De schutting

Een woord vooraf:

Wat volgt, is een relaas van wat me overkomen is gedurende de tweede wereldoorlog. De reden dat ik n met dit relaas aankom is dat er te veel propaganda gemaakt wordt over de gedropte atoombommen.
Ik begin me haast schuldig te voelen dat ik die ellende overleefd heb, dank zij de atoombom.

 
Copyright © 2006 by Wilhelm Paul von Grumbkow.
Permission is granted to copy and reproduce this Publication
so long as it is kept wholly intact and no changes are made to it.
 
GESCHREVEN DOOR:
 
WILHELM PAUL VON GRUMBKOW
RUA IDA PASIM MIELE 50
09720-280 SAO BERNARDO DO CAMPO
SAO PAULO - BRASIL
 
TEKSTBEWERKING VAN HET HANDGESCHREVEN MANUSCRIPT DOOR:
 
THERRY ALOYS HEIJNE
ZWANEKAMP 454
3607  PA  MAARSSEN - NEDERLAND
Voicemail: +31 (0)346 571361
 

Java: Bandoeng, 8 december 1941.
Nederland had als geallierde van de Verenigde Staten de oorlog verklaard aan Japan. Het was een heel gedoe. De Militie en de Landstorm werden opgeroepen en ingelijfd bij het leger. Ik was in die tijd 17 jaar en zou me op de 12de Maart 1942 moeten melden voor de militaire dienst.

Ik werd opgeroepen om bij de Luchtbeschermingsdienst te moeten werken. Het doel was: hulpverlening aan de bevolking gedurende en na eventuele bombardementen.

De schermutselingen duurden niet lang, want op 8 Maart 1942 capituleerde de regering tengevolge van de Japanse overmacht.

De Japanners begonnen de macht in handen te nemen en kwamen op de proppen met heel wat geboden en verboden. Wapens inleveren, radio's met lange golfbereik, elektrische energieverbruik beperkt tot 50 W. De burgerambtenaren werden tijdelijk ontslagen en naderhand werden diegenen die de Jap nodig had weer aangenomen.

We kregen advies om niet leeg te lopen en ik sloot me aan bij enkele vrieden, die met een grote verhuiswagen met mankracht, zich beschikbaar hadden gesteld voor verhuizingen.
Het was echter meer raadzaam om binnenshuis te blijven, want de Japanse soldaten begonnen reeds met hun sadistische machts- betoon.

In Juni 1942 werd ik met een oudere broer van me opgeroepen voor eventuele internering in een kamp, opgericht in het 's Lands Opvoedings Gesticht.

We werden daar voor de eerste maal geconfronteerd met de Japanse machtswellust. Als men voorlangs een Jap passeerde moest men het bovenlijf buigen als bewijs van eerbetoon.
Iemand had dat vergeten bij een schildwacht voor het kamp. Hij werd afgetuigd, met bloedend gezicht ging hij 't kamp in. Met deze gelegenheid gingen mijn broer en ik nog vrij uit en we kregen een briefje met Japans schrift.
Van een bevriende Chinees kregen we te horen dat we nog drie maanden op vrije voeten mochten lopen: dit stond in het briefje.

In september werden we opieuw opgeroepen, ditmaal waren we met z'n vieren van dezelfde naam: mijn vader, mijn broer, en jongere broer van mijn vader en ik. We moesten een koffer met kleren meenemen, een matras en enkele kleine benodigheden.

We hadden ditmaal wel een vermoeden dat we zouden moeten blijven.
We moesten ons melden bij een kamp dat opgericht werd in een ontruimde school die van Leke-zusters was.

Op het terrein waren ook de bijgebouwen waar een klooster was geweest, Maria Sterre der Zee.
Ik weet niet meer met zekerheid waar dit kamp lag, ik dacht ergens op de weg naar het vliegveld Andir.
We stonden nog buiten het kamp op een grasveld dat ook tot het klooster behoorde.

Het uur brak aan dat we naar binnen moesten.
We werden aan gevisiteerd en moesten de koffers openen en ook de handtassen. Messen en vorken werden afgenomen en ook

scharen; scheermesjes en nagelscharen werden toegelaten. Velen moesten ook aanzien dat hun geld in andermans zakken werd getransformeerd.

We werden onderzocht door Japanners en Heiho's (Heiho is een door het Japanse leger gerecruteerde Indonesir).

Eindelijk was het dan zover dat we onze huisvesting konden betrekken.
Het kloostergebouw, was onderverdeeld in klassen en de bijgebouwen. Het was te begrijpen dat we met ons vieren ergens onderdak zochten: onze keus viel op de fietsenloods die met een wand van bilik was afgesloten. In de wand die afgesloten was waren uitsparingen aangebracht die verticaal konden worden geopend, het waren de ramen.

Er was ons reeds medegedeeld dat een ieder over 60 cm betonvloer mocht beschikken. We lagen in die fietsenloods met 52 man, 26 man aan iedere wand.
Op de betonvloer rolden we onze tikar uit en daarop legden we onze matras neer. Tussen beide rijen bleef nog een ruimte over waar we onze koffers konden neerzetten en tussen de koffers bleef nog een smal looppad over waarlangs we ons naar buiten de barak konden bewegen.

Daar zaten we dan op onze matras naar de andere bewoners te kijken. Er werd geen woord geuit, een ieder had 't druk met z'n eigen gedachten.

We werden weer opgetrommeld door de Heiho's en moesten ons verzamelen voor een gebouw waar de kampdirectie was gezeteld.

We werden toegesproken door een Indonesir(kampdirecteur), maar er waren ook Japanse officieren aanwezig. We kregen te horen dat we voor onze eigen veiligheid gecontroleerd werden en dat we daarvoor dankbaar mochten zijn. We zouden ns per week bezoek mogen ontvangen maar vluchten zou met de doodstraf gestraft worden. We moesten ook een kampvertegenwoordiger benoemen en ieder barak een barakscommandant.

Gelukkig waren er wel enkelen bereid om als vertegenwoordiger op te treden en de keus viel op Ingenieur Dom.

Terug in de barak moesten we een commandant uitkiezen. Dat maakte de stemming een beetje minder bedrukt en maakten we zo'n beetje kennis met onze barakgenoten.
Bij ons werd gekozen een zekere Boelhouwer, een heel sympathieke man.

Ik zal hier meteen maar enkele namen noemen die mij van dit kamp zijn bijgebleven. Dom, Boelhouwer, Naerssen, Roggen, Bochum, Everts, Christoffel, Boer, van Dongen, Luik, Brugman, Benig, Anthonysz, Klein, Elenbaas, Verhaaf en wijzelf von Grumbkow. Anthonysz was ook een oom van mij.

Om zeven uur in de morgen moesten we in het gelid staan voor de telling. Daarna ontbijt en om een uur of twaalf middagmaal en s'avonds om zes uur avondeten.

We hadden zo'n beetje kennis gemaakt met de anderen en konden naar buiten de barak om ons kamp in ogenschouw te nemen.
Het kamp was niet zo klein en ik kwam te weten dat we er met zo'n 1200 man zaten.

De schutting bestond uit twee omheiningen met een pad ertussen De binnenste omheining was ongeveer 1,5 m hoog en bestond uit palen in de grond, verbonden door een vlechtwerk van prikkeldraad.
De buitenste omheining was 3 meter of iets meer hoog, verder gelijk aan de binnen omheining en van buiten afgesloten tot bovenaan toe met bilik. We waren op deze wijze afgesloten van de buitenwereld, we konden niets zien.
Deze schutting beroofde ons van onze vrijheid, hoe lang zou dat duren........

We waren van mening dat de oorlog niet lang zou duren, hiertoe behoorden ook de Japanners.

In het begin leek alles op een grote kampeergebeurtenis. Met het verstrijken van de dagen maakten we kennis met de andere barakgenoten.

In het dagelijks normale bestaan, merk je eigenlijk niet op hoe er groot verschil gemaakt wordt in de menselijke samenleving. Dit verschil viel op in het kamp, want we zaten allen in n grote kooi.Er waren hl eenvoudige mensen, middenstanders en mensen die ondanks de de moeilijke omstandigheden op hun "status stonden".

Mijn vader was een gepensioneerd ambtenaar, mijn oom en mijn broer werkten bij de Artillerie Constructie Werkplaats en ik zelf was 3de jaars student op een MULO.

Langzaam aan begonnen we ons te schikken in de geforceerde omstandigheden.
Het eten dat ons dagelijks voorgezet werd was niet gering, mr dan voldoende en de kwaliteit was ook niet slecht.
Het eten werd door onze eigen mensen klaar gemaakt in een speciaal voor dat doel opgerichte keuken met hout als brandstof.
Het eten werd verdeeld in plaatijzeren gamellen van 250 liter. Deze gamellen werden door sterke jonge lieden vanuit de keuken naar de verdeelplaats gebracht door middel van een lange bambu die door de oren van de gamel gestoken werd.

Het feit dat we gescheiden waren van onze familieleden en dat we onze vrijheid verloren hadden viel ons zwaar op het lijf.

Het slapen op de cementen vloer was niet zo erg, we waren nog gezond en voldoende gevoed.
De dagen verstreken en vol ongeduld wachtten we op bezoekdag. We mochten er niet allemaal tegelijk uit, we werden verdeeld in groepen en de duur was als ik me herinner ongeveer een half uur.

Door tussenkomst van de familie kwamen we op de hoogte van de toestand buiten het kamp, over het verloop van de oorlog was heel moeilijk omdat de radio's waren ingepikt.

De weken gingen voorbij en bij beetjes veranderde de situatie k voor de mensen buiten het kamp, het was geen eenvoudige taak om de dagen gevoed door te komen. Wij in het kamp hadden iedere dag eten, ook al was het niet wat we gewend waren.

Er gingen veel geruchten rond, de Japanners waren optimistisch en men sprak erover dat de genterneerden die ter plaatse woonden, zouden worden losgelaten.

Op een dag kregen we een bericht dat we daadwerkelijk zouden worden losgelaten, het wachten was op bevestiging van het Japanse commando.

