'n broekzak vol met papieren propjes om mee te schieten en we stonden stil bij een groenten en fruitwinkel aan de Raadhuisstraat op de hoek van één van de grachten.

We dat waren Willem Deden en ik en nog een jongen, wiens naam ik niet meer weet. We waren nog aan het overleggen wat we zouden gappen en wie het zou doen toen een mevrouw de winkel uitstoof, mij beetpakte en in mijn broekzak, die uitpuilde van de propjes, begon te voelen.

Toen ze niets vond heeft ze me losgelaten zonder me verder iets te doen, maar de schrik zat er wel goed in.

We stookten elkaar ook op; zo van durf jij dit of dat? Willem vroeg een keer aan mij: Durf jij een ons bonbons te kopen en dan zonder betalen weg te rennen? Ja hoor, pochte ik, dat durf ik best.

Maar toen het puntje bij het paaltje kwam durfde ik toch niet zo heel erg. Maar dat wilde ik voor Willem niet bekennen en hij vroeg elke keer: Wanneer doe je het nou eindelijk.

Toen, op een zomermiddag heb ik het gedaan. Op de Rozengracht hoek 1-e Leliedwarsstraat bij Jamin.

Ik stapte de winkel binnen en bestelde een ons kersenbonbons. De juffrouw legde een wit puntzakje, gevuld met de bonbons neer en zei hoeveel het kostte. Ik greep het zakje en rende de winkel uit, de dwarsstraat in toen over een brug en toen nog verder, daarna weer een andere straat in en nog eens tot ik helemaal buiten adem was.

Van Willem Deden en die andere makker was niets meer te bespeuren. Ik heb alle kersenbonbons alleen opgegeten en ben ook alleen naar huis gegaan. Dat moet in de zomer van 1939 zijn geweest. Tot jaren later durfde ik niet langs die winkel te lopen, bang dat ze me zouden herkennen.

Toen ik een keer, samen met mijn vader en moeder, naar Hilversum ging liepen we van huis naar het Centraal Station. Toen we over de Rozengracht liepen, aan de kant van de Jamin-winkel, heb ik gevraagd of we aan de overkant konden gaan lopen; dan kon ik de Westertoren beter zien. Smoesje, ik was gewoon bang om langs die winkel te lopen.

In het 7-e leerjaar zat ik ook in het schoolvoetbalteam, derde ronde deze keer. Toen verloren we van de latere kampioen, maar wij werden kampioen van Amsterdam met Kasti, een soort honkbal, maar anders.

Ook mocht ik lid worden van een echte voetbalclub. De Germaan. Opgericht 15 maart 1913.

Dat kwam zo. Eén bank achter mij, op school, zat een jongen en die heette Johan Gevelaar. Zijn vader was secretaris van die voetbalclub en hij had thuis verteld dat ik zo goed kon voetballen. Toen is zijn vader op een avond bij ons thuis gekomen en heeft aan mijn ouders verteld wat voor een voetbalclub het was. Mijn ouders vonden die mijnheer Gevelaar wel een nette man, dus mocht ik lid worden.

Dit gebeurde allemaal toen ik op die school nr. XIX zat. Na dat leerjaar kwam er nog een leerjaar, weer op een andere school. School nr. VI, ten Katestraat nr. 8. Bij mijnheer Gelderblom, ook weer een heel aardige schoolmeester, die eerder hoofd van de Jan Mayenschool was geweest.

We waren intussen alweer een aantal keren verhuisd en we woonden nu in de Marco Polostraat nr. 278. Daar heb ik lang gewoond, maar daarover later.

Iedere dag liep ik van huis naar school en weer terug. Gek genoeg kan ik me niet herinneren of ik tussen de middag ook naar huis liep. Wel dat er bij mij een jongen in de klas zat die Jan Pijpen heette. Hij woonde in de Vespuccistraat, een beetje achteraan en we liepen vaak samen naar school en weer naar huis.
Echt vriendje van elkaar zijn we nooit geworden, ik weet niet waarom.

Die achtste klas was maar een klein klasje, een stuk of 10 leerlingen, allemaal wachtend tot ze geld konden gaan verdienen als ze 14 jaar waren geworden.

Ik denk dat ik in dat jaar toch veel geleerd heb. Geen rekenen, lezen of schrijven, maar vooral veel algemene geschiedenis en aardrijkskunde.

Mijnheer Gelderblom kon prachtig vertellen en met zo'n klein klasje was het best gezellig.

Eén keer heb ik straf gekregen in dat schooljaar. Ik weet niet meer waarvoor maar nog wel wat. Ik moest een Engels lesje leren en het daarna 20 x opschrijven. Nu, bijna 60 jaar later ken ik het nog steeds.

Het gaat zo:
The captain of a steamer was walking on deck. He wanted some of his sailors, but he could find them nowhere. At last he called down into the hold:
"Tom, where are you?"
I am here Sir.
What are you doing?
Nothing Sir.
Do you know where William is?
Yes Sir, he is also here.
William, are you there?
Yes Sir.
And what are you doing?
I am helping Tom Sir.

Ik had ook een vriendje gekregen, Max Boonstra. Hij was met zijn ouders en twee broertjes uit Den Haag in Amsterdam komen wonen, in de Vancouverstraat op nr 22. Hij ging naar de MULO, dat is Meer Uitgebreid Lager Onderwijs. Hij mocht ook lid worden van De Germaan en we speelden in hetzelfde elftal. Op straat speelden we ook vaak samen. Zij vader had 1½ jaar op Curaçao gewerkt voor de Bataafse Petroleum Maatschappij en omdat het oorlog zou worden was hij teruggekomen want in zo'n situatie wilde hij bij zijn vrouw en kinderen zijn.

Dan had ik nog een vriend, dat was Jan van Veen. Hij voetbalde ook in De Germaan, in hetzelfde elftal als Max en ik. Verderop zal ik wat meer over hem vertellen.

Nu eerst het begin van de oorlog. Die oorlog begon voor Nederland op 10 mei 1940, op de vrijdag voor Pinksteren. Ik denk dat we al Pinkstervakantie hadden maar dat weet ik niet zeker. Wat ik wel zeker weet is dat we op die ochtend in de Vancouverstraat stonden. Max, z'n jongere broer Dirk en ik.

We hoorden vliegtuigen en keken naar boven. Daar zagen we dat één vluigtuig achterna gezeten werd door twee andere vliegtuigen. Plotseling zagen we uit het eerste vluigtuig 4 zwarte dingen naar buiten vallen. Dat waren vier bommen. Eén ervan is neergekomen op de Blauwburgwal, hoek Herengracht en heeft daar een enorme ravage aangericht.
Dat was onze kennismaking met de oorlog.

Op dinsdag 14 mei werd Rotterdam door de Duitse Luftwaffe gebombardeerd, waarbij de binnenstad van Rotterdam in één grote puinhoop veranderde en duizenden mensen de dood vonden.

Nederland had, volgens de geschiedschrijvers al gecapituleerd, maar dat bericht was niet doorgekomen of pas doorgekomen toen de vliegtuigen al waren opgestegen.

In diezelfde week kwamen de Duitse troepen Amsterdam bezetten en ik weet nog hoe ik met Max en Dirk op de Nassaukade heb staan kijken hoe dat leger Amsterdam binnentrok.

Maar de school was nog niet afgelopen. Na de Pinkstervakantie moest er nog een beetje naar school worden gegaan.

Op 4 juni werd ik 14 jaar en heb ik op gebakjes getrakteerd. Dat was nog nooit vertoond, een kind wat jarig was en op school op gebakjes trakteerde. Maar ja, mijn vader was banketbakker en die had de gebakjes gemaakt.. Voor alle leerlingen van de klas en voor alle leerkrachten van de school.

Op mijn eindrapport had ik 7 negens, 6 achten en 1 zeven-en-een-half, ik weet niet of die gebakjes daar iets mee te maken hebben gehad.

Mijn schooltijd zat er op. Eerst met vakantie en dan naar een baas. Ik zou naar kantoor, had mijn moeder beslist en dan 's avonds verder leren.

In de vakantie mocht ik bij tante Fien en oom Wim logeren. Die woonden in Den Haag en hadden een sigarenwinkel. Tante Fien was een jeugdvriendin van mijn moeder en was een paar jaar voor de oorlog getrouwd met Wim van der Made. Ze hadden geen kinderen en hebben ze ook nooit gehad.

Mijn moeder heeft mij wel eens verteld dat zij voor mijn opvoeding wilden zorgen maar ik denk dat mijn vader daar niet aan wilde meewerken.

Hoe dan ook, ik mocht daar logeren en mijn vader bracht mij weg. Op de fiets. Mijn vader op zijn fiets en ik op de mijne. Ja, ik had een fiets. Van oude onderdelen in elkaar geknutseld, samen met mijn vader. Hij was banketbakker, maar tevens reuze handig.

Ik was al een keer eerder naar Den Haag geweest. Alleen. Op 30 april was Prinses Juliana jarig en ik had vrij van school. Het was mooi weer die dag en ik zei tegen mijn moeder dat ik een eindje ging fietsen.

Ben toen richting Haarlen gefietst en toen verder in de richting Hillegom. Op een bepaalde plek zag ik op een richtingbord dat Den Haag even ver was als Amsterdam. Dan kan ik net zo goed naar Den Haag rijden, heb ik toen gedacht.

En ik heb het gedaan ook. En ook heb ik de Loosduinseweg 584 gevonden. Daar woonden tante Fien en oom Wim. Tante Fien schrok zich lam toen ik opeens de winkel binnenkwam. Waar kom jij vandaan, vroeg ze. Van Amsterdam, zei ik. En weet je moeder dat? Ik heb gezegd dat ik een eindje ging fietsen, zei ik weer.

Oom Wim was ook thuis, ik geloof dat hij toen nog zonder werk was. Ik moest van hen toen naar het postkantoor fietsen en een telegram naar huis sturen met de boodschap dat ik in Den Haag was aangeland. Wij hadden thuis toen nog geen telefoon. Bijna niemand had telefoon in die tijd..

Maar nu was het vakantie en mijn ouders wisten er van. Het was dus intussen oorlog geworden.

Toen we in Den Haag aankwamen, ik weet niet meer op wat voor een dag, had tante Fien een probleem. Ze had een vriendin in Rotterdam en die was bij het bombardement op 14 mei haar huis en alles wat er in stond kwijtgeraakt. Ze had een noodwoning gekregen en tante Fien had een heleboel overtollig huisraad.

Maar hoe dat in Rotterdam te krijgen. "Kun je hier een bakfiets huren", vroeg mijn vader. Ja, dat kon en werd gedaan.

De bakfiets werd volgeladen en geëscorteerd door tante Fien, Max, die ook bij zijn tante in Den Haag logeerde en door mij bakfietsten wij van Den Haag naar Rotterdam en nooit heb ik vergeten hoe blij die mensen waren met de hulp die ze zo onverwachts kregen.

En mijn vader, die dat helemaal van Den Haag naar Rotterdam had gebracht. Op een bakfiets. Ik zei al dat ik een bijzondere vader had. De volgende dag ging hij terug naar Amsterdam en ik bleef logeren.

Ik ging vissen met oom Wim en 's avonds speelden we schaak of mens erger je niet.

Oom Wim was boekhouder van zijn vak en best een aardige man. Ook had hij soms heel bijzondere uitspraken. Zo zei hij eens tegen mij: "Jantje, je kunt best af en toe een voorschot nemen, maar je moet er wel aan denken dat voorschotten ooit terugbetaald moeten worden."

Ik weet nu dat dit voor veel dingen opgaat. En ook: "Aan alles komt een eind en te hopen valt dat er daarna weer een begin is!".

Toen dan ook de logeerpartij ten einde was wist ik dat er een nieuw begin voor de deur stond. Later gedurende de oorlog, ik denk dat het in 1943 is geweest, ben ik nog een keer samen met mijn vader op vakantie geweest. Ook op de fiets.

Op de eerste dag gingen we naar Arnhem en de volgende dag vandaar naar 's Hertogenbosch. We logeerden in kleine, goedkope hotelletjes en ik vond het allemaal reuze spannend.

Ik weet nog dat mijn vader onderweg een brood kocht en bij een slager zure zult. Dat brood sneed hij overlangs in vieren en tussen elke twee lange stukken brood verdeelde hij de zult. Hartstikke lekker!

Hij wist ook veel van de natuur. Op een zeker moment reden we langs een rivier en aan de overkant van het water was de lucht donker en onweerde het.

We zagen het ook regenen aan de overkant van de rivier. Maar aan onze kant was het droog. Mijn vader vertelde toen dat die onweersbui aan de overkant van de rivier zou blijven en dat heeft ie ook gedaan. Wij kwamen droog in 's Hertogenbosch.

Maar nu weer terug naar het einde van mijn schooltijd. Ik ging, samen met mijn moeder op sollicitatiegesprek. Het was zomer 1940.

We gaan dus weer een klein stukje terug in de tijd. Mijn moeder had, denk ik, een brief geschreven op een advertentie en wij, denk ik, werden uitgenodigd om kennis te komen maken.

Op de Nieuwe Keizersgracht. Het enige wat ik me ervan herinner is dat er in de kamer een portret van Hitler aan de muur hing. Wij waren thuis tegen Hitler, want die had Rotterdam plat gegooid en oorlog gemaakt met ongeveer heel Europa.

Maar mijn moeder en die meneer met wie zij sprak werden het wel eens; ik zou daar gaan werken en goed mijn best doen. Mijn salaris bedroeg drie gulden in de week en een werkweek was 48 uur.

Op zaterdag 's middags vrij. En zondag ook natuurlijk. En zo begon ik mijn werkzame leven bij N.V. Technisch Bureau Dynamis, Amstel 244 te Amsterdam Centrum.

Ze maakten compressor installaties om verf te spuiten, verkochten vertragingskasten (drijfwerken) en hadden een reparatie afdeling voor verfspuiten.

De directeur heette Blans. De bedrijfsleider Kordeuter, een Duitser met een NSDAP speldje op zijn rever. De monteur, wiens hulpje ik zou worden heette Herbert Widder, ook een Duitser maar eentje die in Amsterdam was opgegroeid en vloeiend Nederlands sprak. Voorts was er een magazijnbediende wiens naam Jules was, een fervent tegenstander van het Nationaal Socialisme.

Elke morgen, zes dagen per week reed ik op mijn fiets naar de Amstel en maandag tot en met vrijdag reed ik tussen de middag ook weer naar huis, tenminste in het begin. Later kreeg ik boterhammen mee en die mocht ik dan bij Herbert Widder thuis opeten. Hij was getrouwd met een mevrouw die Gonnie heette en ze hadden geen kinderen.

Mijn werk bestond in het begin uit het schoonmaken van de verfspuiten, die ter reparatie werden aangeboden. Dat betekende het uit elkaar halen van die dingen en alle onderdelen schoonmaken met zogenaamde verdunning, wat ook gebruikt wordt om verf te verdunnen.

Die verdunning en ook die verf stinkt verschrikkelijk. Ook moest ik vaak boodschappen doen.

Eén keer moest ik iets wegbrengen naar de Weesperzijde, naar een bedrijf waar ze krukassen slepen. Een krukas zit in een automotor en zorgt dat de zuigers in die motor op en neer bewegen.

Ik stond daar vol bewondering naar te kijken en zag boven die indrukwekkende machine een plaat hangen met daarop geschreven: "DENK ALEER GE DOENDE ZIJT, EN DOENDE DENK DAN NOG!". Ik moest toen aan dat pak slaag denken, dat ik als klein jongetje had gekregen toen ik die fiets getorpedeerd had.

Later mocht ik ook meehelpen bij het bouwen van compressor installaties. We bouwden die in verschillende types.

Maar toen ik daar een tijd werkte kreeg ik last van mijn maag. Erge kramp en niemand wist waar het vandaan kwam. De huisdokter stuurde me door naar een specialist en die heeft van alles en nog wat onderzocht.

Een aantal keren is mijn maag uitgepompt en toen hebben ze vastgesteld dat ik een maagzweer had.

Intussen was een heleboel voedsel niet meer te koop en voor bijna alles had je distributiebonnen nodig.

De oorlog had zich uitgebreid over bijna heel Europa. De Duitsers waren Rusland binnengevallen en boekten de ene grote overwinning na de andere.

Alleen Engeland hadden ze nog niet bezet, maar werd bijna elke dag gebombardeerd. En mijn tante Net en oom Oswald woonden in Londen.

Maar ik kreeg extra distributiebonnen voor volle melk en eieren, één ei per dag en een liter volle melk. En ik moest zes weken plat op bed liggen.

Na die tijd ging ik weer naar mijn werk maar na een poosje was het weer precies hetzelfde. En niemand heeft toen ooit enig verband gelegd tussen dat werken met verdunning en mijn maagkramp.

Uiteindelijk werd ik in mei 1942 in het Onze Lieve Vrouwen Gasthuis opgenomen, een katholiek ziekenhuis in Amsterdam. Daar heb ik 13 weken gelegen. Daar hebben ze mijn amandelen gepeld of geknipt, dat weet ik niet meer. Wel dat het pijn deed.

In augustus kwam ik weer thuis en begon het leven weer van voor af aan.

Mijn vriendje Max had eindexamen gedaan en was geslaagd. Verder dan de M U L O mocht hij ook niet leren, wel 's avonds. Hij ging voor zijn praktijkdiploma boekhouden leren. Ikzelf was naar de avond ambachtsschool gestuurd, door mijn moeder want ik moest een vak leren, dat zei de familie van mijn moeder in Hilversum ook steeds.

Maar door die toestand met mijn maag kwam daar niet veel van terecht.

De vader van Max, Dirk en Aadje heette Doede Boonstra, maar hij werd Dirk genoemd. Ik vertelde al dat hij 1½ jaar in Curaçao had gewerkt. In 1942 was hij in Hilversum gaan werken, bij de Eerste Nederlandse Metaalspuit Industrie.

Toen Max van school af kwam ging hij daar ook werken, als assistent boekhouder en in maart 1943 kon ik daar ook komen werken.

Ik had het gevoel dat werken bij techisch bureau Dynamis niet zo gezond voor mij was dus maakte ik mijn eerste overstap van de ene baas naar de andere.

Mijn moeder had er deze keer niets mee van doen gehad, maar omdat het in Hilversum, de stad waar zij als kind had gewoond, was en omdat ik beduidend meer ging verdienen werd er geen bezwaar gemaakt. En dus vertrok ik in den vervolge elke morgen om 07.11 uur van het Centraal Station, 3-e perron Oostzijde, met de trein naar Hilversum om daar te gaan werken.

In die periode gebeurde het vaak dat er Joodse mensen op transport gesteld werden. Die mensen stonden dan op het perron, bewaakt door Duitse soldaten met geweren.

Aan de andere zijde van het perron stond een trein met goederenwagons en daar moesten die Joodse mensen dan instappen. Pas later heb ik begrepen welk een verschrikkelijke toekomst die mensen te wachten stond.

Ik had een Ausweis, een papier waarop stond dat ik noodzakelijk werk deed voor de Duitse weermacht. Dat was nodig omdat er regelmatig mensen opgepakt werden door de Duitsers en als ze dan niet konden aantonen dat ze voor de oorlogsindustrie werkten, werden ze op transport gesteld naar Duitsland om daar in de fabrieken te werken.

De Duitse mannen waren bijna allemaal opgeroepen om soldaat te worden dus hadden ze een ernstig tekort aan mannelijke arbeidskrachten.
Gelukkig is mij dat nooit overkomen.

Maar in september 1944 brak de algemene spoorwegstaking uit en konden we niet meer naar ons werk. Voor die tijd was het al levensgevaarlijk. Treinen werden door Engelse vliegtuigen beschoten.

De oorlog was aan het veranderen. Het was al lang niet meer alleen in Europa. Op 7 december 1941 was Japan de oorlog tegen Amerika begonnen door Pearl Harbour, waar een groot deel van de Amerikaanse vloot voor anker lag, te bombarderen en vrijwel alle schepen buiten gevecht te stellen.

Japan had de zijde van Duitsland en Italië gekozen. Het was dus Engeland en Amerika tegen Duitsland, Italië en Japan. De geallieerden en de As-mogendheden, zo heette dat.

In het begin leek het er op dat de As-mogendheden zouden winnen.
Duitsland had vrijwel geheel Europa bezet. Italië heerste in Noord-Afrika en in het verre Oosten had Japan zijn vleugels wijd uitgespreid.

Maar in 1943 kwam het keerpunt. De Duitsers kwamen niet verder in Rusland en de Amerikaanse oorlogsindustrie begon op toeren te komen.

Er werden bommenwerpers ontwikkeld die zo hoog konden vliegen dat ze buiten bereik van het Duitse afweergeschut konden blijven en ze werden bij honderden geproduceerd en naar Engeland overgevlogen.

Van daaruit stegen ze dan weer op om de Duitse industriesteden, voornamelijk in het "Ruhrgebiet" te bombarderen.

Al in het voorjaar van 1944 zagen we ze soms met honderden tegelijk hoog over Amsterdam vliegen. Als de zon scheen leken het zilveren stippen, die Oostwaarts vlogen.

Met de voedselvoorziening was het in West-Nederland en dan met name in de grote steden treurig gesteld. Er werd honger geleden.
En de zwarte handel bloeide.

In die periode trok ik er dikwijls op uit om te proberen aardappels bij een boer in de polder te kopen. Dikwijls lukte dit en kwam ik met een zak met 25 kg. aardappels thuis.

Ook ben ik wel samen met mijn vader naar de Wieringermeerpolder geweest om te proberen tarwe of rogge te kopen. Dank zij deze tochten hebben we thuis gelukkig nooit echt honger gehad, zelfs konden we nog wat meedelen met juffrouw Strebus, die met haar man en een kostganger, mijnheer Scheuter, naast ons woonde. Op 280 iii hoog.

Wij woonden op 278, ook op de derde etage. Fred is daar geboren.

In de herfst van 1944 is mijn zuster naar Friesland vertrokken. Naar Bolswart. Haar distributiekaarten bleven in Amsterdam.

Ik zou nog over Jan van Veen vertellen. Wij voetbalden dus in dezelfde club. En bij hem thuis hadden ze een tafelbiljart. Ik vond dat geweldig interessant en ik vroeg hem of hij mij biljarten wilde leren. Nou dat wilde hij wel dus ging ik regelmatig naar zijn huis, hij woonde in de Gibraltarstraat, om de kunst van het biljarten te leren.

Het biljart werd op tafel gezet en moest precies waterpas staan. Hij kon het heel goed en ik heb veel van hem geleerd.
Later, toen ik de kunst ook een beetje onder de knie had gingen we wel eens in een café biljarten.

In 1944 stelden de Duitsers de avondklok in. Dat betekende dat je 's avonds na acht uur niet meer op straat mocht. Ik ging dan op Zaterdag om een uur of half acht richting Gibraltarstraat, we speelden dan de hele avond biljart en ik bleef daarna bij hem thuis slapen.

Hij had ook een tweelingbroer, die heette Wim en een oudere broer, die Frans heette. Die werkte in Duitsland en kwam op een gegeven moment met verlof naar huis. Toen zijn verlof voorbij was moest hij weer terug naar Duitsland.

Pas veel later hoorde ik dat hij niet teruggegaan was maar ondergedoken in een klein plaatsje in de Achterhoek. In Neede.

Die zaterdagavonden waren best gezellig. Jan zijn vader was stratenmaker bij de gemeente Amsterdam en mijnheer Gevelaar, de secretaris van De Germaan, werkte daar als opzichter, dus denk ik dat Jan via zijn vader en die mijnheer Gevelaar bij De Germaan terecht gekomen is.

Ik heb na de oorlog nog vrij lang contact met hem gehouden.

Mijn zus had een vriendin, Thea Wildschut. Die ging ook regelmatig op hongertocht, dat wil zeggen, zij trok er op uit om te proberen eten te bemachtigen.

Op 31 december 1944 zou zij weer gaan. Richting Overijssel. Ik had met haar afgesproken dat ik mee zou gaan en we zouden elkaar op 1 januari 1945 in Harderwijk ontmoeten.

Zij ging met haar schoonzuster op een tandem en ik op een fiets met een dubbele voorvork en in plaats van een normaal voorwiel een autopedwieltje.

Hoe en waarom die afspraak op deze manier tot stand gekomen is weet ik niet meer. Ook niet meer hoe die schoonzuster heette, maar we hebben elkaar in Harderwijk ontmoet.

Er was slaapgelegenheid in een school en daar heb ik Thea na aankomst in Harderwijk gevonden. We zijn toen met z'n drieën verder gegaan, maar al snel bleek dat ik het tempo van die twee dames op de tandem niet kon volgen met mijn gammele fiets.

Die heb ik toen weggegeven aan een passerende melkboer en ben bij hen achter op de tandem gaan zitten. Beurtelings hebben we toen getrapt, twee trappen en één achterop en zijn op die tweede Januari tot in Bathmen geraakt.

Daar hebben we bij een boer om onderdak aangeklopt, maar daar bleken Duitse soldaten te zijn ingekwartierd.

Maar die nodigden ons uit om binnen te komen en we kregen eten en drinken van hun. Ik weet niet meer waar ik die nacht geslapen heb, maar de volgende morgen hebben we elkaar weer ontmoet en zijn verder het dorp ingegaan.

Daar ontmoette ik iemand, een boer, en daar zou ik wel kunnen wonen en werken, maar dan moest ik in zijn plaats naar de "Organisation Todt" gaan.

Dat was een semi-militaire organisatie, die onder andere verdedigingswerken moest aanleggen. En zo kwam ik aan het begin van 1945 op een boerderij in Bathmen terecht.

Thea Wildschut en haar schoonzus zijn toen weer terug naar Amsterdam gegaan, nadat ze hier en daar wat etenswaren hadden gekocht.

Thea heeft ook aan mijn moeder verteld wat er gebeurd was.

Ook mijn distibutiekaarten waren in Amsterdam achtergebleven, maar daar deden ze op die boerderij niet moeilijk over.

Daar was eten genoeg. Die boerderij heette Essink, de baas heette Gerrit Hendrik Stegink en zijn vrouw heette Mina. Ze hadden twee zonen, Derk en Wim.

Later, toen ik alweer in Amsterdam was of in Indonesië, kregen ze nog twee dochtertjes; Jetje en Jannie.

Op de boerderij woonden ook de ouders van de boer en daar moest ik Derkoom en Jennekemeu tegen zeggen. Verder werkte er een knecht, die Willem Dijkerman heette.

Bij de Todt moest ik zogenaamde schuttersputjes graven. Of mitrailleurnesten. Dat waren kuilen in de grond, overdekt met takken en daar weer groen bovenop. Aan één kant was de ingang en aan de andere kant een schietopening.

Ik ging dan 's morgens op weg met een schop aan mijn fiets gebonden, ik had van de boer een fiets met massieve banden gekregen.

Ik ontmoette dan ook andere boerenzonen en knechten die bij de Todt moesten werken.

Soms hoefden we niet te komen en dan moest ik op de boerderij helpen.

Op een keer moest ik helpen om takkenbossen te te maken, die gebruikt werden om het fornuis te stoken en de vuurplaats, waar de aardappels voor de varkens gekookt werden.

Nu werkte er op die boerderij ook een los werkman, die was niet in vaste dienst maar als het druk was kwam hij helpen. Zijn naam was Jan Rietman.

Met dat maken van die takkenbossen was hij er ook bij. Op een bepaald moment zei hij tegen de boer: Stuur die jongen maar naar huis anders bevriest hij nog met een tak in de hand. Maar dan in het plaatselijke dialect.

Boven de bijkeuken was een kamertje en daar sliep Willem Dijkerman in een heel groot bed. Meer slaapruimte was er niet, dus sliepen Willem en ik in één bed.

Maar ik had toen nog nooit van homosexualiteit gehoord en Willem ook niet.

Hoe dan ook, het heeft toen en ook later nooit problemen opgeleverd.

In Maart 1945 ben ik nog een keer naar Amsterdam geweest, op die fiets met massieve banden. Ik had roggebrood en eieren en nog meer etenswaren meegekregen voor thuis, want van mensen, die op hongertocht langs kwamen, hadden we gehoord dat in West-Nederland mensen dood gingen van de honger.

Toen ik thuis kwam was de vreugde groot en ook toen werd juffrouw Strebus niet vergeten. Vergeleken bij andere mensen hadden mijn ouders het nog betrekkelijk goed, we hadden een soort noodkacheltje, waarop gekookt kon worden.

Mijn moeder heeft dat tot jaren na de oorlog bewaard. Ik had dat ding en een carbidlamp gemaakt bij een bedrijf in Amsterdam, waar ik na de spoorwegstaking nog een blauwe maandag heb gewerkt.

Lang genoeg voor dat kacheltje en die carbidlamp. Carbid had ik trouwens ook meegenomen, op de boerderij gebruikten wij dat ook en ik had verteld dat ik voor mijn ouders een carbidlamp had gemaakt.

Maar na een paar dagen in Amsterdam te zijn geweest ben ik toch weer teruggegaan.

Op de brug over de IJssel werd ik tegengehouden door Duitse militairen, maar ik had een papier van de Organisatie Todt bij me en toen ik dat liet zien lieten ze me doorgaan.

In Bathmen waren ze blij dat ik weer terug was; ze vertelden me later dat ze dat niet hadden verwacht.

Intussen kwam de oorlog aardig dicht in de buurt. De boerderij lag ongeveer 200 meter van de spoorlijn Deventer-Hengelo en de Engelsen maakten er een gewoonte van die spoorlijn regelmatig te bombarderen.

Ook werden auto's beschoten. Ik heb het wel eens gezien.

Die Engelse vliegtuigen werden jagers genoemd. Die kwamen dan in duikvlucht achter elkaar aanvliegen. De eerste gaf het signaal en de volgenden, meestal drie, gooiden dan de bommen af.

Ik stond dan in de deuropening tussen de boerderij en de schuur en als de eerste bom ontplofte ging ik gauw naar binnen en de deur dicht. Dat moest wel want soms lagen de scherven tot bij de boerderij.

De boerderij van de buurman lag zo'n 75 meter van die spoorlijn en daar was al een keer een bom vlak achter het huis gevallen.

De mensen, die daar woonden, Gert en Jet Reilink, woonden tijdelijk ergens anders. Overdag kwam Gert wel op de boerderij, maar 's nachts gingen ze ergens anders slapen.