In onze fietsenloods waren er 34 die eventueel vrijgelaten zouden worden. Het was begrijpelijk dat het bericht blijdschap en triestheid veroorzaakte.

We hadden bezoekdag gehad en om deze redenen hadden we nog snoepjes en vruchten, die we na beraad, aan de achterblijvers zouden geven.

Onder de fietsenloods bewoners bevond zich een Fransman, Boulogne, die aan het onderwijs was verbonden. Hij ontving nooit familiebezoek omdat hij niet in de stad Bandoeng woonachtig was, dus was hij n van de weinigen die met het een en ander bedeeld werd.

De uren gingen voorbij en er werd helemaal niet meer over loslaten gesproken. 's Avonds kwam de kampdirectuer met de opdracht: alles uitpakken, er wordt niemand losgelaten! Het was te begrijpen dat de teleurstelling enorm was, maar er was niets aan te doen en we moesten ons in de toestand schikken.

Niemand had erover gedacht om het spul terug te vragen dat aan Boulogne was afgegeven, het was dus begrijpelijk dat we verrast waren toen Boulogne er op stond om alles terug te geven. Na veel aandringen kregen we gedaan dat hij toch het een en ander aannam.

Zoals ik al gezegd had was het kamp voordien een school en de eigenaren waren leke zusters die daar ook hun klooster hadden. Het hydraulische (sanitair) systeem was niet berekend op zo'n grote permanente bevolking en de afvoer verstopte.
De gevangenen zelf moesten dit probleem oplossen. Er werd een schoonmaakploeg opgericht waarvan ik ook deel uitmaakte. We hadden geen gereedschap tot onze beschikking, dus moest alles met de blote handen gebeuren en bambu repen die we op het terrein hadden gevonden.

Mijn hand in een afvoergat steken om obstakels op te ruimen was een routinezaak voor me geworden.

De watervoorziening was intussen k geknepen en we moesten groepen vormen die de wacht hielden bij de WC's om erop toe te zien dat iedere kampgenoot z'n eigen afval opruimde want de lozing werkte niet vanwege het watergebrek.

Iedereen moest dus met behulp van een emmer ervoor zorgen dat het een en ander werd weggespoeld. Discipline was een eerste vereiste.

Toch kwam het voor dat ik op een dag iemand zeker een dozijn malen heb moeten laten lopen tussen WC en waterkraan om zijn offerande op te ruimen. De heer was voorheen gewend om op zijn wenken te worden bediend.

Het was duidelijk te merken dat de algemene situatie beetje bij beetje slechter werd, maar de hoeveelheid voedsel die ons verstrekt werd was nog voldoende.

Er waren echter kampgenoten die misbruik begingen, namen rijst aan die ze niet aten maar in de vuilniston wierpen, er werden namelijk ook gekookte aardappelen verstrekt.
Dat irriteerde zowel de kampdirectie als ns, gevangenen.

Iemand zei tegen die mannen: op een dag en spoedig zal die dag aanbreken dat jullie onderling zullen vechten om te beslissen wie de laatste korrels van de drumbodem zou mogen graaien. En helaas brak die dag aan ook.

De bezoekdagen werden verminderd tot tweemaal in de maand. Een gedeelte van het klooster bestond uit een gebouw dat twee verdiepingen hoog was en waar ook gevangenen waren ondergebracht.
Als men voor de ramen stond was het mogelijk om over de schutting te zien, maar de afstand was veel te groot om boodschappen door te geven, maar men kon wel makkelijk de mensen op straat zien lopen.

Op een dag dat we bezoek mochten ontvangen, stond er iemand voor een raam naar buiten te kijken en maakte de opmerking: "kijk daar komen de sletten weer aan".
Op het nippertje ontsnapte hij aan de wurgingsdood en daarvoor in de plaats werd een spreekverbod over hem uitgesproken wat inhield dat hij vanaf dat moment als niet-bestaand werd verklaard.
Het leek een lichte straf maar de lafaard hield het geen twee dagen uit en vroeg op de knien om vergiffenis. Dit was de eerste ruzie onder de gevangenen.

De bezoeken werden helemaal verboden en we kregen minder voedsel en de kwaliteit werd steeds slechter, wat we vrheen kregen werd ingehouden.

Het werd steeds moeilijker om de dagen door te komen, de uren gingen niet voorbij. Toen we nog bezoek mochten ontvangen was er altijd wel iets om over te praten. Men deed van alles om niet met zijn eigen gedachten zoek te lopen, er waren er die kaartspellen deden, anderen speelden schaak en andere spelen.

Er werden ook competities georganiseerd; het moreel stond nog op een goed peil. De kampcommandant gaf ook nog toestemming om een Hawaian-avond te houden.
Wel, er waren geen meisjes in het kamp maar een half dozijn knapen stelden zich bereid om als meisje te worden gegrimeerd. Dat zo levensecht, dat de bewakers de volgende dag het hele kamp uitkamden op zoek naar de meisjes.
De jongens moesten zich nogmaals opmaken om het tegenbewijs te leveren.

We hadden vr we het kamp ingingen afgesproken dat we niet zouden trachten brieven naar huis te sturen en we rekenden er ook niet op schriftelijk bericht te ontvangen om geen risico te lopen. De Japanners wantrouwden allen en kenden wrede methoden om de slachtoffers tot spreken te brengen.

De voedselresten in het kamp werden opgehaald door inheemse werkers, voor dit doel aangenomen. Zij hadden vergunning om in het kamp te komen, maar toch ook niet verder dan het keuken terrein waar grote houten bakken waren neergezet om er de resten in te gieten.

Er waren onder ons, gevangenen, die door tussenkomst van deze werkers contact onderhielden met mensen buiten het kamp.

Het werd steeds moeilijker om de dagen door te komen en het was een uiterste noodzaak om de hersens te gebruiken om uitwegen te vinden.

Iemand begon stenen te slijpen, het waren gewone rivierstenen die overal op het terrein te vinden waren. De vorm werd verkregen door de steen op een stuk glas te schuren met wat water. We namen een stukje hout waar we aan n punt een bepaalde vorm hadden gegeven, ovaal, ruit, rond enz. als maat voor de steen. De steen werd met een korrel rijst en wat water op het stokje gelijmd.
De glans op de steen werd verkregen met een stukje bambubast.

Er waren wandluizen in het kamp die erg hinderlijk begonnen te worden. Deze insecten zijn sterk en kunnen geruime tijd zonder eten (bloed) uithouden. We deden eens een experiment. We sloten een handvol luizen in glazen stopfles op. Na twee weken was het grootste deel nog in leven.

De toestand werd zienderogen slechter, de kwaliteit van ons eten was slecht en de hoeveelheid was heel sterk gekort, de hygine liet te wensen over. Niet zelden vonden we in het brouwsel dat soep werd genoemd een meter of meer, verbandgaas dat gediend had om een wond te beschermen van iemand die het eten moest bereiden.

Helaas gebeurde wat min of meer voorzien was, verscheidene mannen hingen tot op hun middel in de drums om de laatste restjes te schrapen.

In het begin kregen we een soort pap, gemaakt van industrile tapiocameel en er zat wat palmsuiker in, de pap was eetbaar.
Deze pap werd nu verstrekt zonder palmsuiker en was oneetbaar en smaakte naar petroleum. De pap was gewoon niet te slikken en de afvalkisten waren iedere dag boordevol met pap.

We begonnen het nuttigen van het voedsel te reguleren. We aten het voedsel niet meteen op, maar in enkele malen. Dat hielp wat.

We hadden ook enkele kleine perkjes waar we tomaten hadden geplant en ook prei. Deze perkjes waren niet voor algemeen onderhoud en er waren heel wat discussies omdat er heel wat mannen wel wilden eten maar niet werken.

De kaartspelen en andere tijdverdrijf spellen waren niet meer voldoende om de gedachten bezig te houden.
Het werd steeds moeilijker om de dagen door te komen en er was te weinig ruimte.

Naersen kwam op het gelukkige idee een bibliotheek op te richten, hij vroeg mijn broer en Brugman om te helpen. Ik maakte ook deel uit van de groep. We liepen alle kamers af om uit te leggen wat het idee was en vroegen allerlei soort literatuur te leen tegen een kleine geldelijke vergoeding.

We kregen verscheidene lectuur, onder andere boeken en tijdschriften. Alles werd uitgeleend tegen een kleine vergoeding, eerste dag twee cent en iedere volgende een cent met een maximum van drie dagen huur.

Mijn broer en Brugman hielpen met de administratie, ik bracht de boeken rond en zorgde voor de reparatie.
De pap die ik niet door mijn keel kon krijgen diende als lijm om losse en gescheurde bladzijden te lijmen.

Toen we het kamp binnen gingen werden we gevisiteerd en bij deze gelegenheid werden alle snijdende voorwerpen in beslag genomen. Om iets van hout te kunnen maken moesten we dus improviseren. We zochten het terrein af naar ijzerdraad, grote spijkers en stukjes plaatijzer, materiaal waar we een snijdend gereedschap van konden maken.

Het materiaal werd eerst "gehamerd" tussen twee stenen en daarna werd een snijkant verkregen door het materiaal tegen de betonnen vloer te schuren of tegen een steen.

Met dit gereedschap lukte het mij borstels te maken om kleren te wassen. Het was waaibomen hout en de haren kwamen van een afgedankte bezem.
Ik had ruim vier dagen nodig voor n borstel.

We hadden niet alleen gebrek aan voedsel maar ook aan kleding, de slechte kwaliteit van het zeep dat we kregen hielp met het vernielen van de stof.

Ofschoon we geen vuur mochten stoken kwam er ook gebrek aan lucifers en vuursteentjes voor aanstekers voor de rokers.

Het lukte me om tondeldozen te maken. Ik gebruikte djatihout (teak) dat afkomstig was van een gedemonteerde kerkbank.

Ik had een grote spijker waarmee ik een gat kon "boren".
De binnenkant van het gat moest gepolijst worden, wat ik kon doen met een schroefdraad van een pen waarmee een fietsstuur werd vastgezet.