Die boerderij heette Brooks en in de dagelijkse omgang spraken we over Gert en Jet van Brooks. En ik was dus Jan van Essink.

Begin April 1945 hoorden we 's nachts af en toe kanongebulder en een paar dagen later hoorden we dat het Canadezen waren, die ons zouden bevrijden.

Maar zover was het nog niet. We hadden gehoord dat de Duitsers boerenwagens vorderden om te kunnen vluchten.

Nu hadden ze bij Essink een nog vrij nieuwe wagen en die hebben we uit elkaar gehaald en op de hooizolder in de schuur verstopt.

De volgende dag kwamen de Duitsers en vroegen om een boerenwagen. Die hebben we niet meer, die hebben ze al opgehaald, zei Gert Stegink.

Je liegt, zei de Duitser. Hij trok zijn pistool en zette het tegen het hoofd van Gert.

Toen moesten we die wagen weer te voorschijn halen en in elkaar zetten. De Duitsers namen de wagen mee en die hebben we nooit meer teruggezien.

Ik geloof wel dat ze voor die wagen hebben betaald, maar ik weet het niet zeker en ook niet hoeveel.

Ook hadden we op een bepaalde plaats voor het huis een aantal dingen begraven.

De Canadezen gebruikten vlammenwerpers om boerderijen of andere plaatsen, waarvan ze dachten dat er Duitsers waren, in brand te steken.

Ik heb dat wel eens gezien, 's avonds laat, als het donker was. De Canadezen waren toen aan de overkant van de Schipbeek, hemelsbreed zo'n 500 meter van Essink.

Achter het huis stond een strooberg. Daar klommen we dan in en konden zo tot aan de Schipbeek kijken.

We, dat waren Willem en ik. We zagen dan wat vlammen oplaaien en dan plotseling verplaatste die vlam zich en werd het een lange slang van vuur, die zich in de richting van het doel bewoog.

Even later zag je de vlammen omhoogschieten vanaf de plaats waar die vlammenwerper zijn werk had gedaan.

In die tijd kwam er ook een Duitse deserteur bij ons aankloppen. Of hij bij ons op de boerderij mocht blijven totdat de geallieerden, de Canadezen dus, kwamen. Dat mocht. Hij moest zijn wapens afgeven en zijn uniform uittrekken. Hij kreeg een oude overall om aan te trekken.

Theo was zijn naam. En zijn achternaam was geloof ik Stoll. Hij woonde in de buurt van Hamburg.

Hij mocht dus bij ons blijven en er waren nog twee anderen en die hadden zich in de boerderij van Brooks verstopt.

Theo sliep op onze kamer, want wij sliepen met de hele familie in de kelder.

De dagen voordat we bevrijd werden zal ik nooit vergeten. Het begon eigenlijk op 7 April 1945.

's Avonds rond een uur of 7 kwam eem Duitse militair in SS-uniform door de zijdeur binnen, pistool in de hand. Gelukkig was Theo boven en bleef boven.

Hij vroeg of er nog Duitsers in het dorp waren en of de "Canadiërs" er al waren. Nee, de Canadiërs waren er nog niet en voor zover wij wisten waren de Duitsers nog in het dorp.

Of hij wat wilde eten.
Nee, dat wilde hij niet. Hij was, aan de overkant van de Schipbeek krijgsgevangen gemaakt door de Canadezen en moest mijnen ruimen.

Op een goed moment had hij de benen genomen en was over de Schipbeek gevlucht. Onderweg had hij van een gesneuvelde landgenoot zijn pistool meegenomen en zo was hij bij ons gearriveerd.

Nu ging hij gelijk door om zich weer bij zijn makkers aan te sluiten.

We waren blij dat hij weg was want met een deserteur en een fanatiekeling in één huis had wel tot complicaties kunnen leiden.

De volgende dag was het Zondag, één week na Pasen. Het was mooi lenteweer. Voor het huis was eerst een stukje stoep, daarna een stukje zandpad en vervolgens een tuin met een hek er omheen.

In die tuin stonden bloemen en planten en het was de trots van Derkoom, die dat allemaal bijhield.

Die Zondagochtend liep ik door de zijdeur naar buiten en stond toen tussen het huis (de boerderij) en de schuur. Ik liep naar voren en kwam aan de linkerzijkant van Derkoom z'n tuintje uit.

Ik stond daar even naar de bloemen en planten te kijken toen ik iets hoorde en voelde fluiten. Op hetzelfde moment hoorde ik de knal.

Nu was er ongeveer 2 meter links van dat tuintje ook een soort schuilloopgraaf gemaakt die tot aan het zandpad voor het huis liep.

Toen ik die knal hoorde ben ik ogenblikkelijk die loopgraaf ingedoken en ben daar heel bang geweest.

Die kogel moet akelig dicht langs gekomen zijn en ik moest nog een stukje van 2 meter om vanuit mijn beschutte plek weer tussen het huis en de schuur te geraken.

Ik heb het er tenslotte, na lang aarzelen, toch maar op gewaagd. Twee meter hardlopen.

Het is bij dat ene schot gebleven en ik ben die Zondag niet meer naar buiten geweest. De schrik zat er goed in.

De volgende morgen reden er pantserwagens vanuit het Oosten, de richting van waaruit de vorige dag op mij geschoten was, in de richting van het dorp.

Daarachter kwamen militairen te voet. Toen ben ik naar buiten gegaan om ze te begroeten en te vertellen dat wij een Duitser in huis hadden, die zich wilde overgeven en dat er bij de buurman ook nog twee Duitsers waren.

Nu kon ik het Engels, wat ik geleerd had in de praktijk brengen.

Mij werd gevraagd die Duitsers op te halen en ze moesten met hun handen boven het hoofd naar buiten komen. Theo was doodsbang dat hij meten zou worden doodgeschoten, maar dat gebeurde gelukkig voor hem niet.

Wel moest hij zijn polshorloge afgeven. Jennekemeu had intussen een paar boterhammen klaargemaakt en ingepakt en die mocht Theo meenemen toen hij door de Canadezen werd meegenomen in de richting van het dorp.

De familie Stegink heeft nadien nooit meer iets van Willy vernomen. Met die twee andere Duitse soldaten ging het op precies dezelfde manier, alleen kregen zij geen pakje brood mee.

En dat was de bevrijding van de Duitse bezetting, die bijna 5 jaar had geduurd.

De volgende dag werd er weer gewoon gewerkt. Op een boerderij gaan de werkzaamheden altijd door.

Ik hoefde nu niet meer naar de organisatie Todt, maar op en om de boerderij was genoeg te doen.

De afrasteringen van de weiden moesten gecontroleerd worden voor als de koeien in mei weer van stal kwamen en de wei in mochten.

Ik was daar mee bezig toen twee mannen van de Binnenlandse Strijdkrachten, de B S, mij kwamen arresteren. Ze hadden blauwe overalls aan met een oranje band om de ene arm. Ze hadden ook een geweer en daar liepen ze heel vervaarlijk mee te zwaaien.

Ik was me van geen kwaad bewust en ben dus meegegaan. Ik werd naar het politiebureau gebracht en daar moest ik haarfijn uitleggen hoe ik in Bathmen was gekomen en wat ik daar gedaan had en wie die twee dames waren met wie ik begin dat jaar was aangekomen.

Ik heb toen verteld wat er allemaal gebeurd was en toen mocht ik weer terug naar Essink. Later bleek dat die boer, waar wij die allereerste avond waren gekomen, aangifte had gedaan en gezegd dat wij spionnen waren die met de Duitsers hadden geheuld.

Goed, dat hadden we ook weer gehad. Ik kon nog niet terug naar Amsterdam want in West-Nederland ging de Duitse bezetting onverminderd door.

Maar ik kon op de boerderij blijven en helpen met het boerenwerk, er was genoeg te doen. En de bevrijdingsfeesten kwamen op gang.

En vanaf 10 April waren er Canadezen ingekwartierd op de boerderij en ik was de enige van de bewoners die Engels sprak.

Ik vertelde al dat ik in de Todt-periode veel boerenzoons en knechten had leren kennen.

En toen de eerste drukte van de bevrijding een beetje was bedaard en de Canadezen verder waren getrokken om de rest van het land te bevrijden werden er feesten georganiseerd.

Op elke boerderij had je een vrij grote ruimte, die de deel genoemd werd. Daar werden dansfeesten gehouden, meestal op zondagmiddag, waarbij ik de boerendochters leerde kennen.

Wim Willemink, een broer van Mina Stegink speelde trekharmonica. Ik kon helemaal nog niet dansen maar Willem Dijkerman heeft mij geleerd hoe je moest walsen.
Dus als er een wals werd gespeeld kon ik meedoen.

Op Zaterdagavond was er dikwijls feest in het dorpscafé‚ en daar werd ook gedanst en bier gedronken. Ik had nog nooit bier gedronken, maar daar heb ik het geleerd.

Naar die feesten toe, ging ik meestal met Willem Dijkerman, maar vaak moest ik alleen terug naar de boerderij.

Willem had dan afgesproken om een meisje naar huis te brengen en daar kon hij mij niet bij gebruiken.

Ikzelf was toen nog te verlegen om een meisje te vragen haar naar huis te mogen brengen. Wel dansen, maar niet naar huis brengen.

Die feesten duurden vaak tot in de nacht. Als ik dan thuiskwam was iedereen op de boerderij al naar bed, maar Gerrit liet dan het eerste deurtje van de kalverstal open, dat wil zeggen, het deurtje was wel dicht maar niet gegrendeld, zodat je van buitenaf de deur kon openmaken.

Ik ben de hele zomer op de boerderij gebleven. Mijn moeder is me daar een keer wezen opzoeken, ze was op de fiets uit Amsterdam gekomen.

Ik had intussen heel veel van het boerenwerk onder de knie gekregen. Ik kon de koeien melken. Op zondag was het zo dat de ene zondag moest Willem melken en de andere zondag was ik aan de beurt. Dan moest ik 12 koeien melken, met de hand want een melkmachine hadden ze nog niet.

Ook met hooien en roggemaaien deed ik dapper mee.

Als er gedorst moest worden kwam er een dorsmolen op het terrein van de boerderij staan. Buren en familie kwamen dan helpen want er waren heel veel mensen nodig bij dat dorsen.

Die rogge was eerst op het veld gedroogd, dat was een mooi gezicht als die garven met zessen tegen elkaar met de koppen omhoog op de akker stonden te drogen.

Als dat gebeurd was werd er een roggeberg gemaakt. De garven werden in een ongeveer ronde vorm, met de koppen naar binnen gericht opgestapeld, laag na laag, dus de berg werd steeds hoger.

Bovenop die berg stond een rieten kap, die in hoogte verstelbaar was. Dit om de rogge tegen de regen te beschermen.

De garven lagen ook een beetje schuin, vanuit het midden een beetje aflopend naar beneden, zodat eventueel binnendringend regenwater niet bij de koppen kon komen.

Als nu die dorsmolen kwam, moest die berg weer leeg. Er waren twee wagens bij nodig, meestal stond de dorsmolen toch wel een eindje van die berg af en soms waren er meer bergen.

Er zaten twee mannen boven in de berg om de garven aan te gooien naar de man die de wagen voor zijn rekening had.

Als de wagen vol was reed hij naar de molen en werd de tweede wagen voorgereden en volgeladen. Bovenop de dorsmolen zaten twee man, die zorgden voor de invoer in de molen. Ze hadden elk een scherp mes in de hand, waarmee ze de halmen, die gebruikt waren voor het vastbinden van de garf, boven en onder, doorsneden. Hierna verdween de garf in het inwendige van de machine waar het zaad en het stroo gescheiden werden.

Het zaad kwam er aan de ene kant uit, het stroo aan de andere, de achterkant. Het zaad werd opgevangen in jute zakken.

Er stond een bascule bij om het zaad, de roggekorrels dus te wegen. Daar waren dus ook mensen voor nodig.

Een ook het stroo moest weer afgevoerd worden en opgestapeld in dezelfde berg waar eerst de garven hadden gelegen.

Er waren zoals je zult begrijpen veel mensen nodig om dit allemaal soepel en efficiënt te laten verlopen. Het was ook een dag van keihard werken.

Nadat het werk voor de dag beëindigd was werd gezamenlijk koffie gedronken en brood gegeten in de grote keuken van de boerderij.

En zo vergleed de zomer van 1945. In Augustus heb ik afscheid genomen van de familie Stegink en ben met de trein terug naar Amsterdam gegaan.

Er was nu in het Westen wel voldoende te eten, maar een heleboel dingen waren nog op de bon.

En ik moest proberen aan het werk te geraken, maar ik kende eigenlijk alleen de tafels van vermenigvuldiging, van 1 tot en met 12 want die hadden we op school uit ons hoofd moeten leren en een beetje Engels. En ik kon aardig voetballen, maar daar kon je toen je brood nog niet mee verdienen.

Ik denk nu dat ik toen aardig op weg was om een man van twaalf ambachten en dertien ongelukken te worden.

Ik heb gewerkt bij een bedrijf, die stofzuigers verkocht en ook repareerde, bij een firma die gereedschappen maakte.

Ook heb ik ergens gewerkt waar ik de hele dag schroefdraad moest tappen, zo heet dat. Dat was bij een man en die had 10.000 gietijzeren zolen gekocht om er strijkbouten van te maken.

In elke zool moesten twee gaatjes M6 getapt worden. Dat is een bepaalde maat schroefdraad. 20.000 gaatjes M6.

Ik herinner mij dat ik op al die gaatjes één tap gebroken heb; een tap is het gereedschap waar je die schroefdraad mee maakt.

Samen met mijn vriend Max was ik op dansles gegaan. Ik had in Bathmen de wals wel geleerd maar de foxtrot, de Engelse wals en de tango waren weer heel andere dingen.

Op die dansschool leerden we de zusjes Kater kennen. Gep en Nel. Max ging met Gep en ik met Nel.

Als de dansles was afgelopen liepen we nog wel eens de stad in. En daarna brachten we de meisjes naar huis.

Hun moeder was weduwe en dreef een fietsenzaak met stalling.

Eén keer toen we hen naar huis gebracht hadden stonden we nog een beetje na te praten voor de deur van de fietsenstalling kwam moeder naar buiten en zei ons dat het niet nodig was dat we buiten bleven staan en dat we wel binnen konden komen.

Dat hebben we toen gedaan en ook daarna zijn we nog verschillende keren daar op bezoek geweest.

Maar toen de danscursus was afgelopen is het toch een beetje verwaterd. Max had er niet zo veel zin meer in en ik was eigenlijk te verlegen.

Ik leefde maar zo'n beetje voort zonder te weten wat ik eigenlijk wilde. Mijn moeder had het over een betrekking bij de gemeente of het rijk maar ik voelde zo stilaan de drang tot weglopen weer in mij opkomen.

In het Verre Oosten was het nog een puinhoop na de Japanse capitulatie en Nederland vroeg mannen, die daar wilden meehelpen om Indië weer op te bouwen.

Nu hadden wij op de lagere school vrij veel over Indië moeten leren en toen al spraken de verhalen over dat verre land in de tropen mij heel erg aan.

Begin April 1946 meldde ik mij aan als oorlogsvrijwilliger voor dienst overzee bij het wapen der Genie.