De zuiger werd gemaakt van een spaan djatihout. Aan de punt werd een reepje leer gelijmd dat met het hout een holte vormde om er een stukje zwam in te leggen.
Als zwam gebruikte ik watten dat eerst in salpeter (uit de keuken) werd gedrenkt en daarna te drogen werd gelegd in de zon.

Voor hen die de werking niet kennen: indien men snel de plunjer in het gat introduceert (met een klap) en er dan weer snel uithaalt ontbrandt de zwam vanwege de snelle wisseling: vacum - snelle toevoer van zuurstof.
Het kostte me een week tot tien dagen om een tondeldoos te maken.

Ondanks de problemen die we het hoofd moesten bieden deden zich tch ook gebeurtenissen voor waar we om moesten lachen.

Op een middag werd ik door een mede tawanan (= gevangene) aangesproken met de woorden: "Grumbkow die en die moet je spreken." Ik zocht de bewuste persoon op, die me een pakje overhandigde met de woorden: "Dit komt van jouw moeder." Ik stond verbaasd, maar kreeg toch de verzekering dat het pak inderdaad voor mij bestemd was.

Met het pak onder de arm "verborgen" haastte ik me terug naar onze fietsenloods waar ik verslag uitbracht aan mijn vader en aan mijn broer.

We bekeken het pak waar niets op geschreven stond, we waren in twijfel, we hadden immers andere afspraken gemaakt met de familie. We zouden 's avonds het pakje openen om nieuwsgierige ogen te vermijden.

Wel, het was dan zover, touwtjes er af en langzaam het kaftpapier openvouwen, er kwam een heerlijke lucht uit. Oliepapier open vouwen en daar lag hij, een gebakken kip. Oom werd erbij gehaald en met ons vieren werd de kip soldaat gemaakt.

Ik had het kaftpapier bewaard, omdat ik al geleerd had dat alles bruikbaar was. De volgende dag spreidde ik het papier op de grond uit op zoek naar n of ander bericht. Na lang turen vond ik wat in een hoekje. Ik riep mijn broer en liet het hem zien: de kip was voor mijn oom bedoeld geweest. Wl, hij kreeg dit n de oorlog te horen. Per slot van rekening had hij toch k kip geproefd.

Op een morgen kwamen er na het ochtend apl gewapende Heiho's in het kamp. Ze zochten naar ons vieren met dezelfde naam.

We werden voor de kampdirecteur geleid. We werden ondervraagd. Er was een brief onderschept die van n van ons afkomstig moest zijn. Als de verdenking wr was dan moest de brief van mijn oom zijn. Niemand van ons gaf antwoord en we werden naar het kamp terug gestuurd met een uitstel van vier en twintig uur voor het antwoord en heel wat bedreigingen.

Terug in onze loods vroegen we oom of hij de briefschrijver was en na een paar maal ontkennen gaf hij uiteindelijk toe.

We moesten de gebeurtenissen afwachten.

De volgende dag zocht oom mij op: "Willy (mijn thuisnaam), ik heb een vreemde droom gehad. = Ik werd door de familie ervoor aangezien de betekenis van dromen te kunnen uitleggen. = "Ik stond op een grasveld en opeens richtte zich een grote slang op enkele meters voor me. Uit een andere richting kwamen drie slangen op me af, die, naderbij gekomen, door de grote slang werden opgeslokt."

Ik gaf antwoord: "Oom, ik geloof dat we niet nogmaals geroepen zullen worden, afwachten dus".

Het liep inderdaad zo uit want we zouden die morgen weer voor de directeur moeten veschijnen en dat gebeurde niet en daarna ook niet. Na de oorlog kregen we de reden te horen: de onderdirecteur zat ook in het smokkelplan.

De honger begon meer te nijpen. Veel gevangenen begonnen padden te vangen om er soep van te koken. Ze verkochten zelfs croquetten.

Met de weinige levenservaring die ik bezat kon ik me niet voorstellen tot welke diepte de waardigheid van een mens zou kunnen afzakken, indien hij zou worden geconfronteerd met uiterst moeilijke omstandigheden.

Ik zou dit alles meemaken.
De triestheid won terrein. Het moeilijkste uur was wel met zonsondergang, die verdween dan voor ons achter de buitenste bilik omheining.

In onze fietsenloods hing een elektrische lamp van geringe wattage, net als in de andere onderkomens, die diende voor avond verlichting.

In deze schaarse verlichting speelden enigen nog kaart tot tien uur 's avonds wanneer de lamp dan uit moest.

Het was echter moeilijk om meteen in slaap te vallen. De ge- dachten dwaalden af en die hadden een sterke partner: de honger.

Een loodsgenoot nam op een avond het initiatief om een deuntje te neurin. Hij werd prompt bijgevallen door een ander die met het volgende refrein lucht gaf aan zijn onderbewustzijn: ik heb een doosje vol met vet al op de schoorsteen neer gezet, eerste couplet. Dit werd iedere keer herhaald echter onder verandering van het couplet nummer. In weinige seconden was het bescheiden nstem geluid aangegroeid tot een heel koor, zo enthousiast gezongen dat de schildwachten alarm sloegen.

In korte tijd stond een hele troep gewapende Heiho's vergezeld van de onderdirecteur, voor onze loods. Boelhouwer moest aan- treden en n en ander uitleggen. Gelukkig liep alles met een sisser af maar herhaling zou goed gestraft worden. Toch werd het zingen niet achterwege gelaten, echter heel zachtjes.

Op een morgen na de ochtend telling, kregen we de mededeling dat vierhonderd man moesten worden overgeplaatst naar een kamp elders op Java.

In het begin werden vrijwilligers gevraagd en indien het aantal niet zou worden bereikt zouden de gevangenen worden aangewezen. Anthonysz meldde zich ook aan voor transport. We hadden getracht hem over te halen bij ons te blijvn, want we wisten niet wat ons te wachten stond. Een ieders lot was onzeker, we hadden intussen al een jaar kampleven achter de rug en niemand kon zich de reden van de scheiding voorstellen.

Het vertrek was verdrietig want daadwerkelijk waren de twaalfhonderd zielen n familie geworden.

Er waren vrachtwagens, overdekt met zeil, gekomen om voor het transport te zorgen.

Na het vertrek merkten we op dat het kamp toch niet zo groot was, we hadden echter meer bewegingsvrijheid. Echter niet lang hierna kregen k wij te horen dat we naar een ander kamp moesten. Mijn broer vroeg me om me op te geven om de vrachtwagens op te laden. Ik zou dan waarschijnlijk iemand van de familie kunnen ontmoeten om ze op de hoogte te stellen van onze verhuizing. We hadden inmiddels gehoord dat we naar het voormalige 15e Bataljon zouden gaan.

De verhuisdag brak aan en de vrachtwagens reden af en aan.Br /> We waren met ongeveer dertig man achter gebleven als corver. Het was geen zwaar werk om de vrachtauto's op te laden, de bultzakken (matrassen) waren licht geworden, zo ook de koffers en diverse kisten.

We begonnen dorst te krijgen en kwamen tot de ontdekking dat de watertoevoer reeds was afgesloten, er kwamen slechts enkele druppels water uit de kranen.

Onze keuken was ook opgedoekt en we zouden eten krijen, uit het nieuwe kamp, dat maar ook niet kwam, het was een ware ver- zoeking.

Ik ging op zoek naar tomaten maar de vruchten waren reeds geplukt en men had slechts de hele kleine laten staan waar toch niets mee te doen viel. Ik plukte wat van deze erwtjes, groter waren ze niet, en deed ze in mijn mond. Ik begon te kauwen en kreeg een wrange smaak in de mond. Het leek of mijn tong inkromp, ik spuwde wat op de grond, het was een dikke groene massa. Met enige moeite kreeg ik de massa door mijn keel, mijn tong kleefde aan mijn gehemelte. Ik liep naar een kraan en zoog er aan. Ik voelde wat water op mijn tong komen, net genoeg om de groene massa wat te verdunnen.

De anderen, voor zover de voorraad strekte, deden mij na.

Met een bambu stokje dat ik op de grond vond plukte ik nog wat preiworteltjes uit de grond die ik ook op at.

's Middags om een uur of zes was ons lijden voorbij, dachten we, want we hadden de laatste vrachtwagen opgeladen en er kwam een vrachtwagen overdekt met zeil om ons te transporteren.

Ik zag geen mensen buiten het kamp, waarschijnlijk was de verhuizing niet doorgelekt. In het nieuwe kamp aangekomen kregen we te horen dat men ons vergeten had met het middag eten.

Er wachtte me een andere teleurstelling. Het avond eten was reeds verdeeld en men mocht geen twee porties ontvangen (mijn broer zou de mijne pakken) zodat ik ook geen avondeten had, maar hij had een grote zoete aardappel gekregen, zodat ik toch iets in mijn maag kreeg.

Het kamp was groot, ik hoorde later dat we daar met zo'n dertien vijftien duizend man zaten. Er waren mannen uit kampen van andere steden en ook uit kampen in Bandoeng zelf.

De Japanners hadden grote loodsen laten bouwen om de gevangenen te herbergen. De huizen waar voorheen officieren en ondergeschikten hadden gewoond waren inbegrepen in het kamp.

Een gedeelte van de kleinere huizen was ingericht als hospitaal. De schutting om het kamp was precies zoals die van het vorige kamp. In de wachthuisjes boven op de schutting stonden gewa- pende Japanners, de wapens waren op het kamp gericht.

In de grote barakken waren over de hele lengte aan beide zijden houten verhogingen aangebracht waarop we onze reeds platte bultzakken konden uitrollen.

Onze loods had zoiets als honderd vijf en dertig bewoners. In het midden van de loods bleef er een vrij breed looppad over, er stond ook een grote tafel die dienen moest om het voedsel te verdelen. We kregen wederom de beschikking over zestig centimeter ligplaats. Over de gehele lengte van de loods was er een ijzerdraad aangelegd, op een hoogte boven het hoofd, die dienen moest als gids om naar buiten te leiden als 's avonds de lichten al uit waren, om naar de WC's te gaan.

We waren blij dat we niet op de grond moesten slapen, maar we konden niet dromen wat ons nog allemaal te wachten stond.

We maakten een wandeling door het kamp, er was vroeger een voetbalveld maar de Japanners hadden er een grote houtzagerij neergezet.

De kampregels waren praktisch dezelfde als die we reeds kenden. Onze kampdirecteur was Jhr. van Karnebeek. Ieder loods of barak of groep huizen had ook een barak commandant.

Naast de keuken was een soort slachterij. In de buurt van de Japanse kazerne was een werkplaats die gescheiden was van het kamp door een rooster van prikkeldraad.
Voorlangs de Japanse kazerne stroomde een riviertje dat door het kamp ging en onder ander de afvoer was van een batterij WC's.

We kwamen te weten dat er ook artsen waren onder de andere gevangenen.

Het voedsel was nu gerantsoeneerd, overdag kregen we rijst en als maat werd gebruikt een blikje van gecondenseerde melk en er was ook nog een soort sajoer. In de namiddag kregen we een stukje maisbrood, circa 8 cm lang - 6 cm hoog en 4 cm breed en ook een stukje koek van ongeveer dezelfde afmetingen.
We kregen ook een schepje soep waarin wat schijfjes peen dreven en er zat wat vet in, verder wat peper en een dozijn of wat karbouwen vlees ter grootte van een dobbelsteen. 's Morgens kregen we een schep heet water.

Het eerste contact met de Japanners in het nieuwe kamp kwam tot stand in de vorm van een algemene controle.
We moesten alles wat bezaten laten zien en daarna moesten we in gelid buiten de barak blijven staan voor het eer betoon, dat wilde zeggen, we moesten voor ze buigen en daarna weer rechtop staan in de houding.

Er was een knaap, ook Nederlander, die altijd om de Japanners heen liep. Hij had wat Japans geleerd en werd vaak gebruikt als tolk.

En het leven sukkelde verder. Er was maar weinig over gebleven van het vorige kamp. In het nieuwe kamp kregen we zo nu en dan 200 gram goela arn per persoon.

Het was verboden vuur te maken en zij die rookten moesten met een blikje lopen om daarin as en peukjes te deponeren. Maar er waren er niet veel die nog echte tabak bezaten. De meesten gebruikten reeds mangga bladeren als tabak en bladzijden uit de bijbels dienden als vloeipapier. En bladzijde van een middelgrote bijbel verschafte vier sigaretten.

De grootste zorg was, op welke wijze de hoeveelheid voedsel te vermeerderen.

Daar het kamp een groot complex bestreek was het mogelijk eetbare planten te vinden tussen de bestaande vegetatie.

Er bestonden nog levende paggers om de huizen en deze hadden speciale aandacht. En ja we hadden geluk, er waren paggers met loentas heesters en deze blaren waren eetbaar. Ze werden dan ook gretig geplukt.

Mijn vader, wiens moeder een Soendanese vrouw was, had deze veel geleerd met betrekking tot de levenswijze van het volk.
Een groot gedeelte van de bevolking was minder bedeeld en at niet vaak vlees, men was meer gedwongen tot het vegetarisme.

Buiten de groente die normaal verbouwd werden aten ze ook veel groen dat in de natuur voorkwam. Er bestond een plant die zich vermenigvuldigde uit zaad en wiens bladgroen eetbaar was en een aangename smaak had, kenikir (Cosmos caudatus) geheten. Mijn vader beschreef me de plant en ik ging op zoek.

We hadden geluk, er groeiden er heel wat in het kamp en ik plukte er genoeg van en plantte een hele hoop in de nabijheid van onze loods om er dagelijks van te kunnen plukken.

Ik kon me herinneren dat ik nog wat katten en honden zag lopen toen we in het kamp aankwamen, dan zag ik ze niet meer, ze waren plots verdwenen, geconsumeerd door tawanans.

Op zekere dag werden we geconfronteerd met het eerste erge ziekte geval. Een man viel plotseling flauw en gaf bloed op. Tot op dat moment had zich nog geen enkel ernstig ziekte geval voor gedaan. We hadden nog lichamelijke weerstand, maar we moesten verder de gebeurtenissen afwachten.

De weekenden werden voor ons een extra plaag. De Japanse soldaten die in de kazerne moesten blijven verhaalden hun slechte humeur op de weerloze gevangenen. Ze kwamen halfdronken in het kamp en holden achter ons, gevangenen aan. Als ze een ongelukkige in handen kregen werd deze onthaald op klappen in het gezicht, schoppen tegen de schenen en in de maag en andere onmenselijkheden.

Het was opmerkelijk hoe de toestand verergerde.
De houten verhogingen waar we op sliepen en die niet te demonteren waren, waren een broeinest geworden van wandluizen.

Er lagen miljoenen van deze insecten tussen ons matje en de planken vloer en we hadden geen middelen om ze te bestrijden. We kregen toestemming om de verhogingen uit elkaar te halen, maar de wandluizen waren permanent.

We hadden reeds begrepen dat de Japanners ons zouden laten werken, we waren immers heel goedkope arbeiders.

We kregen te horen dat degenen die zouden werken extra eten zouden krijgen. Er waren er heel wat die niet meer konden werken maar aan de andere kant duizenden die met de ziel onder de arm liepen, wat negatief was. Er begonnen reeds misverstanden te ontstaan die de Jap gelukkig niet te weten kwam.

We konden ons opgeven voor de zagerij of voor de touwslagerij.

Mijn vader en oom die de vijftig reeds gepasseerd waren gaven zich op om touw te vlechten uit vezels afkomstig van boombast.

De werkzaamheden duurden tot vijf uur 's middags en het loon bestond uit een stukje maiskoek en een stukje maisbrood. Er werd ook een korte rust toegestaan voor het "middageten".

We hadden nieuwe kennisen gemaakt en op een middag werd ik door twee van hen, Hendriks en Janssen uitgenodigd om deel uit te maken van een putploeg. Inderdaad, er bestond geen overvloed van water, dit was altijd al een probleem geweest, ook vr de oorlog. Indien de watervoorziening geknepen zou worden dan zou dat catastrofale gevolgen hebben.

Dit werk was nog niet erkend door de Jap en we zouden geen extra eten krijgen maar het werk moest gedaan worden en we hoopten op de beloning daarna. Onze groep bestond reeds uit vijf personen, Hendriks, Janssen, een zekere Walter Hanlo, nog iemand die de gave had met een wichelroede te werken en ik.

Iemand van ons moest met de kampdirecteur over het opgevatte plan spreken want we hadden schoppen en pikhouweels en koorden nodig. Walter Hanlo werd door ons aangewezen als onze woordvoerder. De Jappen gingen akoord met het idee en we kregen gereedschappen. Uit de keuken kregen we lege blikken.

De streek waar het kampement van het 15e Bat. was gelegen, stond bekend als een streek waar geen water te vinden was in de bodem. Dit was tenminste de stelling van geologen. We kregen dan ook heel wat kritiek te slikken en men zei ons dat we het allemaal deden om het extra eten.

We hielden ons echter rustig en begonnen met het graafwerk. De plaats was bepaald door de man met de wichelroede, helaas ben ik zijn naam kwijt. Als wichelroede gebruikte hij een vork (tjagak) van de hibiscus (kembang sepatu).

Het begin van het graafwerk was niet zo moeilijk, althans tot een diepte van iets meer dan drie meter, maar dan kwamen we op een laag zo hard als een bikkel. De punt van het pikhouweel drong er niet mr in dan twee centimeter en de schilfers van het materiaal die tegen onze benen sloegen veroorzaakten schrammen. We ontdekten dat indien we in segmenten bikten, het werk gemakkelijker ging. We kregen er hele pakken uit, het was een hele ontdekking.

Op zeven meter diepte bemerkten we de aanwezigheid van water, de wand van de put was vochtig. De samenstelling van het grondmateriaal was anders, er waren kleine steentjes en er kwam wat water te voorschijn, heel bescheiden.

De put zou twee diameters krijgen, twee en een halve meter in het zachte deel en twee meter in het harde deel.
Dit diameter verschil was nodig om een borstwering te kunnen bouwen.

De temperatuur in de put was hoger dan buiten en ieder bleef er niet langer in hakken dan vijftien minuten.

Met acht meter stond er reeds aardig wat water maar met blikken kregen we de put nog snel leeg.

We werden niet meer bekritiseerd en ik mocht nog iemand uitnodigen om ons te helpen, mijn vriend Jozef Kunkels.

Op negen meter diepte konden we niet verder want we hielden de watertoevoer niet meer bij met het uitputten. Daar lag onze overwinning, de putploeg leefde, we kregen ook een hapje eten toe.

Mijn broer was intussen ook aan het werk gegaan in de werkplaats, daar werden de etensgamellen gerepareerd en gemaakt en nog andere akkefietjes. Maar er was geen werk voor iedereen en helaas kon niet iedereen aan de slag vanwege de fysieke condities.

Het voedsel had te weinig voedingswaarde en het ziekental nam onrustbarend toe.

Velen namen reeds hun toevlucht tot het eten van insecten, ratten, kadals en agaatslakken, die in de tuinen werden gevonden en nabij de afvoergoot.

De Japanners begonnen het leidingwater te knijpen en we waren gedwongen meer putten te graven en met grotere snelheid. Onze putploeg telde reeds dertien man. Bijgekomen waren, Hans en Pieter, Visser, Kanis, Rinus, Driessen, Martins en van der Pas, en we hadden reeds vier putten.

Het extra stukje brood en maiskoek dat we kregen in ruil voor het werk was in feite nooit een compensatie geweest.

De ouderen bewaarden voedsel om dit in verscheidene etappes te eten. Het werd er niet mr van maar het hielp de maag om de tuin te leiden.

Ik plukte iedere dag nog blaadjes voor het middageten, maar loentas blaren vond ik niet meer. Er stonden slechts knoppen aan de takken die snel verdwenen als ze open gingen.

Er brak een epidemie uit van bacillaire dysenterie. Bij tientallen werden de patinten in het hospitaal opgenomen.