Ik kreeg een aantal formulieren mee, onder andere één, waarop mijn vader door middel van zijn handtekening toestemming gaf dat ik in dienst van het Nederlandse leger trad.

Ik moest ook medisch gekeurd worden, maar mijn gezondheid en lichamelijke conditie was na de periode Bathmen uitstekend in vergelijking met de mensen die het einde van de oorlog in Europa in West-Nederland hadden moeten afwachten.

En zo werd Jan, bijna 20 jaar oud, soldaat. Ik moest naar Gorkum, maar ik weet niet meer hoe ik daar terecht ben gekomen; ik meen me te herinneren dat er transport van Amsterdam naar Gorkum geregeld was, maar weet het niet zeker.

Wel zeker weet ik dat we op een bepaald moment van Gorkum naar Chaam gedirigeerd werden en dat we daar in kamp Princebosch terechtkwamen.

Dat was al na een paar dagen. Ik had in Gorkum al wel mijn uniform gekregen en alles wat daar bij hoorde, alleen nog geen geweer, dat kreeg ik in Chaam.

Daar kreeg ik ook mijn militaire training. Die training bestond uit een stukje infanterie-opleiding, een opleiding tot chauffeur en een opleiding tot radio-telegrafist. Radio-seiner, zeiden ze daar.

Nou, die infanterie training, daar heb ik niet al te veel van meegekregen. Ik herinner me dat we in een bos waren en dat ze stroozakken aan een boom gebonden hadden. Wij moesten dan de bajonet op ons geweer doen en vervolgens in die stroozak steken. We moesten daar ook bij schreeuwen van de sergeant, de sergeant was onze instrukteur.

Ook was er een hindernisbaan met allerlei griezelige dingen. Sloten waar je overheen moest springen, prikkeldraad, heel laag boven de grond en daar moest je dan onderdoor kruipen.

Een heel hoge schutting waar je overheen moest. Er hingen wel touwen aan waar je je aan omhoog kon werken en aan de andere kant hadden ze een net van touwen gespannen, horizontaal en een meter boven de grond.

Daar strompelde je dan overheen en kon je naar de volgende hindernis.

Er was een lange buis; wel twintig meter en ik denk 60 centimeter in doorsnee. Daar moest je doorheen kruipen.

De soldaten die er al langer waren vertelden dat als je daar mee bezig was, de instrukteur soms een rookgranaat naar de uitgang van die buis gooide.

Eén van de eerste dagen al hebben we die hindernisbaan mogen bekijken en ik vind het nog steeds een van mijn allerbeste militaire prestaties dat ik hem nooit in het echt heb gelopen en dat ik daar nooit voor gestraft ben.

Wat ik wel leuk vond was exercitie, met een groep soldaten marcheren en op commando naar links of naar rechts of rechtsomkeert te gaan.

Sport was ook leuk en wat later de chauffeursopleiding. Dat ging in vrachtauto's, drietonners genaamd, die de geallieerden in de oorlog hadden gebruikt en nu aan het Nederlandse leger waren verkocht.

In het begin gingen we een stukje de weg op met een instrukteur. De leerlingen mochten dan alleen maar in de eerste versnelling schakelen en dan de auto in beweging laten komen.
Daarna ontkoppelen, remmen en weer opnieuw.

Later gingen we naar het vliegveld Gilze-Rijen en daar leerden we opschakelen, terugschakelen, draaien en keren.

Toen we dat onder de knie hadden gingen we gewoon de weg op, naar Breda en Tilburg totdat we voldoende routine hadden om af te rijden.

Mijn militaire rijbewijs was het eerste diploma wat ik na mijn schooltijd behaalde.

Die telegrafisten opleiding liep parallel met de chauffeurstraining maar daar zat je dan veelal in een lokaal, tenminste in het begin. Je moest van alles leren; het morse-alfabet, Q-codes en de spelregels bij radio-telefonie. Ook het aanleggen van veldtelefoonverbindingen hoorde bij de training.

Al met al was het een heleboel en toen de compagnie op 16 augustus 1946 naar Engeland vertrok waren wij nog niet klaar met de opleiding en gingen een week later, op 23 augustus, met de Prinses Beatrix van Rotterdam naar Harwich in Engeland en van daar met de trein via Londen naar Aldershot.

Daar bleven wij tot 5 oktober. Toen zijn we nog twee dagen in een transit-camp bij Southampton geweest, maar daarover later nog meer bijzonderheden.

Nu eerst Aldershot.
Op die 23-ste augustus 1946 kwam ik dan eindelijk in het land dat ruim 5 jaar had stand gehouden tegen het Duitse geweld, de bombardementen, de beschietingen met raketten, de V-1 en de V-2 die ik nog in Bathmen gelanceerd had zien worden.

Het land waar mijn tante Net en oom Oswald woonden. Ze haddende bombardementen van Londen, waar ze woonden overleefd en ze waren inmiddels van elkaar gescheiden.

Tante Net had wel een keer drie dagen onder het puin gezeten na een Duits bombardement maar was daar levend en onbeschadigd onder vandaan gekomen.

Ze had er wel een pluk grijs haar middenvoor op haar hoofd aan overgehouden, maar dat stond wel chic. Natuurlijk ben ik haar een paar keer gaan opzoeken, één keer ben ik met haar naar de Greyhound-races in het White City Stadium geweest, waarop de honden gewed kon worden. Ik mocht zelf ook een gokje wagen. Zij betaalde de ticket en ik streek de winst op. Het was niet zo veel maar best wel leuk om een keer mee te maken.

Ze had een vriend die Jim heette en een vriendin, wiens naam Mary was. Die Jim heb ik nooit ontmoet maar we zijn wel op een zondag bij Mary op visite geweest en hebben daar ook gegeten. Dat was best leuk, want Mary sprak alleen maar Engels dus moest ik wel proberen Engels te spreken en dat ging prima.

Mijn kameraad in dienst was Asje Ribbelink, zo heette hij maar hij werd Jan genoemd, net als ik. Hij was ook chauffeur-seiner. De overige mensen van de radio-afdeling waren Harry Hoes, Ad Swaneveld, Klaas Brink, Leo Schriers, Wijnand Visser.

Onze baas was korporaal Cor Matser, maar daar hadden we weinig last van.

In Engeland trok ik dus op met Jan Ribbelink, behalve als ik naar mijn tante ging.

's Avonds hadden we vrij van dienst en dan gingen we er op uit. We hadden vrij reizen met de trein, in de bioscoop betaalden we halve prijs en op de brieven naar huis schreven we op de enveloppe "On active service" op de plaats waar normaal een postzegel wordt geplakt.

Eén van de plaatsen waar we vaak naar toe zijn geweest is Guildford. Dat ligt dicht bij Aldershot en daar gingen we dan 's avonds passagieren.

Daar heb ik ook een vriendinnetje leren kennen, Patricia Searle. Ik kan me niet herinneren dat ik haar ooit heb gekust, maar dat zal ik wel gedaan hebben. Wel dat ik, eenmaal in Indië, heel lang met haar heb gecorrespondeerd.

Jan Ribbelink scharrelde met haar vriendin, Rosie Steer. Veel weet ik daar niet over te vertellen. We gingen gezamenlijk naar Guildford, ontmoetten onze vriendinnen op de afgesproken plaats en gingen vervolgens elk ons weegs, Jan met Rosie en ik met Patsy.

Soms gingen Jan en ik een weekend naar Londen.
We sliepen dan in een station van de ondergrondse spoorweg, vlak bij Westminster Abbey. Dat was in de oorlog een schuilplaats geweest voor de burgers als de Duitse vliegtuigen Londen weer eens bestookten met hun bommen.

Er was ook een grote kantine bij en daar kon je net zoveel sandwiches krijgen als je wilde. En verder koffie, thee en limonade; alles gratis.

Op zondag zwierven we dan kris kras door Londen, er was een markt in het oosten van Londen, speciaal op zondag, ik geloof dat de wijk waar die marktgehouden werd Whitechapel heet, ik weet niet of dat nu nog bestaat.

En zondagavond reden we dan weer met de trein terug naar Aldershot.

Als ik me nu realiseer dat we slechts 43 dagen in Aldershot waren kom ik tot de conclusie dat we het druk gehad hebben daar.

Daar heb ik ook voor de eerste keer in compagniesverband gevoetbald, als rechtbuiten weet ik nog. Rechtervleugelspits heet zoiets tegenwoordig.

We hadden een goed elftal en speelden tegen andere eenheden die daar of in de buurt gelegerd waren.

Hoogtepunt was een wedstrijd van een selectie van Nederlandse militairen tegen de London Combination, waarin een aantal bekende Engelse professionals speelden.
We verloren met 4-2.

Er waren heel mooie sportvelden bij die Ramillies Barracks, een enorm militair kampement waar, voor de invasie in Normandië op 6 juni 1944, meer dan een millioen Engelse en Amerikaanse militairen gelegerd waren.

Eén van de mensen van onze compagnie, korporaal Jan van Veenschoten heeft van onze belevenissen aantekeningen gemaakt en dat heeft geresulteerd in een gedenkboek,

DE GESCHIEDENIS VAN DE 4e GENIE VELDCOMPAGNIE IN DE TROPEN 1946 - 1949

In dat boek staat op pagina 11 dat het verblijf te Aldershot zoveel mogelijk benut zou worden om de geoefendheid van de troep op te voeren en dat daar, gezien de geaardheid van het kamp weinig van terechtgekomen is.

Wij hebben ons echter geen moment verveeld. Maar aan alles komt een eind en zo vertrokken wij dus op 5 oktober richting Southampton.

Dat transit camp bestond uit een aantal, uit gegolfd plaatijzer opgetrokken loodsen. Halfrond van vorm, ik schat een meter of 20 lang.

Toen we aankwamen moesten we aantreden en vertelde onze commandant, de Majoor L.D. Huisman dat er verderop in het kamp een afdeling was waar vrouwelijke Poolse vluchtelingen gehuisvest waren en dat het ons ten strengste verboden was die afdeling te betreden.

Die avond was het feest. Iedereen was in dat Poolse kamp en er werd gepraat, gezongen en gedanst, tot wanhoop van de Majoor, die samen met de officier van piket voor de hopeloze taak stond zijn manschappen uit het verboden paradijs te verdrijven.

Mijn danslessen bij Jan Hoezee, zo heette de dansschool waar ik eerder, samen met Max de danskunst meester was geworden, bewezen nu hun waarde.

Ik ben op die avond veel van mijn verlegenheid kwijtgeraakt. En het is geen smeerboel geworden. Het was gewoon een leuke avonden na afloop zijn we naar onze halfronde barakken gegaan en zijn gaan slapen.

Op 7 oktober zijn we in een soort parade naar de haven gemarcheerd, waar we aan boord gingen van de het schip dat ons naar Indië zou transporteren; de Johan van Oldenbarnevelt.

Dat was ooit een luxe passagiersschip van de Maatschappij Nederland geweest, maar had gedurende de tweede wereldoorlog als troepentransportschip voor de geallieerden gevaren.

We sliepen in de ruimen van het schip, in hangmatten. Ik geloof met wel vier man boven elkaar. Die dingen werden "standies" genoemd.

In dat ruim stonden ijzeren palen en tussen twee palen waren drie of vier hangmatten van canvas boven elkaar bevestigd. Daar moesten de soldaten dan 's nachts slapen.

Dat was wel stinkend benauwd, want er waren ook nogal wat soldaten die zeeziek werden. Gelukkig had ik daar geen last van en ik had ook uitgevonden dat de bioscoopzaal 's nachts niet op slot was. Dus ging ik na een paar dagen lekker in de bioscoopzaal slapen.

Overdag kaartten we. Ik hield eigenlijk niet zo erg van kaarten, maar je had niets anders te doen.

We speelden om sigarettenen; toen we in Tandjong-Priok aankwamen had ik meer dan 50 tinnetjes sigaretten gewonnen. In één tinnetje zaten 50 sigaretten dus kon ik voorlopig nog vooruit. In die tijd wisten we nog niet hoe slecht roken voor de gezondheid is dus we dampten er lustig op los.

Op 4 november 1946 kwamen we in Priok aan en begon een nieuwe periode in mijn leven. In het gedenkboek staan de belevenissen van onze compagnie opgetekend.

Aan de hand van dit boek zal ik proberen mijn persoonlijke herinneringen van deze periode tot aan mijn demobilisatie te beschrijven.

Vanaf Tandjong-Priok werden wij, zoals in het boek vermeld, naar Meester Cornelis getransporteerd.

Ik herinner mij dat we door, wat toen nog Batavia heette, reden en dat we daar overal leuzen zagen waar met grote letters "MERDEKA" stond geschreven.
Maar toch heb ik toen niet het gevoel gehad in een vijandig land te komen.

In Meester Cornelis hadden wij al snel een voetbalveld ontdekt en ik denk dat er op 5 november al het eerste partijtje voetbal werd gespeeld.

Maar we waren niet gekomen om te voetballen, we waren naar Indië gegaan voor "herstel van orde en vrede".

Om wille van de duidelijkheid zal ik in het verdere verloop van dit verslag de plaatsnamen in de tegenwoordige spelling vermelden.

Toen we op 10 november, richting Cianjur gingen ben ik op diezelfde dag weer een stukje terug gegaan met nog een groepje en kwam in Cipanas terecht.

De samenstelling van dat groepje weet ik niet meer, maar we werden gehuisvest in een villa, een kleintje maar wel met een zwembad, aan de Grote Postweg, nummer 166. Dat huisje staat er nu, in 1997, nog steeds.

Wij hadden tot taak de convooiweg tussen Jakarta en Bandung te verbeteren en dat was wel nodig ook want die weg verkeerde in een erbarmelijke staat.

We werkten met hulpkrachten uit de omgeving die, behalve een dagloon (weinig), ook een beloning in natura ontvingen. Een dagelijkse portie rijst, maar ook soms een lap katoen of wat anders.

Eén soldaat was benoemd tot hospik. Hij werd "Tuan Dokter" genoemd door onze inlandse medewerkers. In werkelijkheid heette hij Hottentot. Zijn voornaam heb ik nooit geweten, door ons werd hij altijd Hottentot genoemd.

Hij is later, toen ik al lang gedemobiliseerd was, nog wel eens bij mij thuis geweest, maar ook toen ben ik zijn voornaam nooit aan de weet gekomen.

Hij verzorgde de kleine verwondingen, die tijdens de werkzaamheden optraden en was onder onze Javaanse medewerkers zeer gezien.

Ik heb een verhaal gehoord over een arbeider met buikpijn, die van hem een aspirientje kreeg waarna de buikpijn over was en hij gewoon verder ging met zijn werk.

Een week later kreeg diezelfde man weer buikpijn en toen stuurde Hottentot hem door naar de dokter in Cianjur. Toen bleek hij blindedarmontsteking te hebben en werd de volgende morgen geopereerd.

Een goeie week later kwam hij weer op zijn werk en bracht een cadeautje mee voor Tuan Dokter.

In Cianjur hadden we een kantine. Onder leiding en vooral met medewerking van Jan van Eijk was die als een soort poollandschap beschilderd, met ijsbergen en witte beren.

Ik weet niet of Jaap Reijngoud toen al kantinebeheerder was.