De hoeveelheid water was niet genoeg, er moesten meer putten komen en met grotere snelheid. Het graafwerk nam dagen in beslag, het materiaal onder de laag aarde was keihard en abrasief. Bij een nieuw pikhouweel namen we de maat van de put vr het graven en na gereedkomen van de put. De pikhouweel was 10 centimeter afgesleten bij een put met 9 meter diepte.

De kampleiding kwam tot de conclusie dat we moesten proberen de putten te boren. De Japanners gaven toestemming om een boor te maken in de werkplaats. Hiervoor werden drie ijzeren pijpen gebruikt die voorheen dienst deden om de elektrische draden op te hangen. De punt van de ene pijp paste in het mondstuk van de andere en de verbinding gebeurde met pennen die gemaakt konden worden.

We kregen op deze wijze een boorlengte van twee en twintig meter. Aan het boorgedeelte werden tanden gezaagd die wat naar binnen en naar buiten werden omgezet. De naar binnen gezette tanden moesten de geboorde kern vasthouden en de tanden naar buiten moesten er voor zorgen dat het gat iets groter werd als het bovenstuk van de boor om de wrijving te verminderen.

op n meter afstand van de tanden werd ook nog een gat geboord voor waterlossing. We kregen ook nog bamboe betoeng (dendrocalamus asper) voor een driepoot en dubbelbloks takel en een dik koord completeerde onze uitrusting.

We kregen ook nog een grondboor om door de laag aarde te boren.

De putten zouden weer twee diameters krijgen want we moesten er voor zorgen dat het regenwater niet in de put kon en op deze manier het water besmetten. Het was een goed uitgedacht project. De pomp zou ook in de werkplaats gemaakt worden.

Onze ploeg bestaande uit dertien man zou de eerste boorput maken om ervaring op te doen. De plek was reeds bepaald. Het gat maken met de grondboor tot aan de harde laag ging heel snel. Daarna ging de pijpboor in het gat.

We hadden ook een traverse die met beugels om de boor was vastgezet waarmee we de boor heen en weer konden draaien. De boor zakte praktisch niet. Iemand kwam op het idee om een gewicht op de traverse te zetten. Vier van ons klommen op het traverse. Het draaien was nu zwaarder maar de boor zakte heel goed.

Na iedere meter dat de boor zakte werd hij weer uit het gat gehesen om de kern er uit te slaan.

In enkele dagen was de put op 22 m diepte en het water dat uit de pomp kwam was glashelder.

Onze putploeg werd in drien gesplitst om ervaring door te geven aan anderen die worden aangenomen om drie ploegen te vormen van zo'n vijftien man elk.

De dysenterie epidemie was heel erg, er waren geen voldoende medicijnen en wat er was werd slechts toegediend aan patinten beneden de veertig jaar. Diegenen ouder dan veertig kregen wat toegediend indien zij de crisis te boven kwamen. Deze lotgenoten waren dus praktisch ter dood veroordeeld.

Er was tekort aan anesthesie middelen. Er waren de eerste sterfgevallen. Er waren dagen dat vijftien tot zeventien stierven aan dysenterie.

Op een dag werden we verrast met het bericht dat de Japanners een winkeltje zouden openen in het kamp. Er zou geen voedsel verkocht worden maar inheemse tabak en palmblaadjes om er sigaretten in te rollen en ook wat goela djawa.

De opzet was duidelijk, het geld van de tawanans ontfutselen, wat ze niet gedaan kregen ondanks herhaaldelijke blitz-visitaties.

Er begonnen zich voedsel diefstallen voor te doen in onze barak.

Zoals ik reeds eerder schreef, de ouderen hadden de gewoonte om voedsel te bewaren. Dit was merendeels met brood of maiskoek het geval. Er was dus in onze barak een lotgenoot die 's nachts (overdag onmogelijk) dit voedsel wegnam, in die tijd een zwaar delict. De man viel in een valstrik en kreeg heel wat klappen toegediend door onze barak commandant. Tegen de belofte dat herhaling niet zou plaatsvinden werden er verder geen maatregelen tegen hem genomen.

Over het gangpad in het midden van de barak hadden we een ijzerdraad gehangen van punt tot punt. Deze draad diende als leiddraad wanneer iemand in de nacht naar de WC moest. Het elektrisch licht moest om 10 uur 's avonds uit. Ondanks de leiddraad kwam het vaak voor dat men de koers verloor. Vooral als iemand een raam open had. De verdwaalde trapte dan op de benen van de slapers wat dan een hele consternatie veroorzaakte. Gelukkig voor ons dat we veraf van de Japanse wacht lagen.

Op een dag tijdens het middageten had ik geen zin om kenikir blaadjes te eten. Mijn vader keek verbaasd maar ik zei, dat ik niet zo'n honger had. De bladeren die ik plukte werden altijd met zo'n zes of acht man verdeeld.

Die avond werd ik wakker door een hevige klap op mijn benen, een ogenblik dacht ik dat het mijn broer was maar kort daarop bleek het mijn buurman Christoffel te zijn. Hij was buiten bewustzijn. Iemand ging naar het hospitaal om een brancard te halen om Christoffel weg te dragen. De volgende morgen kwamen we te weten dat hij dysenterie had opgelopen.

De daarop volgende dagen waren er meerderen die naar het hospitaal moesten, onder anderen mijn broer, mijn vader en mijn oom.

Het was mij duidelijk geworden dat de gegeten kenikir bladeren gecontamineerd waren.

We mochten de zieken niet opzoeken. 's Middags kon ik bij een verpleger bericht krijgen.
Gelukkig kwamen allen weer op de been. Mijn vader bleef het langst in het hospitaal en toen hij er uit kwam kreeg hij van een arts te horen dat men hem had opgegeven. De arts wilde weten wat hij had ingenomen want hij was reeds acht en vijftig en had dus geen medicijn gehad.

Toen mijn vader merkte dat de infectie ogenschijnselijk geweken was kauwde hij op theeblaadjes en slikte zijn speeksel in om hiermede het afgaan te stremmen. Het antwoord dat de arts gaf was ondoordacht: "Mijnheer, u had daar dood aan kunnen gaan!"

Een tijd na deze episode kwam ik wat mr te weten over wat er in het hospitaal omging.
Naerssen die dysenterie te pakken kreeg en overleefde, vertelde me: "Willy, ik zag de dood de kamer binnen komen. Ik lag met drie anderen in een kleine kamer. We waren allen ouder dan veertig. Mijn krib stond tegen de muur tegenover een deur. We gingen alleen maar bloed en etter af. Vanaf het middel naar beneden hadden we alles uitgedaan, er was geen tijd om je uit en aan te kleden om naar de WC te gaan. We strompelden heen en weer tussen bed en WC. Mijn kamergenoten stierven in drie opeen volgende dagen en ik kan niet verklaren hoe ik het er levend vanaf gebracht heb."

Er deed zich een andere plaag voor.
Er was een Jap die de gewoonte had om sluiks het kamp binnen te komen.
Meestal was er dan geen tijd om de commando's te brullen en de dichtstbijzijnde tawanans kregen er dan van langs omdat de nodige eerbetuigingen dan te laat werden uitgevoerd.

Naast de huizen die als hospitaal waren ingericht was een klein grasveld waar zich herstellende zieken gewoon waren op een matje wat te zonnen.
Deze Jap verscheen daar af en toe op slinkse wijze. Degenen die lagen te zonnen bezaten voor het merendeel geen lichamelijke condities om snel op te staan. Die Jap sprong dan op hun buik wat oorzaak was van verscheidene sterfgevallen, die Jap kreeg de bijnaam van Lijkenpikker.

Af en toe verschenen er een paar karbouwen om geslacht te worden. Het grootste deel was voor de Jappen, het hospitaal kreeg ook wat maar voor het kamp schoot heel weinig over. Af en toe dreven een tien of twaalf blokjes vlees ter grootte van een dobbelsteen in een drum vat van 250 liter.

Op een dag lag er een hoop kluiven op de grond naast de slachterij. 's Middags liep er toevallig een knaap langs die ook in onze barak thuis hoorde. Toen hij die hoop kluiven in het oog kreeg liep hij er haastig heen en begon enkele uit te zoeken. De jongens van de slachterij die hem gauw in de gaten hadden waarschuwden dat de kluiven begraven moesten worden omdat ze reeds bedorven waren. Deze weerde de bezwaren af nog zeggende dat er nog merg in zat en dat daar best een soepje mee gemaakt kon worden en ging af, ondanks alle waarschuwingen, met enkele kluiven in de hand.

Hij had er soep van gemaakt en gegeten, maar daar lag hij op sterven, had een bloedvergiftiging opgelopen. Hij vroeg om een Pater en om onze Barak Commandant aan wie hij vergiffenis vroeg voor het gestolen brood. Het was de jongen die 's nachts brood had genomen van de ouderen.

Op een morgen stond ik niet erg monter op, mijn ogen waren zwaar van de slaap. Bij de put aangekomen kreeg ik van Walter Hanlo te horen: "Willy, je bent ziek, je ziet bleek, gauw naar de dokter".

De arts onderzocht me en zei: "Je hebt geelzucht en daar heb ik geen medicijn voor. Het enigste wat je daartegen kunt doen is zoveel mogelijk suiker eten en rust houden."

Ik had geluk, op die dag was er suikerverdeling en uit het winkeltje kon ik ook wat kopen en ik kreeg hier en daar ook nog wat. Ik had bij elkaar een kilo en tweehonderd gram die ik allemaal opat bij beetjes.

Dat rusthouden was een moeilijke taak, gedurende de dag had ik slaap maar kon die niet vatten vanwege het heen en weer lopen van de barakgenoten en 's nachts was de slaap verdwenen. Ik telde dan dakpannen en spanten want ons dak had geen plafond. De wanluizen plaagden mij. Ik pakte mijn matrasje van de grond en deed hem op de verdeeltafel. Ik lag op mijn buik en bemerkte na enkele momenten dat de wandluizen tegen de tafelpoten omhoog kropen. Voor hen op de vlucht slaan had geen zin, dus ging ik terug naar mijn plaats op de grond.

Na een dag of tien was ik weer op de been.