Kort voor Kerstmis werd er in die kantine een tafeltennis tournooi gehouden, waar ik een prijs won, ik meen de tweede. Het waren drie flessen bessenjenever van het merk Pollen en we hebben die flessen met alle deelnemers ter plekke soldaat gemaakt.

Ik ben er niet dronken van geworden, ik dronk toen nog niet, geen sterke drank tenminste, maar Mink Spaans wel en anderen misschien ook wel.

Begin 1947 verhuisden wij van Cianjur naar Cimahi, waar we tot het begin van de eerste actie zouden blijven.

Cimahi ligt dicht bij Bandung en daar gingen we ook vaak 's avonds uit.

Ook werd er in competitieverband gevoetbald en daar deed kleine Jan natuurlijk aan mee.

Eind mei werd ter gelegenheid van het 200-jarig bestaan van de Genie in Jakarta een voetbaltournooi gehouden waarin ons compagnieselftal tweede werd.

Het diner na afloop vond plaats in de Wilhelminaclub aan wat toen het Koningsplein heette.

Bij binnenkomst kregen we consumptiebonnen uitgereikt waarop je bier en gebak kon krijgen. Wij waren een van de eersten die daar aankwamen, er was nog niets te doen en wij zijn dus weer een poosje naar buiten gegaan.

Toen we opnieuw binnenkwamen kregen we min of meer tot onze verbazing opnieuw consumptiebonnen uitgereikt. Wij hebben die avond lekker gegeten en veel bier gedronken.

De aanvoerder van ons team heette Finus Hertogs maar werd "Pappe" genoemd. Hij was al wat ouder en was timmerman van zijn vak. Hij had in de bouw gewerkt, samen met een maat die als bijnaam "Nathouwe" met zich meedroeg. Ik denk dat die twee samen veel borreltjes hebben gedronken, want Pappe lustte ze nog altijd graag.

Het was wel een heel goede voetballer, die vroeger ook in het Zeeuwse elftal had gespeeld. Maar na afloop van het diner was Pappe zoek. Uiteindelijk hebben we hem gevonden; slapend in de muziektent, die in de tuin van de Wilhelminaclub stond.

Met hem samen speelde ik ook in het elftal van de W-Brigade en van de B-Divisie.

Maar we waren geen soldaat geworden om alleen te voetballen. Op 21 juli 1947 begon de, wat wij de 1-e Politionele Aktie noemden.

We voelden dat al een paar dagen van tevoren aankomen. De atmosfeer was een tikkeltje onrustig. We voelden dat er verandering aan zat te komen en dat het nu menens zou worden.

Ik heb in die dagen gedacht dat ik zou kunnen sneuvelen, ik denk dat ik toen erg bang geweest ben voor wat er komen ging.

In die periode ben ik ook naar een bordeel geweest. Ik had van mijn kameraden al allerlei verhalen gehoord over sex en ook over de ziektes, die je daarbij kon oplopen, maar zelf had ik nog geen ervaring op dat terrein.

Maar op een avond, vlak voor die 1-e Politionele Aktie, ben ik vanuit de militaire kantine op de Braga in Bandung samen met iemand anders, die de weg wist, naar een bordeel geweest en heb daar voor de eerste keer in mijn leven gemeenschap met een meisje gehad.

Ik weet niet meer hoe ze er uit zag, ook niet meer of ik het lekker gevonden heb. Mijn bevrediging lag in het feit dat ik "Dat" dan in mijn leven tenminste een keer beleefd had.

Maar toen ik in 1993 voor de eerste keer weer terug was in Bandung en bij QUEEN ging eten, wist ik: "Hier vlak in de buurt is het toen gebeurd", zoveel indruk had het wel op mij gemaakt.

Van de aktie zelf herinner ik mij weinig. Ik weet dat ik op een bepaald moment in Sumedang terechtgekomen ben, samen met Jan Oele.

Daar onderhield ik gedurende een paar dagen de radioverbinding met de andere onderdelen van onze compagnie en met de 16-e Legergenie compagnie. Bij die laatste compagnie werd ik een paar dagen later gedetacheerd en trok met hun verder, eerst naar Cirebon en later naar Tegal waar we een aantal dagen zijn gebleven.

Onze opdracht was om de kontakten met de veldgenie te onderhouden via regelmatige radio uitzendingen met de verschillende afdelingen.

Onze codenaam was J 2 C. In morse was dat .--- ..--- -.-. . In radio-telefonisch verkeer meldden wij ons met: Hier Janus Twee Cornelis voor Marie Willem Pieter, hier Janus Twee Cornelis voor Marie Willem Pieter, ontvangt u mij?, over.

En dan antwoordde het andere station, met de codenaam Marie Willem Pieter: Hallo Janus Twee Cornelis, hallo Janus Twee Cornelis, ik ontvang u sterkte vijf, over.

Of sterkte vier. Sterkte vijf was luid en duidelijk. Als de verbinding slecht was gingen we over op morse.

Ook als er dingen doorgeseind moesten worden die geheim waren, werden die berichten eerst gecodeerd en daarna in morse verzonden.

We hadden onze zend- en ontvangapparatuur in een kleine vrachtauto gemonteerd, want we moesten ook soms met een afdeling mee als die een bepaalde opdracht hadden.
Onder andere in Pemalang en Pekalongan.

Ergens in Tegal was een benzineopslagplaats en daar gingen we tanken. Elke dag de tank vol en drie jerrycans van 20 liter elk.

Die drie jerrycans verkochten we dan aan een Chinees, die een restaurant had in Tegal, voor ƒ1,-- per liter en een gratis maaltijd.
We gingen dus elke dag uit eten en kregen nog ƒ60,-- toe.

In Cirebon, waar we aan het begin van de aktie twee dagen zijn geweest, kwamen we in een gudang terecht en daar lagen ik weet niet hoeveel sigaretten opgeslagen van het merk Daulat.
We hebben daar een sigaretje opgestoken, maar die dingen waren niet te roken.

In een andere afdeling lagen balen met witte katoen, uniformstof voor de Marine, bleek later. Daar hebben we onze auto mee volgeladen en dat de andere dag geruild met een Chinees voor twaalf Zwitserse horloges.

Op weg naar deze transactie kwamen we onze commandant tegen, de commandant van de 4-e Genie Veld Compagnie. Die stond met z'n jeep in een straat en stak zijn hand op toen hij ons zag aankomen.

Ik zag hem wenken en ik zwaaide dapper terug maar reed wel door want die gestolen lappen katoen lagen in onze auto en het was beter dat hij die niet te zien kreeg.

Later, toen ik mij weer terug kwam melden heeft hij mij daar wel over aangesproken, zo in de geest van: Ik stak mijn hand niet op om je gedag te zwaaien, maar omdat ik je even wilde spreken.
Hij heeft de reden waarom ik doorreed nooit geweten.

Op één van onze tochten met de 16-e Legergenie ben ik ook mijn geweer kwijtgeraakt. In Pemalang of Pekalongan, dat weet ik niet meer. Ik denk dat ik het ergens in een restaurant heb laten staan. Ik heb toen ergens een karabijn gekocht, met patronen erbij, maar ik dorst er niet mee te schieten want volgens mij was de loop een beetje krom.

Hoe lang we precies bij die 16-e Legergenie gedetacheerd zijn geweest weet ik niet meer, maar het feest kon niet eeuwig duren dus op een bepaald moment kwamen we weer terug bij ons eigen onderdeel en heb ik alle mensen van de radio-verbindingsdienst verblijd met een origineel Zwitsers horloge. Eén en ander in overleg met Jan Ribbelink.
Dat geweer wat ik was kwijtgeraakt moest ik betalen. Het werd periodiek van mijn soldij afgehouden.

Dat was geen probleem want we hadden goed geboerd in de achter ons liggende tijd dus ik had geen geldgebrek.

Op 4 augustus 1947 was de eerste aktie afgelopen, maar het werk was nog niet gedaan.

In de periode van 5 augustus tot 10 september was ik in het gebied van Banjumas werkzaam. In het gedenkboek wordt op bldz. 33 ameungpeuk genoemd.

Bij die aktie ben ik ook betrokken geweest. We waren daar met een kleine ploeg mensen. En wij moesten voor onze eigen stroomvoorziening zorgen.

Voor de accu's van mijn radiozender had ik een aggregaat, wat de accu's kon opladen als ze leeg waren.
Dat deed ik bij voorkeur 's nachts. Maar dat ding maakte nogal wat herrie en daardoor konden we niet slapen.

Nu stond er aan de overkant van de weg een gebouwtje leeg. Een soort vergaderlokaal, dacht ik. En van de bewoners van het dorp was niemand te bekennen. Dus had ik het aggregaat in dat gebouwtje geplaatst en daar laadde ik mijn accu's op.

Maar de volgende dag kwam een delegatie van de bewoners naar ons kampement en vertelden dat het gebouw, waar het aggregaat in stond de Moskee was en of we alsjeblieft dat herrie-ding eruit wilden halen.
Dat hebben we gedaan en we hebben die mensen daarna nooit meer gezien.

Tegen het einde van 1947 kwam de hele compagnie weer bij elkaar in Purwokerto en daar ben ik bijna een jaar gelegerd geweest.

Daar heb ik ook examen voor mijn middenstandsdiploma gedaan, in november 1948 om precies te zijn.

Dat was vlak voor het begin van de 2-e Aktie en daarbij werd ik toegevoegd aan de verkenningsgroep onder leiding van Nico van den Broek en mijn radio werd in een gepantserde auto gemonteerd, een foto van de groep met de auto staat op bldz. 47 van het gedenkboek.

In het boek "Soldaat overzee" zit het origineel van die foto plus nog wat andere foto's uit die tijd.

Het was wel een veilig gevoel in zo'n gepantserde auto, maar van boven was ie toch open.
En verkenningsgroep betekende dat je vooraan reed.

Eén gebeurtenis is me heel goed bijgebleven. Dat was toen we het plaatsje Salaman binnenkwamen op weg naar Magelang.

We stopten in het midden van het stadje, op een soortpleintje. Wij met onze gepantserde auto, een Jeep met een infanterie luitenant die van Aardenne heette en die verschrikkelijk hard zwemmen kon, maar daar kwam ik pas later achter. En ook twee trucks met infanterie soldaten.Dat was de hele voorhoede.

Nico v.d. Broek, Verstrepen en Haantje stapten uit. Daisy en ik bleven in de auto. Daisy was soldaat-chauffeur Delies, Verstrepen was sergeant-majoor en springstofexpert en Haantje was soldaat Thomas Haan en ons talenwonder. Hij sprak vloeiend Maleis, Soendanees, Javaans en een beetje Chinees.

Haantje had een Bren-gun, een soort repeteergeweer bij zich. Hij liep een klein stukje naar een huis, waarvan de voordeur dicht was. Voor de ramen zaten houten luiken. Hij richtte zijn Bren op de deur en schoot vervolgens het magazijn leeg, waarbij hij zijn wapen heen en weer zwaaide.

Toen trapte hij de deur open en sprong achteruit. Het was doodstil. En toen kwamen, achter elkaar, een man, een vrouw en drie kinderen naar buiten gekropen.

Ze hadden geen schrammetje. Haantje vroeg of ze wapens hadden. Die hadden ze niet. En of ze wat te eten konden maken. Dat ging de vrouw toen doen terwijl Haantje de man verder ondervroeg op aanwijzing van Nico en de antwoorden vertaalde.

Ik zat ondertussen aan mijn radio en probeerde verbinding te maken met de achter ons zittende hoofdmacht.

Op het pleintje stonden aan de overkant van het huis, waar wij terecht waren gekomen, een stuk of wat infanteristen te praten, vlak voor een huis, waarvan ook ramen en deuren gesloten waren.

Plotseling ging de deur open, kwam een man naar buiten en die probeerde het geweer van één van die soldaten af te pakken. Er ontstond een worsteling maar toen kwamen de andere soldaten in aktie, trokken de twee vechtenden uit elkaar en schoten vervolgens de man, die naar buiten gekomen was, dood.

Toen gooide ze hem in een selokan, die voor langs het huis liep en schoten nog een paar keer op hem, terwijl hij al dood was.

Dat was de eerste en ook de enige keer dat ik iemand heb zien sneuvelen in de strijd en ik heb het nooit vergeten.

Natuurlijk hadden die soldaten gelijk. Eén van hen werd aangevallen en als die man dat geweer te pakken had gekregen had hij ongetwijfeld geprobeerd er Nederlandse soldaten mee dood te schieten, maar het was zo'n ongelijke strijd, waarbij winnaar en verliezer tevoren vaststonden.

Ik had intussen radiocontact met de hoofdmacht gehad en gemeld dat er geen noemenswaardige tegenstand was en dat het republikeinse leger in de richting Magelang was gevlucht.

Een uur later kwam de hoofdmacht en nog een uur later zijn we doorgereden naar Magalang.

Dat was ook geheel verlaten en erg veel huizen en gebouwen stonden in brand.

Nadat we in Magelang de nacht hadden doorgebracht ben ik in Salatiga terecht gekomen en hoewel ons onderdeel daar nog vrij veel werk heeft gehad aan het openhouden van de weg naar Solo was er voor mij als radioman eigenlijk nog maar weinig te doen.

Ik had wel elke dag verbinding met Purwokerto en dat was erg plezierig, want er waren burgermensen in Salatiga, de familie Winia en die hadden weer familie in Purwokerto.

Reizen was in die tijd voot burgers nog niet aan de orde en ook de reguliere postverbinding werkte niet of nauwelijks. Maar wij konden berichten opvangen en ook uitzenden en dat deden we dan ook.

We moesten wel oppassen dat we niet uitgeluisterd werden, maar wij hadden daar onze eigen code voor bedacht en we zijn dan ook nooit gesnapt.

Wel heb ik vaak lekker gegeten bij de familie Winia. En natuurlijk was er weer tijd om te voetballen. Dat heb ik trouwens ook in Purwokerto uitgebreid gedaan.

En ook tafeltennis en badminton. Sport heeft in mijn leven altijd een belangrijke plaats ingenomen.

In Salatiga was ook een restaurantje, aan de wat tegenwoordig Jl. Diponegoro heet. Het werd gerund door Steef en Nicolien Groeneveld.

Steef had een zusje die Emmy heette en daar werd ik verliefd op. Haar ouders woonde op Candi Baru, een wijk tussen de Gombel en Semarang. Ze hadden daar ook een restaurant.

In 1995 ben ik op zoek gegaan of er nog iets van terug te vinden was. Het huis stond er nog, maar was zo te zien onbewoond. Er naast woonde een zekere meneer Pasariboe. Bij hem ben ik binnengeweest en zijn zuster herinnerde zich dat daar, heel lang geleden, een restaurant was geweest. Zij herinnerde zich ook de naam Groeneveld, maar niet waar die mensen naartoe waren gegaan.

Het is met die Emmy ook nooit echt iets geworden, maar ik was wel verliefd op haar. Mams Winia noemde haar Miss Oorbel.

Later bleek dat ze nog een paar vriendjes meer had. Eind juni 1949 vertrokken wij uit Salatiga naar Semarang, waar wij in Jating Aleh gelegerd werden in afwachting van onze terugkeer naar Nederland.