Er lag in het hospitaal een kampgenoot met maagzweer. Hij had enkele bloedingen gehad en de doktoren waren van mening dat hij het niet lang zou maken. De man wilde graag tjab eten wat hem werd geweigerd door de verpleger. Hij vroeg om de arts en gaf ook aan deze zijn wens te kennen. Er werd dan besloten om hem tjab te geven, echter zonder de pitten. Tegen alle verwachtingen in recupereerde de man en dat werd toegeschreven aan de tjab.

Het winkeltje dat de Jap geopend had in het kamp was voor velen een aanmoediging om wegen te zoeken die geld zouden kunnen bezorgen. Het idee dat het meest voor de hand lag was iets proberen te verkopen aan de kampbewakers. De moedigsten zouden uitvinden hoe de wachters erover dachten. Er was bereidwilligheid maar de hogeren in rang mochten het niet te weten komen.

Maar er waren andere problemen te duchten. En van de tawanans had een Mido verkocht aan een Jap, in ruil voor een mand vol eieren.

Een week later was de Jap opnieuw in het kamp met een mand vol eieren, op zoek naar de man van het horloge. Deze moest zich uiteindelijk melden en voor de Jap in de houding staan.

De Jap sloeg de eieren n voor n op 's mans hoofd stuk totdat het mandje leeg was. Daarna kreeg de man een trap tegen zijn benen waardoor hij op de grond viel. De Jap greep de man bij zijn enkels en sloeg diens hoofd tegen de grond alsof hij een stamper was.

De tawanan bloedde uit neus en mond maar bracht het er levend van af wat ook een wonder mocht heten. Een hele tijd erna kregen we zijn verhaal te horen, slechts de wijzerplaat van het horloge was Mido.

We kregen een anderde insectenplaag te verduren, kleerluizen, we wisten niet wr ze vandaan kwamen want vr de oorlog hadden we ze nooit gezien. Trouwens wandluizen komen ook niet voor waar zindelijkheid het regiem is.

Die kleerluizen waren iets groter dan een speldeknop en waren kleurloos als ze nog geen bloed hadden gezogen, daarom waren ze moeilijk te zien. Na het bloedzuigen werden ze juist hierdoor verraden. Het bloed van hun slachtoffers was dan zichtbaar als een zwarte stip.

De honderden steken op ons lijf van die insecten jeukten verschrikkelijk, we liepen allen met schrammen op ons lichaam van het krabben maar we liepen ook schrammen op vanwege de slechte kwaliteit van de zeep die we af en toe kregen of in de winkel kochten.

De meeste kampgenoten hadden geen hemd meer om aan te doen. Het kledingstuk dat gebruikt werd was ns een hemd, dat door de tijd en voortduren gebruik op verschillende plaatsen gescheurd was. Deze scheuren werden opgelapt met andere stukjes stof en zodoende waren de oorspronkelijke hemden getransformeerd in dikke pantsers van stof.

Deze kledingstukken konden ook niet gewassen worden en gewrongen, ze zouden hierdoor uit elkaar vallen. Het enigste wat gedaan kon worden was enkele malen in water dopen en in de zon hangen. We kwamen hierdoor tot de ontdekking dat kleerluizen niet tegen de zon kunnen want ze verlieten de te drogen kledingstukken.

De honger was erg, maar we hadden een goede Engelbewaarder want ondanks de honger waren we er toch nooit toe overgegaan om insecten te eten en andere ongedierte.

Hendriks kreeg af en toe wat toegeschoven door een menselijke Jap wat hij dan met ons deelde. Op een morgen kwam Hendriks mankend op het werk. Hij had een steenpuist op zijn rechter been en er wat rode suiker en karbouwenmest op geplakt om de puist te laten rijpen.

Ik zei tegen hem: "Pas op, je kunt er een lelijke infectie mee oplopen.", maar hij lachte wat als antwoord. Vijf dagen later moesten we hem naar het hospitaal dragen met een hevige infectie aan zijn been dat flink gezwollen was. De steenpuist was zo groot als een ei.

De arts keek naar het been en riep twee verplegers, die Hendriks benen vastbonden aan zijn krib en zijn bovenlijf en armen stevig vasthielden. De arts kwam naar de krib toe, hij had een schaar in zijn hand welker punt hij meteen in de steenpuist stak en begon te knippen. Er was op die dag geen verdovend middel beschikbaar.

Hendriks viel meteen van zijn stokje en lag reeds in het hospitaal toen hij weer bijkwam en waar hij enkele dagen moest blijven.

Het geld in de handen van de tawanans begon te minderen. De Jap zag toch kans het geld uit het kamp te trekken. En onze Kampcommandant wilde een tegenactie. Het was zijn bedoeling om aan iedereen die voorheen werkte en aan de gepensioneerden een maandelijks handgeld te betalen ook al was het niet veel.

Er werd gesmokkeld maar niet voldoende. Wel later kreeg mijn vader twee en een halve gulden. De enige mogelijkheid om mr geld naar binnen te smokkelen zou kunnen worden verwezenlijkt indien we buiten het kamp zouden mogen werken. Het geluk was aan onze kant. De militaire commandant vond dat de leeggekomen kampen opgeruimd moesten worden.

De gevangenen waren heel goedkope mankracht (kostten niets) en dus werd besloten dat ze deze de taak moesten uitvoeren. De Jap wist echter niet dat ze ons daarmee hielpen.

Ons kamp moest iedere dag vijfhonderd man leveren. In het begin werden vrijwilligers gevraagd maar het moesten in elk geval mannen zijn die fysiek nog redelijk in conditie waren. Het was begrijpelijk dat de geldsmokkelaars deel uitmaakten van deze vijfhonderd man.

Het middageten moest door ons kamp verzorgd worden en zou dan met behulp van infanterie wagentjes van het KNIL naar de werkenden gebracht moeten worden. De bomen van deze wagenstjes waren van staalbuis gemaakt, en in deze bomen werd het geld verstopt om weer in het kamp te komen. Helaas was er verraad en veel geld viel in handen van de Jappen en diegenen die de wagens trokken werden halfdood geslagen. Deze wijze van smokkelen was meteen van de baan, was veel te riskant.

Op een middag toen ik na het werk op weg was naar onze barak merkte ik een bekend figuur op in een hokje dat gemaakt was van prikkeldraad. De persoon in het hok was mijn broer. Hij was nogal groot van stuk en door het lage dak stond hij daar in een ongelukkige positie en kon zich niet goed bewegen om zich niet te bezeren aan het prikkeldraad.

Ik stond ongeveer zo'n tien meter van de kooi af, mijn broer keek zijdelings het pad langs en kreeg me in de gaten. Hij bewoog het hoofd en ik begreep dat ik dr moest lopen. Hij werd in de avond losgelaten uit de kooi maar gaf geen commentaar op het voorval.

Een andere straf die nogal vaak werd toegepast, bestond uit het in de goot staan met het water onder 's mans neus. Aan de kant stond dan een Heiho met een stok in de hand om er voor te zorgen dat de strafpositie gehandhaafd bleef. Er dreef allerlei vuil in deze sloot, ook mensen vuil. Deze straf duurde soms enkele dagen.

Er was een man die bijzonder dik was toen hij in het kamp ging. Door het gebrek aan voeding viel hij z af dat de vellen hem langs het lichaam hingen, wat ook nog veel pijn veroorzaakte en het moment brak aan dat hij niet meer op de been kon. Een arts was van mening dat een balein waarschijnlijk zou kunnen helpen. Dit balein werd in de werkplaats gemaakt van staalband, bekleed met een binnenband van een fiets. Het werd een succes en de man kon weer lopen.

We kwamen te weten dat diegenen die reeds werk hadden in het kamp ook buiten het kamp konden werken. Echter als corver want het was niet geoorloofd twee werkzaamheden te bezitten. Deze wetenschap kwam goed uit want ik had het plan om me op te geven als corver om buitn een kijkje te nemen.

Ik sprak met mijn broer over het idee. Misschien dat ik familie kon zien, want we woonden in Bandoeng en hadden thuis nog een jongere broer en twee getrouwde zusters die bij mijn moeder woonden. Een tweede doelstelling om naar buiten te gaan was, proberen iets te verkopen om over wat geld te kunnen beschikken.

Ik moest nog iets uitdenken om het eventuele geld binnen te smokkelen.

Ik liep weleens op klompen, die ik zelf gemaakt had, en het schoot me te binnen dat als ik een uitholling zou kunnen maken in de hak, dat ik het geld daarin zou kunnen verstoppen.

Ik ging aan het werk en met behulp van een plat geslagen spijkerpunt lukte het mij om een uitsparing in de hak te snijden. Met een stukje leer van een afgedankte schoen kon ik de holte afsluiten. Ik vond ook een paar spijkertjes.

Mijn vader had nog een pyjamajas die hij kon verkopen en ik vroeg toestemming van de putbaas Walter Hanlo om enkele dagen buiten het kamp te mogen werken.

De dag brak aan dat ik buiten zou gaan werken.
Ik had de pyjamajas over mijn hemd aangedaan en hij viel een beetje te breed uit.

We werden niet gefouilleerd bij het uitgaan die dag. Het doel van de troep was een verlaten vrouwenkamp. Ik kan me niet meer herinneren wr dit kamp was want na deze gelegenheid ben ik ook nog in andere lege kampen geweest als corver.

Er stonden nog vele meubels in de huizen en onze taak was deze meubels onder te brengen in een centrale bergplaats.

Ik kreeg de gelegenheid om de pyjamajas te verkopen aan een soldaat die mij daarvoor vijf gulden aanbood. Ik nam die aan want ik had geen ervaring en wilde mij ook geen moeilijkheden op de hals halen zo bij de eerste maal.

Gedurende het etensuur kreeg ik gelegenheid om het geld in de klomp te stoppen. Ik had een briefje van vijf gekregen en dat ging gemakkelijk in de klomp.

Daarna ging ik gewoon weer door met het corvee, af en toe keek ik naar de zool van mijn klomp, alles zat nog goed.

's Middags moesten we weer terug naar het kamp. Ik was wel bezorgd, die soldaat kon me nog aangeven, mij fouilleren op het geld dat hij mij gegeven had................ ik voelde mijn hart in mijn keel.