Maar toen wij op 27 juli vanuit Semarang naar Jakarta vertrokken moesten Pappe en ik achterblijven, want er was een Divisie Genie Voetbal Tournooi aan de gang en de zondag volgend op ons vertrek uit Semarang zou de finale gespeeld worden, waarin wij in het elftal van de B-Divisie opgesteld stonden.

Wij wonnen die finale met 1-0 en kregen door de Divisie Commandant het zilveren Bailey Paneel uitgereikt.

Jaren later, bij een reünie van de 4-e Genie Veld Genie in Vught, zag ik dat ding in het Genie-Museum staan. Leuk was dat. Na die gewonnen finale en het feest daarna moesten we een paar dagen later met de trein naar Jakarta en vandaar naar het kampement waar de rest van de compagnie gelegerd was.

En toen gingen we naar huis. Met de Waterman. Op 11 augusten 1949 vertrokken we uit Tandjung Priok en op 9 september kwamen we in Rotterdam aan.

Ik herinner mij dat ik een brok in mijn keel had toen wij over de Nieuwe Waterweg voeren en de mensen langs de kant zagen staan zwaaien naar de mannen, die jaren van huis waren geweest en nu terugkeerden.

Met een autobus werd ik van Rotterdam naar Amsterdam vervoerd en afgeleverd in de Marco Polostraat, waar mijn moeder nog steeds woonde.

Wij kregen 6 weken verlof met vrij reizen door geheel Nederland en toen dat achter de rug was moest er aan en nieuwe toekomst gewerkt gaan worden.

Ik was 23 jaar, gezond en sterk, had 6 jaar lagere school gehad en was nooit blijven zitten. Had ook het 7-e en 8-e leerjaar voltooid en had bij drie verschillende bazen gewerkt. Maar kende eigenlijk niets.

Ja, ik had mijn middenstandsdiploma gehaald en doordat ik lang met Patsy had gecorrespondeerd sprak en schreef ik een beetje Engels.

Ik had ook een schriftelijke cursus Frans gedaan, maar daar was niet veel van terechtgekomen. Maar ik was vol goede moed en bij mijn eerste baas werd de basis gelegd voor mijn verdere carrière.

Het huwelijk van mijn ouders was niet gelukkig. Mijn moeder was beter opgeleid dan mijn vader, maar ik geloof niet dat dit een rol gespeeld heeft.

Ook het feit dat mijn vader niet katholiek was heeft daar weinig mee te maken gehad. Ze waren qua karakter erg verschillend. Mijn moeder was berekenend en mijn vader spontaan; ik denk dat ik ze zo het beste kan omschrijven. En dat houdt geen waardeoordeel in. Ik hield van mijn moeder en ook van mijn vader.

Mijn vader was gulhartig. Hij ging graag na zijn werk een glaasje bier of een borreltje drinken en soms dronk hij wel eens een beetje te veel. Maar vaak, als hij dan thuis kwam, bracht hij wat lekkers mee en dan werden mijn zus en ik uit bed gehaald om mee te smullen.

Moeder was daar nooit echt blij mee. Ze vond dat het geld, dat mijn vader in het café besteedde, beter in het huishouden gebruikt kon worden en daar was vaak ruzie over.

Ook had mijn vader een andere vrouw. Hij hield het met een ander, zei mijn moeder. Ze wist ook wie het was en waar ze woonde. Daar was ook vaak ruzie over.

Maar in de oorlog, van 1940 tot 1945 en dan vooral op het laatst heeft mijn vader altijd gezorgd dat er eten was.

Die ruzies hebben altijd erg veel indruk op mij gemaakt en toen al heb ik mij voorgenomen om er later, als ik groot zou zijn, er niet zo'n snertfilm van te maken als mijn ouders gedaan hadden.

Op 2 mei 1946 zijn mijn ouders van elkaar gescheiden. Ik was toen net in militaire dienst. En toen ik eruit kwam woonde mijn moeder op het oude adres in de Marco Polostraat en mijn vader woonde met die andere vrouw samen in de Schimmelstraat, een straat die nu niet meer bestaat, maar die Fred zich nog wel herinneren kan.

Na de scheiding had mijn moeder een deel van de woning verhuurd. Mijn nicht Mirjam was getrouwd met een Indonesische man die bij de Koninklijke Marine had gediend als stoker-olieman. Zijn naam was Fannie, tenminste, zo werd hij genoemd. Zijn achternaam was Rosidi. Ze hadden een zoontje die Ron heette en ze woonden bij mijn moeder in huis.

En ook een nichtje van mijn vriend Max Boonstra had bij mijn moeder een kamer gehuurd, maar zij moest ergens anders naartoe toen ik weer thuis kwam.

Ze had een andere kamer gehuurd in de Orteliusstraat. Haar naam was Margaretha Johanna Meijs. Greet.

Toen ik op 9 september 1949 door die autobus in de Marco Polostraat werd afgeleverd stond mijn moeder beneden aan de deur op mij te wachten met mijn zus en boven waren Mirjam en Ron, André, het zoontje van mijn zus en Greet.

Die avond kwamen allerlei mensen op bezoek en aan het eind van de avond bracht ik Greet naar de Orteliusstraat.. We spraken met elkaar af dat zij met me mee zou gaan als ik burgerkleren ging kopen.

Van het één kwam het ander en binnen de kortste keren was ze zwanger en dus was de consequentie dat we gingen trouwen. Dat deden we op 4 januari 1950. Met het vaste voornemen er niet zo'n snertfilm van te maken als mijn ouders hadden gedaan.

Maar we waren bij mijn eerste baas gebleven. In de zes weken verlof die ik had gekregen moest natuurlijk ook gesolliciteerd worden.

Ik kon bij twee bedrijven in dienst treden. De eerste firma heette Numerofa en maakte stempels. De tweede was Almara en maakte medische apparaten.

Het werd Almara en het salaris waarmee ik begon bedroeg ƒ 39,75 per week. Op maandag 24 oktober ben ik daar begonnen.

Ik zei het al; ik kende eigenlijk niets, maar ik wilde graag van alles leren en als ik iets niet wist of begreep dan vroeg ik het aan een collega, waarvan ik veronderstelde dat hij het wel wist.

Daardoor heb ik in korte tijd een heleboel dingen geleerd. Ik wist bijvoorbeeld niet hoe je een lasbrander moest aansteken.

Daar kwamen twee stalen cylinders aan te pas. De ene was gevuld met zuurstof en de ander met acetyleengas. Aan de brander zaten twee slangen, die naar beide cylinders leidden. Met twee kraantjes aan de brander kon je de zuurstof- en acetyleentoevoer regelen.

Als je dat goed deed kon je met een aansteker de brander aansteken. Ik had dat wel een paar keer gezien, maar toen ik op een bepaald moment de opdracht kreeg om met een snijbrander platen ijzer te gaan snijden heb ik voor alle zekerheid maar bij een collega gevraagd of ik alles goed voorbereid had en of hij me even op weg wilde helpen.

Dat deed die collega en zo werd ik elke keer een beetje wijzer. Eén van die collegae was metaaldraaier. Hij heette Gerard Schuckmann en had zijn gezeldiploma al op zak. Hij was aan het leren voor zijn meesterdiploma. Hij heeft mij de beginselen van het metaaldraaien bijgebracht. Met hem was ik van alle collega's het meest bevriend.

Tussen de middag hadden we een uur pauze. We brachten allebei van huis een pakje brood mee, wat we dan tussen de middag opaten. Als het mooi weer was liepen we de Lijnbaansgracht af en gingen dan naar de Nassaukade, waar we op een bankje ons brood aten en ondertussen filosofeerden over de toekomst.

We keken ook naar auto's die voorbijreden en hadden ze onderverdeeld in twee klassen. Auto's van gewone mensen en auto's van rijke stinkerds.

Op een dag hebben we op dat bankje besloten dat wij zouden trachten tot de categorie der rijke stinkerds te gaan behoren en om dat doel te bereiken zouden we moeten studeren.

Gerard wist dat er een opleiding bestond voor leerkrachten bij het Nijverheidsonderwijs, de zogenaamde Akte-opleiding.

Maar om toegelaten te worden moest je V M T O hebben, voorbereiding middelbaar technisch onderwijs. En dat hadden we niet. Die opleiding duurde 2 jaar, maar wij besloten om dat in één jaar te halen.

We hadden ook bedacht dat ALMARA niet het bedrijf was waar we in verband met onze plannen veel verder zouden komen dus waren we weer driftig aan het solliciteren.

Ik kon bij Fokker komen, in de gereedschapmakerij. Ik had bedongen dat, als ik V M T O in één jaar zou halen, ik op de tekenkamer geplaatst zou worden.

Dus nam ik ontslag bij ALMARA en ging naar Fokker. Elke dag 12 km. op de fiets naar Schiphol-Oost, weer of geen weer.

We haalden allebei dat examen met glans en direct na het examen meldden wij ons aan voor de leraren opleiding.

En ik ging, met mijn cijferlijst naar de afdeling Peroneelszaken.
Maar er was op dat moment geen vacature op de tekenkamer dus moest ik maar in de gereedschapmakerij blijven werken, zei de personeelschef.

Toen heb ik ontslag genomen en ben bij de Nederlandse Snelpersenfabriek Mercedes gaan werken. Eerst in de gereedschapmakerij, maar na het eerste jaar van mijn leraren opleiding op de tekenkamer , waar ene Christian Dexheimer het voor het zeggen had.

Het was inmiddels 1954 geworden en behalve dat ik 48 uur per week moest werken moest ik ook nog 3 avonden per week naar school. Naar de leraren opleiding. Samen met Gerard Schuckmann.

Op zaterdagavond maakten we altijd ons huiswerk. Daar waren we bij de V M T O-opleiding al mee begonnen en dat hebben we jaren volgehouden. Totdat wij gingen verhuizen naar de Schalkburgerstraat. De ene week bij hem thuis en de week daarop bij ons in de Marco Polostraat.

Gerard was getrouwd met Jo Lefèbre en ze hadden een zoontje die Ronnie heette. Greet bleek Jo te kennen van het atelier waar zij gewerkt had.

Die zaterdagavonden waren best gezellig. Voor dat we begonnen te werken werd eerst koffie gedronken, daarna gingen Gerard en ik aan de gang met ons huiswerk. Om negen uur werd het werk onderbroken voor een radioprogramma dat "Negen heit de klok" heette. Als dat afgelopen was gingen we verder tot we klaar waren met ons werk, dronken dan nog een borreltje en dan gingen zij of wij naar huis.

Gerard en Jo woonden in de Orteliusstraat, vlak bij de Postjesweg, ongeveer 10 minuten lopen van ons huis.

Nog even terug naar begin vorig jaar. Op 31 januari 1953, nog in de V M T O-tijd, werd er bij ons thuis gehuiswerkt. In de loop van de avond ging het steeds harder waaien. We hadden die avond veel huiswerk en toe we klaar waren stormde het zo hard dat het niet verantwoord was om Ronnie mee naar huis te nemen.

Die is toen bij ons blijven slapen. In die nacht zijn de dijken in Zeeland doorgebroken en zijn heel veel mensen verdronken. Wel 1500 en het grootste gedeelte van Zeeland stond onder water.

In diezelfde nacht werd het jongste zusje van Greet geboren, die Marjo werd genoemd.

De daarop volgende morgen vertelde Gerard dat hij Jo, op weg naar huis, voortdurend had moeten vasthouden, anders werd ze gewoon weggeblazen door de Noordwesterstorm.

Goed, ik werkte dus bij Mercedes in Amsterdam-Noord, aan de Distelweg 84 en na een tijdje op de tekenkamer. Samen met twee collega's, Paul Luttger en Cor Kamerling. Later kwam daar mijnheer van der Vliet bij. Mijnheer van der Vliet was al oud en een gepensioneerde constructeur die, geloof ik, bij Stork had gewerkt.
Ik heb van die drie mannen erg veel geleerd.

Van tekenen had ik ook niet veel verstand, maar op school was al gebleken dat ik goed was in wiskunde en ook in mechanica haalde ik goede cijfers.

Ook bleek in handig in het uitvinden van dingen die de fabrikage van onderdelen vereenvoudigde.

Mercedes maakt drukpersen. De fabriek bestaat al lang niet meer. Het was ook een beetje een rare fabriek.

Na de tweede Wereldoorlog was Chris Dexheimer met een pakket tekeningen van een drukmachine uit Duitsland gevlucht en was in contact gekomen met ene Willem van der Wal, die in de oorlog boekhouder was bij IJzergieterij Broekman.

Die fabriek ging failliet omdat ze geen orders kregen. Het verhaal deed de ronde dat Willem v.d. Wal die orders ergens anders plaatste zonder dat Broekman daar weet van had. Toen de zaak failliet was nam Willem de voor een prikje de hele zaak over en hield toen de orders in eigen bedrijf.

Toen nu Chris Dexheimer met dat pakket tekeningen bij de firma Broekman kwam zag Willem er wel brood in. Hij richtte een nieuwe fabriek op, zijn zoon Willem junior werd directeur van die fabriek en Chris Dexheimer bedrijfsleider.

De tekeningen, die Dexheimer had meegebracht, had hij gevonden in een fabriek, die gebombardeerd was. Hij was er in elk geval niet helemaal eerlijk aangekomen.

Er zijn ook verschillende processen geweest met een firma Glöckner uit Duitsland maar ik geloof dat ze niets konden bewijzen of dat de patenten verlopen waren.

Er werden in elk geval veel van die zogenaamde snelpersen gemaakt en over de hele wereld verkocht.

Op 4 oktober 1956 werd Linda geboren.

En op een goede dag kregen we er ook weer een nieuwe collega bij. Kurt Schwan, een Duitser, die in de mijnbouw had gewerkt.

Paul Luttger was toen al weg. Die was bij een firma in India gaan werken. Printers House, heette die firma.

Kurt Schwan begon aan een nieuw project, een offset-drukmachine. Ook hiervoor was het ontwerp van een andere fabriek gekomen, uit Frankrijk.

Daar zijn ook processen over geweest en ik geloof niet dat die offset machine ooit in productie is gekomen.

Eind 1957 kwam er een recessie en begin 1958 werd tegen mij gezegd dat ik naar ander werk moest uitkijken.

In mei 1958 kreeg ik te horen dat er bij Brandt Motor Producten een plaats voor mij was als tekenaar-constructeur. Ik ben daar toen op bezoek geweest om over de voorwaarden te praten en op 9 mei 1958 ben ik daar begonnen.

De dag daarvoor was ik getuige geweest bij het huwelijk van Jan Meijs en Bep Bischof. Jan was de jongste broer van Greet.

Bij Brandt heb ik ruim 15 jaar gewerkt en enorm veel geleerd. Geleerd hoe dingen wel moesten maar ook hoe ze niet moesten.

Brandt was ook na de tweede Wereldoorlog voor zichzelf begonnen. In zuigers en cylindervoeringen. Dat zijn onderdelen die in verbrandings motoren gebruikt worden.

Vlak na de oorlog was er gebrek aan alles, dus ook daaraan. Vroeger werden die dingen in Duitsland gemaakt, maar Duitsland was in het laatst van de oorlog vrijwel geheel plat gebombardeerd en het zou jaren duren voor Duitsland zich weer zou oprichten.