We hadden het kamp bereikt, gingen de poort door en werden verzameld op de binnenplaats voor de telling en lijfonderzoek. We moesten de gebruikelijke afstand bewaren.

Het begon opeens te regenen, een tropen bui. Waar ik stond had zich een plas gevormd en instinctmatig hield ik mijn hak wat omhoog om het geld niet nat te laten worden. Een ondoordachte handeling: er kwam een wachter op me af, het was een Sundanese recruut.

Hij bleef vr me staan en vroeg wat ik aan mijn voet had. Ik zei dat er niets aan de hand was maar hij liet me de klomp uitdoen en vroeg me die aan hem te geven. Hij bekeek de klomp een tijdje, keek me weer aan en liet daarna de klomp vlak voor me op de grond vallen en liep door naar mijn buurman. Mijn keel was droog maar ik probeerde me zo goed mogelijk te houden.

Het onderzoek was voorbij en we mochten terug naar onze barakken. Ik zette me op mijn matje neer en nam de klomp in handen, ik had meteen begrepen dat die soldaat mij gespaard had. Het nat geworden leer vertoonde een duidelijk zichtbare deuk doordat het geld niet de hele holte gevuld had. De klomp werd meteen afgekeurd als smokkel apparaat.

Veel kampgenoten bewaarden met zuinigheid kleren en schoeisel met de bedoeling n en ander te kunnen verkopen als de oorlog was afgelopen en we weer het kamp mochten verlaten. Tot deze kampgenoten behoorden merendeels de ouderen. Deze objecten werden naar de nabestaanden buiten het kamp gestuurd indien de gevangene kwam te sterven. Er was een groep belast met dit werk. Het was een groep samengesteld uit personen die in het normale buitenleven sociaal werk deden.

Helaas, na de oorlog kwamen we te weten dat veel goede objecten door deze groep werden geruild en dat aan vele nabestaanden vodden werden toegestuurd.

De honger werd steeds erger, het was een dagelijkse strijd zonder pardon. De corvee ploegen gingen af en aan en soms kregen we wat te horen dat de dagelijkse monotonie brak.

Op een middag kwam een corveetroep binnen en de jongens moesten op de binnenplaats aantreden voor lijfonderzoek. Veel tawanans hadden een zak gemaakt die ze om de nek hingen als ze naar buiten het kamp gingen. In deze zak werd dan alles verzameld wat de betrokkene dacht dat verslonden kon worden. De inhoud van de slakken liep sterk uiteen. Toch werden in de meeste agaatslakken, kikkers en kadals gevonden, af en toe een waterslang.

Een Jap liep op de troep af en begon de jongens te fouilleren. Een jongen met een zak om de hals was aan de beurt. De Jap vroeg wat in de zak zat en de zak werd open aan de Jap aangeboden om er zijn hand in te steken. De Jap stak zijn hand in de zak maar trok die er snel weer uit. Het onderzoek was meteen afgelopen en de troep moest zich uit de voeten maken terug in het kamp.

Met zoveel mensen in onze onmiddellijke omgeving kregen we vreemde gebeurtenissen te horen die in een normale samenleving niet zouden opvallen. Er was een kampgenoot, reeds op leeftijd, die steeds achter een arts aan liep met het verzoek een kleine teen van hem te amputeren. De man vond dat de teen lelijk was en hinderde bij het aandoen van zijn klomp.

De arts gaf als antwoord dat de operatie niet gedaan kon worden omdat er geen anesthesie middel was en deed moeite de kampgenoot tot andere gedachten te brengen.

De moeite van de arts was vruchteloos want de man bleef zeuren totdat de arts op een dag zei dat er een verdovingsmiddel was en de teen er af kon.
De operatie vond plaats maar tot verrassing van diegenen die de patint kenden was deze de dag volgend op de operatie overleden. Het teentje er af was diens laatste wens!

De werkzaamheden buiten het kamp werden uitgebreid. De Jappen wilden nog een andere troep van vijfhonderd man op de been maar dit moest dan een vaste groep worden van steeds dezelfde mannen. Die moesten een spoorbaan aanleggen, in de omstreken van Tjitjalenka.

Om aan deze eis van de Jappen te kunnen voldoen werd een heel blok aangewezen waar om en bij dat aantal kampgenoten was ondergebracht. Er was ook mr water nodig om in de benodigde voorraad van deze groep te voorzien. Hanlo werd bij van Karnebeek geroepen en er werd besloten dat een put met vijf meter middellijn zou worden geslagen. De Wichelroedeman zocht de juiste plaats op. De graafvoorbereiding in dat blok wekte de nieuwsgierig op van een Jap die daar maar wat liep rond te lopen.

Met behulp van een in de haast opgetrommelde tolk vroeg hij wat dat ronlopen met de gaffel te beteken had.
Met behulp van de tolk werd het hem uitgelegd maar met zijn handen maakte hij een afwerend gebaar waardoor bleek dat hij niets geloofde van de uitleg. Hij nam de gaffel uit de handen van de wichelroedeman en liep rechtstreeks naar de afvoergoot.

De punt van de gaffel verroerde zich niet en met een brede grijns op zijn gezicht riep de Jap om de tolk: "Wat jullie me vertelden is allemaal nonsens, jullie zijn bedriegers!"

De wichelroedeloper had reeds de plaats van de put aangeduid en liep naar de Jap toe met een gaffel. Met gebaren maakte hij de Jap duidelijk dat hij diens armen zou vasthouden waarin hij op zijn beurt de gaffel moest vasthouden.

De Wichelroedeman liep met de Jap in de richting van de reeds vastgestelde plaats en beschreef hierbij steeds kleiner wordende cirkels. Op een gegeven moment boog de punt van de gaffel naar beneden, men benaderde de eerder gevondenplaats.

De Jap was rood in zijn gezicht. Hij had moeite met de gaffel maar hij wilde zich niet gewonnen geven. Toen hij daadwerkelijk boven de juiste plaats stond, brak de gaffel langs zijn handpalmen. De Jap zei niets meer, maakte rechtsomkeert en ging weg.

We groeven de put volgens vooropgezet plan en daarna boorden we nog drie gaten in de bodem. Er stond volop water, toch konden we nog meemaken hoeveel water vijfhonderd man opmaakten in enkele uren.

De emmers schraapten de bodem om tien uur in de avond als de laatsten uiteinedelijk tot aan hun bad kwamen.

De volgende morgen was het kristalheldere water weer op niveau, er stond dan zeven meter water in de put.

Op een dag zei mijn oom, dat hij zich zorgen maakte om zijn gezin. Om te proberen enige notitie op te vangen, dacht hij erover om enkele dagen corvee te doen.

Hij schreef zich in en op een dag zag ik hem met een troep naar de binnenplaats lopen. Ik was nieuwsgierig en liep naar de poort die toegang gaf tot de binnenplaats, er was lijfonderzoek en ik ontdekte mijn oom. Ik bleef kijken, een Jap ging voor hem staan en hij werd gefouilleerd. Ik zag de Jap iets aannemen en op een gegeven ogenblik gaf hij klappen op het gelaat van mijn oom en met een trap tegen zijn benen wierp hij mijn oom tegen de grond.

De Jap verwijderde zich en mijn oom werd door enkele mannen op de been geholpen. Voor hem was het corvee voorbij, hij liep terug nar de poort en weer het kamp in. Hij liep mank en werd door iemand naar het hospitaal geleid.

Later op de avond, in de barak kregen we zijn verhaal te horen. Het was die bewuste morgen nogal fris en hij had zijn jas aangedaan maar vergeten er zijn zakhorloge uit te halen. De Jap had hem beschuldigd als smokkelaar.

De trap tegen zijn benen had nog een staartje. En van de schoppen had een wondje veroorzaakt dat begon te infecteren. Het had niet veel gescheeld of dat been had er af gemoeten. Na dit voorval was voor mijn oom de lust eruit, om buiten het kamp een kijkje te gaan nemen.

Op een morgen kregen we kort na de warmwater verdeling een schrikwekkend bericht. Er was een geval van nekkramp geconstateerd, volgens de berichten was de patint er slecht aan toe. Onze kampdirecteur gaf het bericht door aan de Japanse commandant. De barak waar de zieke lag moest onmiddellijk afgezet worden met prikkeldraad, niemand mocht er uit, er werd ook een deur gemaakt in het raster.

De gamellen met het eten werden bij de deur van het raster neergezet en de barak bewoners moesten ze dan zelf binnen het raster dragen en daarna weer tot de deur.

De Jappanners waren doodsbang en we bleven vrij van hun dronkemans acties in het kamp. Af en toe verschenen er Jappen in witte jassen, doctoren vermoeden we. De jassen werden bij het verlaten van de barak bij het raster achter gelaten.
De quarantaine duurde twee weken en de ziekte was geen nekkramp.

De avonden werden merendeels doorgebracht met kaartspelen, schaken, dammen en andere spelen en conversatie.
Goed of slecht, het leven moest geleefd worden.

We mochten andere barakken bezoeken tot aan tien uur in de avond als dan de lichten gedoofd moeten worden, hierna was het slechts geoorloofd naar de WC's te lopen.

Er mocht ook wat muziek gemaakt worden of gezongen, mits geen lawaai wordt gemaakt. De Jappen kwamen na tien uur niet in het kamp, met uitzondering van de gewapende patrouilles.

De muziekinstrumenten waren hoofdzakelijk met snaren, de galmkast gemaakt van een klapperdop, in elkaar getimmerde kistjes of lege blikken, maar er waren ook artiesten die met weinig hulpmiddelen "echte" instrumenten fabriceerden. De snaren werden door de mannen die in de Japse werkplaats werkten verzorgd of geschonken door een anders denkende Jap. Deze bestonden er ook en zij handelden ook anders de omstandigheden in aanmerking genomen.

We leefden met sterke contrasten in de barak. Mijn buurman, die ouder was dan zeven en vijftig werd ziek en kwam te overlijden. Zijn hebben en houden werd verwijderd en de plaats bleef vrij staan. Het was niet geoorloofd dat de vrijgekomen ruimte verdeeld werd.
's Avonds verschenen er een paar knapen die muziek gingen maken in onze barak. De plaats die ze nu innamen was die van de overleden kampgenoot.