Maar in 1958 was dat proces al begonnen en met name de zuigers en de voeringen werden in Duitsland goedkoper gemaakt dan bij Brandt.
Bovendien had Duitsland van oudsher goede contacten met Zuid-Amerika dus viel die markt voor Brandt weg.

Maar er bleef nog genoeg over. Voor scheepsdieselmotoren bleef Brandt in de markt. Daarnaast begon hij zich te bewegen op de toeleveringsmarkt, het maken van nauwkeurige onderdelen voor andere bedrijven.

Toen ik er begon werkte er ook nog een mijnheer Winthouwer, wiens vader het bedrijf rond 1900 had opgericht. Winthouwer had twee zonen, maar die waren niet in het bedrijf geïnteresseerd en toen hij na de oorlog moest besluiten om verder te gaan en veel geld te investeren in nieuwe machines of de zaak te verkopen besloot hij het laatste te doen.

Hij verkocht de zaak aan Brandt en bleef er nog een tijdje als constructeur werken. Hij was ook een heel pientere man die geweldig leuk kon vertellen.

Het bedrijf stond midden in de Jordaan in Amsterdam en hij was al voor de eerste Wereldoorlog van 1914 tot 1918 bij zijn vader in het bedrijf gekomen en had veel meegemaakt in de Jordaan van toen. Wist daar ook, zoals gezegd, heel leuk over te vertellen.
Chris Brandt wist alles van verbrandingsmotoren.

Ik denk dat mijn periode daar van cruciale betekenis is geweest voor mijn verdere ontwikkeling.

Drie mannen hebben eigenlijk een heel belangrijke rol gespeeld in het proces van mijn ontwikkeling. Gerard Schuckmann, Christian Dexheimer en Christiaan Hendrik Brandt.

Gerard gaf de aanzet tot het 's avonds studeren en ik denk dat we elkaar gestimuleerd hebben..

Jammer genoeg ben ik hem later uit het oog verloren, ik weet niet of hij nu nog leeft. Van ALMARA is hij naar SHELL gegaan. Eerst naar Curaçao, waar hij leraar aan de bedrijfsschool is geweest. Later is hij, nog steeds voor SHELL, naar Noorwegen gegaan. Daar heeft Jo ooit nog eens een brief aan ons geschreven. Daarin stond dat ze intussen nog een dochter hadden gekregen, dat ze haar rijbewijs had gehaald en dat het ze goed ging. Daarna niets meer.

Chris Dexheimer was een zeer speciaal geval. In eerste instantie wilde hij helemaal niet dat ik op de tekenkamer kwam. Waarom weet ik niet. Wel weet dat Willem junior gezegd heeft dat ik daar geplaatst moest worden en hij was de baas.

Toen ik daar werkte zijn we ook nooit echt vrienden geworden, dat gebeurde pas later, toen ik allang bij Brandt werkte en hij door Mercedes aan de kant was gezet, nadat hij een hartaanval had gekregen. Ik kom hier later nog op terug.

Ik werkte dus overdag bij Brandt Motor Producten en 's avonds studeerde ik. Drie avonden in de week naar school, op de fiets van de Marco Polostraat naar de Nieuwe Vaart, waar die Akte-opleiding werd gegeven.

In die periode werden ook de eerst signalen over Greet haar wankele gezondheid opgevangen. Ik besloot op een bepaald moment naar Nieuw Zeeland te emigreren. We waren al vrij ver gevorderd met de voorbereidingen.

Maar toe de medische keuring kwam bleek Greet een ruis bij haar hart te hebben en werden we niet toegelaten. Een poosje later kreeg ze een miskraam, we waren toen al uit de Marco Polostraat verhuisd naar de Schalkburgerstraat in Amsterdam-Oost.

Daarna kreeg ze een ontsteking aan de eierstokken. Daarvoor werd ze in het ziekenhuis opgenomen. Nadat ze weer was thuisgekomen werd het van lieverlee erger.

Ik was intussen in het bezit van een auto, een Goliath. Daarmee gingen we op zon- en feestdagen uit, met de kinderen en vaak ging ons buurjongetje, Hannie Tak, met ons mee.

In die tijd werd er op zaterdagmorgen ook nog gewerkt dus had je alleen maar op zondag vrij. Zaterdagmiddag gingen we boodschappen doen.

Ik kreeg het druk. Mijn werk, mijn studie en mijn huisgezin vroegen steeds meer energie. Wel was het zo dat mijn salaris regelmatig omhoog ging, zodat we ons ook steeds meer konden veroorloven.

Brandt Motor Producten schakelde om van de productie van zuigers en cylindervoeringen naar meer algemene machinebouw en dan die zaken die grote precisie vereisten.

Ik werd naar cursussen gestuurd op het gebied van kunststoffen, later van automatisering en nog later van besturingstechniek.

Het leuke was dat wat ik op de cursussen leerde, op mijn werk in de praktijk kon brengen. We waren namelijk ook begonnen matrijzen voor kunststofproducten te maken.

De klanten kwamen dan met een bepaald product en vroegen of dat in de een of andere kunststof gemaakt kon worden. Ik werd dan ook bij de besprekingen betrokken en na enige tijd kon ik zelf ook adviezen geven.

Ook maakten we installaties om montagewerk te automatiseren en die moesten we ook vaak zelf bedenken.

Toen ik er in 1958 kwam werken, waren er 7 mensen in dienst en toen ik er in 1973 vandaan ging werkten er ruim 60. En ik had die hele ontwikkeling niet alleen meegemaakt, ik was er ook zeer nadrukkelijk bij betrokken geweest.

In de beginperiode heeft Brandt mij eens bij zich geroepen en mij gezegd: "Mijnheer Coers, ik wil niet dat u zich opsluit in een ivoren toren. Ik wil dat u elke morgen naar beneden gaat, de werkplaats door en de medewerkers goedemorgen wenst. Dat u vraagt of zij problemen hebben met het werk of in de huiselijke kring."

Dat heb ik daarna gedaan en het heeft mijn leven erg verrrijkt. Ik heb er van geleerd respect te hebben voor mijn collega's. Het heeft er ook toe geleid dat het begrip samenwerking een veel bredere betekenis kreeg.

Brandt kende veel mensen en vaak kwamen er mensen op bezoek, die rondgeleid moesten worden door de fabriek met uitleg over de verschillende machines en de mogelijkheden daarvan. Vooral aan potentiële klanten. Dat werd ook een deel van mijn taak.

Er is nog een schilderijtje, wat ik als blijk van waardering na zo'n rondleiding heb toegestuurd gekregen, achterop staat van wie. Het is eeen Italiaans aandoend werkje, in pastel gekleurd.

Toen ik dus in 1973 bij Brandt vandaan ging was ik niet langer de man die eigenlijk niets kende of kon, maar een man die vele facetten van het bedrijfsleven had leren kennen, daar een goed salaris in verdiende en er bovendien erg veel plezier in had.

Waarom ben je daar dan vandaan gegaan, zul je wellicht vragen. Dat kwam zo. Bij Brandt kreeg ik ook, naast mijn salaris, tantième uitbetaald. Dat was in de loop der jaren opgelopen tot zo'n 3½ maandsalaris en het werd altijd vlak voor Kerstmis uitbetaald.

Nu was 1972 niet zo'n erg goed jaar geweest, maar dat was niet mijn schuld, integendeel; bij een grote order van Philips had ik de firma behoed voor een groot verlies door een systeem te introduceren waardoor afkeur tijdens de productie geminimaliseerd werd.

Bovendien had ik een aantal winstgevende projecten mogen begeleiden. Daar zijn door Martin Vlastra, die het intussen tot adjuct directeur had geschopt, zeer lovende woorden over gesproken waarna hij me vertelde dat ik voor dat jaar 2½ maand tantième kreeg.

Ik heb hem toen verteld dat dit het duurste compliment was dat ik ooit in mijn leven had gekregen. Verder heb ik mijn mond dicht gehouden. Ik had al geleerd dat in dergelijke situaties beter gezwegen kan worden.

Maar ik was wel boos. Nu hadden we bij Brandt ook een klant en dat was de firma Loctite, een fabrikant van industriële lijm. Dat bedrijf was gevestigd in Amsterdam Buitenveldert, aan de Arent Janszoon Ernststraat.

En wij waren in 1963 verhuisd van de Schalkburgerstraat naar een nieuwe flat in Buitenveldert, aan een zijstraat van de A.J. Ernststraat.

De chef constructeur bij Loctite heette Bert Sonneborn. Wij werkten veel samen op technisch gebied. Vaak was hij 's avonds nog aan het werk en als ik dan langs liep ging ik even naar binnen en werkte dan mee aan de oplossing van het een of andere probleem. Con amore. Maar het was leuk om te doen.

De broer van Bert, Ad werkte ook bij Loctite en nog meer mensen natuurlijk. Ook had ik veel contact met ene Lex Eichelsheim, die daar ook in de technische staf zat.

Op zekere dag echter waren Bert, Ad en Lex vertrokken bij Loctite. Navraag leerde dat ze alle drie waren vertrokken naar een Amerikaans bedrijf in het Oosten van Nederland.

Mijn zuster Tiny en mijn zwager Tom waren een aantal jaren eerder verhuisd naar Almelo en ik had in die tijd een goed contact met hen.

De jaarwisseling 1972-1973 vierden wij bij hun in Almelo en bij die gelegenheid heb ik in het telefoonboek Bert Sonneborn gevonden. Ik heb toen zijn adres en telefoonnummer opgeschreven. Ben toen in 1973 weer gewoon bij Brandt aan het werk gegaan, maar dacht toch van tijd tot tijd aan die maand tantième die ik minder had gekregen dan het jaar ervoor.

Toen heb ik op een avond in februari Bert Sonneborn opgebeld. Zo maar, om eens te vragen hoe het ging en hoe het werk daar beviel. Hij nodigde mij uit om eens een keertje langs te komen om een beetje bij te praten.

En zo ben ik op een zaterdag in maart in mijn auto gestapt en ben naar Oldenzaal gereden. Bert woonde toen in de Corwinstraat. Op een zeker moment vroeg hij of ik zin had om het bedrijf te zien. Nou dat had ik wel zijn we naar Power Packer gereden en hebben daar een poosje rond gekeken.

En toen kwam op die zaterdagmiddag Piet Buijs binnen, dat was de directeur. Na de kennismaking gingen in zijn kantoor een kopje koffie drinken en nog een beetje verder praten.

Toen vroeg hij of ik geen zin had om bij Power Packer te komen werken. Dat was het begin van de onderhandelingen, het was nog al wat, ik werkte bijna 15 jaar bij Brandt. Maar na lang wikken en wegen besloot ik toch de overstap te maken en op 31 mei van het jaar 1973 bood ik mijn ontslag aan, hetgeen wel een schok veroorzaakte.

Ik was intussen chef constructeur geworden en had een tekenaar en een leerling onder mijn hoede. Ook gebeurde het vaak dat ik aan het eind van de werkdag, Brandt in mijn auto weg bracht. Naar de Churchilllaan of naar een of ander hotel of restaurant, waar hij een afspraak had.

Zelf mocht hij geen auto meer besturen omdat hij een aantal keren dronken achter het stuur had gezeten, maar dat is een heel ander verhaal, waar ik later misschien nog wel op terug kom.

Doordat ik zo lang bij Brandt had gewerkt had ik een vrij lange opzegtermijn. Dat was wel nodig ook want er moesten veel dingen overgedragen worden en dat kostte nogal wat tijd.

Op 1 september 1973 begon ik mijn werk bij Power Packer en ging ik op zoek naar een huis in Oldenzaal. Dat stond in de Jhr. van Coeverdenstraat nr. 34, het huis waar ik nu al meer dan 25 jaar woon.

De gezondheid van Greet was er in die tijd niet op vooruit gegaan. Ze was onder behandeling van een cardioloog in Amsterdam, iemend waar ze erg veel vertrouwen in stelde.

Alleen het roken kon ze niet laten. In 1964, toen we nog maar net in Buitenveldert woonden werd ze heel erg ziek. De huisdokter stelde voor om een specialist te consulteren en die kwam 's middags bij ons thuis. Hij had een draagbaar apparaat bij zich, waarmee hij een cardiogram maakte en dat wees uit dat haar hart niet goed functioneerde en dat roken wel het aller slechtste was wat ze kon doen.

Toen hij bij ons wegging hielp ik hem met het dragen van zijn apparatuur naar de auto en zei hij tegen mij: "Mijnheer Coers, ik mag u niet verhelen dat de toestand van uw vrouw zeer ernstig is." Dat zei hij letterlijk en toen ik terug in huis kwam lag Greet in de kamer op bed een cigaretje te roken, samen met haar zuster Stien, die op bezoek was.

Diezelfde avond kreeg ze pijn, ze gilde het uit. Na wat de dokter mij 's middags had gezegd dacht ik: Dit is het einde. Ik heb toen de cardioloog weer gebeld. Die kwam en pakte onmiddellijk de telefoon en regelde een spoedopname in het ziekenhuis.

Ze is toen niet doodgegaan maar het heeft weinig gescheeld. Toen ze uit het ziekenhuis thuiskwam kreeg ze een lijst met beperkingen mee.

Zwaar werk mocht ze niet meer doen, niet boven haar hoofd reiken. Stof afnemen mocht wel maar daar had ze een hekel aan. Werken aan de naaimachine mocht ook en dat deed ze graag en erg goed ook.

Ze had op dat atelier waar ze werkte een opleiding tot coupeuse gehad en was erg creatief in het maken van kleren. De rotzooi, die ze maakte mocht pappa Jan opruimen, maar dat deed ik graag.

Om haar te helpen was ik met roken opgehouden maar dat hielp geen fluit. Zij rookte vrolijk voort. En dat vrolijk meen ik letterlijk. Want ze was nooit chagrijnig en als er bezoek kwam was ze gelukkig.

In december 1973 zijn we van Amsterdam naar Oldenzaal verhuisd. Ik had nog wel mijn flat in Amsterdam aangehouden voor het geval dat het ons niet zou bevallen. Ik had die flat verhuurd aan een man, die er met z'n Finse vriendin in ging wonen, maar na een jaar wist ik wel dat ik hier zou willen blijven.

Ik had in mei 1974 ons huis in Oldenzaal van de woningbouwvereniging gekocht.

Het werk bij Power packer was wel heel anders dan bij Brandt maar ik had een grote mate van vrijheid en mocht naar hartelust experimenteren met nieuwe productie-technieken.

Toch waren er dingen die niet helemaal naar mijn zin gingen. Zo hield de directeur er meningen op na, die niet helemaal, of liever helemaal niet, strookten met mijn ideeën over bepaalde dingen.

Dat werd zo erg dat ik er 's nachts niet van kon slapen en ik raakte in gewetensnood. Er werd van mij verwacht dat ik toeleveranciers tegen elkaar zou uitspelen om op die manier lagere prijzen, voor de onderdelen die ze voor ons maakten, te bedingen.

Na krap twee jaar barstte de bom en werd ik naar huis gestuurd met de boodschap dat voor mij ontslag aangevraagd zou worden.

Ik moest toen formeel protesteren om voor een uitkering in aanmerking te komen en dat heb ik toen gedaan. Ook heb ik gevraagd mij als zelfstandig constructeur te mogen vestigen met voorlopig behoud van uitkering. Nou dat mocht.

Ontslag werd voor mij door Power Packer aangevraagd op grond van onbekwaamheid en toen die procedure nog liep kreeg ik van Power Packer het verzoek om een offerte te maken voor het ontwerpen van een systeem om bepaalde onderdelen te bewerken.

Ik kreeg die opdracht en meldde dit aan de directeur van het arbeidsbureau. Als u het protest tegen uw ontslag staande houdt is dat voor u een gewonnen zaak, zei deze.

Maar daar had ik geen zin in want de verhoudingen tussen Power Packer en mij waren dermate verstoord dat daar toch niets goeds uit zou kunnen voortkomen.

Dus werkte ik thuis aan opdrachte die ik van vroegere toeleveranciers kreeg totdat in het vakblaadje een advertentie stond waarin UCN een medewerker voor de afdeling Quality Assurance zochten.

Op die advertentie heb ik gereageerd met de mededeling dat mijn leeftijd weliswaar 49 jaar was, maar dat mijn enthousiasme bij 30 jaar was blijven steken.
Op grond van die opmerking in mijn sollicitatiebrief ben ik daar aangenomen.

Op 1 juni 1976, vier dagen voor mijn 50-ste verjaardag begon ik mijn werkzaamheden bij UCN en dat heb ik precies 15 jaar, tot aan mijn pensionering volgehouden en er is nooit iets van onbekwaamheid gebleken. Ik heb daar, 15 jaar lang, met heel veel plezier gewerkt.

Ik had op school nooit Duits geleerd dus ben ik naar de Volkshochschule in Gronau gegaan voor een cursus Duits en die werd in Losser gegeven.
Ik ging derhalve op 50-jarige leeftijd weer naar school.

Ook werd ik gevraagd voorzitter van de personeelsvereniging te worden en dat heb ik 5 jaar lang gedaan.

Thuis ging de toestand van Greet gestadig achteruit en in december 1978 werd ze in Amsterdam geopereerd. Twee nieuwe hartkleppen en een bypass.

Toen ze van de intensive care afkwam bleek ze een virus-infectie te hebben waardoor revalidatie eerst uitgesteld werd en later afgeblazen.

Ze had er zelf ook niet zo'n zin in. Rond Kerstmis 1978 werd ze van Amsterdam overgebracht naar Enschede, waar ze tot maart 1979 in Ziekenzorg heeft gelegen.

Toen ze thuiskwam kreeg ze van de buurtbewoners een fiets, maar ze wilde niet fietsen. Ze wilde eigenlijk niks. Ze was zo lang ziek geweest en nu was ze geopereerd en voelde zich nog steeds ziek. Maar ze rookte wel stevig door. Drinken deed ze niet of nauwelijks, een glaasje sprite met een beetje bier erin. Sneeuwwitje, noemde ze dat.

Koken en naaien was het enige wat haar nog interesseerde. Toch had ze in het jaar voor haar operatie nog vrij veel moeite gedaan om mijn moeder vanuit Amsterdam in een bejaardenhuis geplaatst te krijgen.

Door haar ziekte kende ze vrij veel mensen uit de wereld van medische- en sociale voorzieningen. Die mensen heeft ze via de telefoon benaderd en ook wel bezocht.

Uiteindelijk heeft ze voor elkaar gekregen dat mijn moeder in het bejaardenhuis Ootmarsum geplaatst kon worden, op kamer 208 waar Tutik en Maria haar in 1996 hebben leren kennen.

Maar nu eerst weer terug naar 1979. Bij UCN was ik de deskundige op het gebied van Spinelliseren geworden.

Dat kwam zo. Toen ik op 1 juni 1976 met mijn werk daar begon was er net een nieuwe installatie in gebruik genomen om metaal van een speciale oxidelaag te voorzien, waardoor het resistent werd tegen de invloed van UF6, dat is uraanhexafluoride.

Die spineloven, zo heette dat ding, vertoonde allerlei kuren en kinderziektes. Uit jouw papieren blijkt dat jij een goede troubleshooter bent, zei Gerard Vaes, mijn baas bij QA tegen me. Dus los jij die problemen met de spineloven maar op.

Ik moest terugdenken aan de tijd toen ik na mijn militaire dienst bij ALMARA begon. Ik had wel eens van maraging staal gehoord, dat is een heel speciaal gelegeerd staal met een heel hoge sterkte, maar van spinel had ik nog nooit gehoord.

Maar er was documentatie dus toog ik aan het werk en na een poosje hadden we de installatie en het proces goed onder controle.

Ik vertelde al dat ik voorzitter van de personeelsvereniging was gworden. Niet omdat ik zo graag wilde, maar omdat de zittende voorzitter er mee op wilde houden en men vond dat ik dat er best bij kon doen. Achteraf was het best leuk.

Ik ben 5 jaar voorzitter geweest en ben nu nog steeds lid. Bij UCN heb ik, behalve Duits, ook veel andere dingen geleerd. Bij Power Packer trouwens ook. Daar heb ik ook geleerd hoe het niet moet en dat is minstens zo belangrijk als te weten hoe het wel moet.

Eén van mijn allereerste collega's bij UCN was Bram Casteleijn. In het begin werkten we heel nauw samen en we werden goede vrienden. Dat zijn we nu, het is intussen december 1998, nog steeds.

Wat later kreeg ik er andere taken bij en kwam samen met Paul Smith op één kamer te werken. Paul Smith was een Engelsman met een Nederlandse vriendin, Wiep Boonstra, waar hij later mee getrouwd is.

Ook met Paul werd ik goed bevriend, we sturen elkaar nog steeds kaarten met Kerst en Nieuwjaar.

In de beginperiode was het best spannend. De publieke opinie en ook de pers was tegen kernenergie en de algemene mening was dat wij in Almelo bezig waren Atoombommen te maken.

Er waren regelmatig demonstraties, in maart 1977 een hele grote en later waren er nog mensen die zich 's nachts aan het toegangshek vastketenden. Die moesten dan 's morgens door de politie worden weggehaald.

Maar gaandeweg werden de protesten minder en tegenwoordig worden er open dagen georganiseerd, waarbij het publiek kan komen kijken wat er bij Urenco-Nederland, zo heet UCN tegenwoordig, gedaan wordt en welke beschermingsmiddelen er worden gebruikt bij het werken met radio-actief materiaal en hoe de veiligheid bij de productie georganiseerd is.

Zelf heb ik er erg weinig mee te maken gehad. Ik werkte in de fabriek waar de centrifuges, die het Uranium moesten verrijken, werden gemaakt.

In die tijd ontstond ook bij verschillende bedrijven in Nederland en daarbuiten een nieuw systeem van kwaliteitsverbetering, overgewaaid uit Japan waar ene meneer Kaoro Ishikawa dit systeem bij de Japanse industrie had geïntroduceerd. Er werd veel over gepubliceerd in de vakbladen en op een bepaald moment besloot UCN er ook maar mee te beginnen.

Ik kreeg de opdracht om dat op poten te zetten en heb dat met veel enthousiasme gedaan. Het systeem kwam er op neer dat je met een klein groepje, direct bij het werk betrokken mensen, periodiek bij elkaar kwam om te bespreken welke problemen ze bij hun werk tegenkwamen en uit te vinden wat daarvan de oorzaak zou kunnen zijn. Vervolgens werd gekeken of er iets aan te doen was.

Wij zijn met die groepen, het waren er op een bepaald moment 8, redelijk succesvol geweest. In september 1990 mocht ik in Dublin op het EOQ-Congres vertellen hoe wij dat bij ons aan de vork hadden gestoken.

De tekst van die voordracht staat in het boek "Winning through Quality", op pagina 622.

Na afloop van het congres heb ik, samen met Fred, een zesdaagse rondreis door Ierland gemaakt. Toen ik naar Dublin ging gebeurde er iets heel vervelends. Op het Centraal Station in Amsterdam werd mijn zwarte tas uit de trein gestolen. Daar zaten, behalve mijn toilet-artikelen en mijn fotocamera, ook de dia's voor mijn voordracht in.

Gelukkig had ik al een set dia's opgestuurd en de tekst van mijn voordracht kende ik uit mijn hoofd. De tas werd teruggevonden door een vuilnisman met de tekst en de dia's er nog in. De rest was weg, gestolen.

Op de dag dat ik mijn voordracht moest houden kwam Fred naar Dublin. Het congres was leuk en de rondreis met Fred ook.

Op 28 november van dat jaar overleed de vrouw met wie ik toen bijna 41 jaar getrouwd was geweest. De laatste jaren van ons huwelijk waren niet de allergelukkigste, maar dat zal wel door haar ziekte zijn gekomen.

Feit was dat ik alleen achterbleef, maar ik had in de voorgaande jaren geleerd hoe een huishouden te runnen. Ik kon koken, wassen en strijken; ook het huis schoonhouden en ramen lappen was voor mij geen probleem.

Het jaar daarop, in 1991 werd ik gepensioneerd. 31 mei eindigde mijn dienstverband met UCN. Twee maanden eerder was ik al uitgezwaaid met een receptie, op 29 maart. Er is een fotoboek van deze receptie. Fred en Linda waren er ook bij en verder heel veel collega's en ook vrienden van mij.

De twee maanden erna hoefde ik niet meer te werken.
Ik had nog recht op veel vakantiedagen, meer dan twee maanden zelfs.

Maar op 1 juni 1991 was ik dus officieel gepensioneerd, kreeg ik AOW en pensioen. Dat was wel veel minder als mijn salaris bij UCN, maar ik kon er toch wel goed van rondkomen.

Bovendien werd ik gevraagd om cursussen te geven en daar kreeg ik dan weer honorarium voor. En het behoedde het mij voor verveling.

In de zomer van 1993 ging ik voor de eerste keer terug naar Indonesië. Ik had in de eindejaarsbrief van de reünie-commissie een verslagje gelezen van Jan van Eijk, van zijn reis naar Indonesië in 1992 en dacht toen: Dat wil ik ook.

Ik heb hem toen opgebeld, aanvullende informatie gevraagd en gekregen. Er is een verslag van die reis, ik heb daar een dagboek bijgehouden.

Op die reis heb ik in Yogyakarta Maria leren kennen. Maria verkocht tassen in Jl. Prawirotaman. Ze wilde aan mij ook graag een tas verkopen, maar ik zei haar dat ik al een tas had. En dat, als ik een tas voor Linda zou kopen, dan de kleur niet goed zou zijn of dat ie te groot of te klein was.

Ik heb haar toen beloofd dat ik het volgende jaar terug zou komen en dan mijn kinderen, Fred en Linda mee zou nemen, dan kon Linda zelf een tas uitzoeken.

En dat heb ik gedaan ook. In 1994 zijn we met z'n drieën naar Indonesië gereisd en heeft Linda haar tas uitgezocht, plus nog wat snuisteriijen. En Fred een rugzak. Ook van deze reis bestaat een kort verslag.

Het is ook niet zo'n lange reis geweest. Op 5 mei vertrokken en op 29 mei weer terug.

Het jaar daarop, 1995 ben ik weer alleen gegaan. Het verslag uit 1995 heet "Bijna 50 jaar later".
Dat van 1993: "50 dagen Indonesië".

Ja, en toen kwam 1996. Het jaar van de grote gebeurtenissen. In de planning voor 1996 stond een vakantiereis, samen met Bram Casteleijn naar Indonesië. Daar was al vaak over gesproken en dat moest er nu maar een keer van komen. Ik zou het reisplan maken, de tickets bestellen en de noodzakelijke reserveringen verzorgen.

Maar er gebeurde veel meer. In januari ging Fred alleen op vakatie naar Indonesië en kwam in februari terug met enthousiaste verhalen. Vooral Ubud, op het eiland Bali, had grote indruk op hem gemaakt. Meer dan toen wij er in 1994 waren.

Ook nog in februari, de 27-ste vloog ik met vlucht GA 893 naar Jakarta om een fotoboek naar Ibu Postma en Ibu Soejatmi te brengen voor Geerda Jansens, de voorzitter van de Scandinavische Vereniging Twente. En ook om een beetje informatie te verzamelen voor onze gezamenlijke vakantiereis, met Bram dus, later dat jaar.

Op 23 maart vloog ik weer terug van Denpasar naar Amsterdam. Ook van deze reis bestaat een verslag. Het heet reis 1996, met als ondertitel 3 reizen naar de gordel van smaragd.

Het reisplan wat ik gemaakt had zou ons eerst naar het Tobameer brengen. Daarna van Parapat naar Bukittinggi en vervolgens via Padang met het vliegtuig naar Jakarta.

Daar begon onze rondreis over Java. Op 19 april. En op 26 april gingen we met de trein van Bandung naar Yogyakarta..Twee dagen later verschijnt Tutik voor het eerst in mijn dagboek "Later komt Tutik".

(Op 28 april sterft ook Ibu Tien, de vrouw van de President). Op 30 april schrijf ik in mijn dagboek: "Tutik is lief en Maria ook".

En op 1 mei: "Daarna naar Tutik. Die heeft voor me gekookt en lekker ook".

De volgende dag, 2 mei: "Dan naar Jl. Pramuka. Es kopi. Ik slip even weg naar Tutik, maar ze komt me al tegemoet. Tutik is 28 jaar en heel lief".

En later die dag: "Ik bid samen met Tutik. In ceremonieel tenue, net als de vorige keer in Imogiri, maar dit maakt meer indruk.
Mijn God, ik houd van haar en heel anders dan ik van Maria houd."

Op 4 mei gaan Tutik en ik samen naar de dierentuin en daar vertel ik haar dat ik haar zeer liefheb.

Op 6 mei kwamen Maria, Marsono en Tutik naar Duta Guesthouse om afscheid te nemen want ons reisplan had Malang als volgende stad op onze rondreis staan.

Ik krijg een verjaardagscadeautje van Maria en een brief van Tutik Daag. Tot ziens.

Na Malang kwam Bali, daarna Sulawesi, dan weer terug naar Bali (Ubud) en dan op 25 mei weer terug naar Nederland. Wat een vakantie. ILY. En wat een jaar. Het was nog lang niet afgelopen.

Op 18 augustus vloog ik weer naar Indonesië. Deze keer om mijn geliefde op te halen. En Maria, maar dat is een verhaal apart.

Ik vloog via Singapore naar Solo en daar stonden Maria en Tutik mij op te wachten.

Op 8 september zijn we in Yogyakarta getrouwd en twee weken later naar Nederland vertrokken.

Hiermee is het verhaal niet af. Het is vandaag 25 juni 1999. Er is na die 8-ste september 1996 nog zoveel gebeurd.

Ik ben met Tutik naar Zweden geweest om Midsommar te vieren, in 1997.

In datzelfde jaar werd onze dochter Annisa Astuti geboren.

In de zomer van 1998 zijn we naar Stuttgart, in Duitsland geweest.

En natuurlijk in Indonesië. In 1997, voordat Annisa werd geboren, maar in 1998 en 1999 met z'n drieën.

En bij leven en welzijn gaan we volgend jaar met z'n vieren, want in januari 2000 wordt er een broertje of een zusje voor Annisa verwacht.

En natuurlijk is dit verhaal ook voor hem of haar geschreven. Maar van nu af aan is Mama Tutik er hopelijk om jullie vragen te beantwoorden.

En misschien ben ik er zelf nog wel bij. -.-.-.Zie verder "Geloof".