De strijd voor het bestaan was hard en iedere nieuwe dag moesten we er op voorbereid zijn nieuwe problemen het hoofd te kunnen bieden. We hadden geen bericht omtrent de oorlog en ook geen nieuws van thuis. Op een avond hield mijn broer ruggespraak met me, we besloten het er op te wagen enkele dagen corvee te doen buiten het kamp. We hoopten dan een familielid te zien. We waren reeds verscheidene dagen buiten aan 't werk toen het geluk keerde.

Tussen de voorbijgangers zagen we een zus van ons. We moesten heel voorzichtig zijn met het kijken want als de wachters iets verdachts vonden, konden we onthaald worden op een reeks klappen op ons hoofd met een geweerkolf.

De volgende dag hadden we meer geluk, dit gebeurde op de terugweg naar het kamp. We moesten namelijk met houten kribben sjouwen die naar het kamp moesten. We moesten n krib met z'n tween dragen die op deze manier voor een goed scherm zorgde. Ik droeg een krib met een andere kampgenoot,zo ook mijn broer. Er waren niet veel kribben maar doordat we vlak achter elkaar liepen werd er een vrij groot scherm gevormd.

Ik zag mijn zus en door de gebaren die ze maakte begreep ik dat ze me ook had opgemerkt. Ze stak een duim op en dat was voor ons voldoende.

De volgende dag trokken we er weer op uit, dit keer naar een ander verlaten kamp. Terwijl we allen nog aan het werk waren kregen we opdracht om ons te verzamelen. We stonden netjes in de rij, vijfhonderd man. Er kwam een Japanse officier te voorschijn, hij was Luitenant. We moesten in de houding staan, hij sprak ons toe in het Japans en er was een tolk die zij dat de Luitenant niet tevreden was met ons werk. De Japanners waren erg goed voor ons maar wij appricieerden dat niet en daarom moest hij ons een straf opleggen. We moesten de onderlinge afstand vergroten en in de houding staan met opgeheven armen in n lijn met ons lijf.
Het begon te regenen, niet hard maar genoeg om in korte tijd drijfnat te zijn. De armen begonnen zwaar te worden en begonnen langzaam te zakken.

Er kwamen Japanse soldaten en Heiho's, ze hadden stokken in de hand en bleven achter de mannen staan wiens armen gezakt waren. Ze sloegen met de stok tegen de ellebogen net zo lang tot de armen wederom recht overeind stonden.

Er was een hele tijd voorbij gegaan, ik had geen horloge maar vergeleek de tijd met het voortschrijden van de dag, we stonden daar reeds een tweetal uren. Ik weet n nog niet, ik ben nu 72 jaar, hoe ik mijn armen in de lucht heb weten te houden zonder de stokslagen.

Ik had geen gevoel meer in mijn armen, ze zakten langzaam, er was geen soldaat in de buurt, ik wilde mijn armen in de hoogte steken, ze reagerden niet, ik deed een nieuwe poging en heel langzaam lukte het. De regen was overgegaan in motregen en we kregen de opdracht om ons te verzamelen, onze armen vielen omlaag.

We dachten dat de straf achter de rug was maar dat was een illusie, er stond ons mr te wachten. We stonden nu op een pleintje, weer in de houding en op gegeven afstand. Soldaten kwamen met bambu zwaarden aandragen, het werd een stapel.

Zo'n zwaard was gevormd door vier bambu segmenten bij elkaar gebonden met repen leer en werden gebruikt voor oefeningen.

We dachten dat we elkaar te lijf moesten gaan met die dingen maar we zaten er glad naast.

De Luitenant kwam weer op de proppen. Vr ons was er een soort verhoging waarop de Jap zich posteerde. Hij stond ongeveer een halve meter hoger dan iemand die voor hem ging staan. Hij had een bambu zwaard in zijn handen. Hij gaf bevel dat de eerste in de rij nader moest komen. Met zijn bambu zwaard mat hij de afstand tot het hoofd van onze kampgenoot. Hij hief het zwaard op en gaf een hevige slag op het hoofd van het slachtoffer.

De gedachten vlogen me door het hoofd, zou ik die klap kunnen verdragen, en mijn broer? Het wachten op mijn beurt begon me te kwellen. Maar daar stond ik dan, ik kreeg een hevige klap op mijn hoofd en proefde een vreemde smaak in mijn mond. Ik dacht dat het bloed was. Ik spuwde wat in mijn handpalm. Het was geen bloed. Ik had vrij veel haar en dat was mijn geluk. Ik voelde een pulserende pijn op mijn schedel en toen ik mijn hand er op deed voelde ik dat er een dikke buil op was.

Ik was wat gekalmeerd en keek voorzichtig om me heen, zag mijn broer niet meer maar wel verscheidene bloedende hoofden. Deze kampgenoten hadden geen of weinig haar. Er ging een aardige tijd voorbij tot aan de laatste slag. De berg zwaarden had plaats gemaakt voor een stapel gebroken bambu segmenten.

Tijdens de mars terug naar het kamp zagen we geen bekenden, waarschijnlijk vanwege de regen maar ook vanwege het late uur.

Toen we in het kamp waren aangekomen kwamen we tot de ontdekking dat onze beproeving nog niet tot een einde was gekomen die dag. We moesten met gekruiste benen op de grond zitten met de handen naar achter en open handpalmen op de grond. Er kwamen soldaten die tussen de rijen door liepen, af en toe bleven ze voor iemand staan, bukten zich wat om het slachtoffer de vraag te stellen wat de smaak was van spaanse peper, na het gegeven antwoord "heet" moest deze dan een regen van klappen op zijn gezicht incasseren.

Andere soldaten trapten met hun laarzen op de vingers. Zowel mijn broer als ik ontsnapten aan deze pijnigingen.

Terug in onze barak waren we volop in de gelegenheid om na te denken over de wreedheden, maar de redenen bleven een open vraag, maar er moest beslist wat gebeurd zijn.

Enkele dagen later vertelde mijn broer dat de Geallieerden terrein hadden gewonnen. Dat zou dan de reden zijn geweest van onze straf. Ofschoon mijn broer niet verteld had waar het nieuws vandaan kwam, had ik toch begrepen dat er ergens een luister apparaat moest zijn. Men moest uiterst voorzichtig zijn want er waren verraders.

Het leven ging zijn moeilijke gang, en Lijkenpikker ging gewoon door met zijn wreedheden binnen en buiten het kamp.

Tot het keukenpersoneel hoorde een groep van vier of vijf knapen die Lijkenpikker moesten vergezellen voor de aankoop van groente voor de keuken.

Deze groente waren voor het kamp maar de hoeveelheid was ontoereikend. Het waren peentjes, tomaten, witte radijs en nog wat.

Lijkenpikker ging er nogal vaak opuit met een kleine vrachtwagen maar betaalde nooit wat hij schuldig was. De straatventers waren gedwongen hun waar af te staan tegen een kleine vergoeding.

Op een dag kwam Hanlo met het nieuws dat we ook in een Japanse kazerne putten moesten maken. Ze waren bevreesd vergiftigd te worden door saboteurs.

De Jap verstrekte ons enkele artillerie wagentjes om onze spullen te transporteren.

Het kampement was niet z ver van ons kamp verwijderd, het kostte ons zo'n twintig minuten lopen.
In het kampement liepen ook Indonesische recruten rond.

We begonnen met het werk. Voor ons was het nog een put. We waren niet de enigen aan het werk in dat kampement. Er waren er ook zo'n 500 man.
Dit corvee was reeds een tijdje aan de gang want er werd nogal wat verhandeld.

Er was een kampgenoot van een jaar of vijf en twintig die altijd met de Japanners liep. Hij verstond wat van de taal. Op een keer zag ik dat hij flink werd afgetuigd door de Jap. Ik had zo het idee dat hij de putgravers moest bespionneren, maar we hielden hem altijd op een gezonde afstand.

Op een middag na het bad, kreeg ik bezoek van Driessen. Hij nodigde mij uit voor een praatje in zijn barak. Het was geen barak maar een huis voor onderofficieren. De kamers waren verdeeld onder zoveel mensen als konden worden ondergebracht met een ruimte van zestig centimeter. Er "woonden" meer putgravers in het huis, maar de anderen hadden de kamer verlaten.

Ik was alleen met Driessen. Enkele minuten later stapte Jozef de kamer binnen en kort daarop Hanlo. Ik had meteen begrepen dat er iets ernstigs in de lucht hing. Ik was bezorgd en nieuwsgierig. Hanlo pakte de koe bij de horens en zei: "Willy en Jozef, we hebben besloten jullie twee uit te nodigen mee te doen met onze groep om geld binnen te smokkelen".

Hij ging verder: "Gedurende het werk buiten het kamp zullen jullie geld ontvangen van iemand van onze groep. Jullie krijgen geen geldelijke beloning maar iedere dag een portie voedzaam eten zolang jullie meedoen aan de geldsmokkel. Jullie zijn echter vrij in de beslissing".

Ik vroeg n avond om erover na te denken want het was verantwoordelijk en gevaarlijk en ik wilde er met mijn vader en broer over spreken. Jozef antwoordde dat hij zou doen wat ik zou besluiten.

Mijn vader en mijn broer vonden dat ik het risico moest nemen.
Wij kregen meer inlichtingen omtrent de geldsmokkel. We moesten het geld in aspirine tubes doen. In de tubes pasten briefjes van 10 gld. De tubes werden door ons naar buiten gebracht met wat zout er in om in het eten te doen, dit zouden we dan een eventuele nieuwsgierige Jap aan zijn verstand moeten brengen.
De tube moesten we in ons lijf introduceren en dat gebeurde dan na onze behoefte gedaan te hebben. We konden de buis voelen stijgen en verder hinderde hij niet. De tube was veilig zelfs al zouden we een val maken of een schop te incasseren hebben. Het retourneren van de buis gebeurde met een lichte persing terwijl we op onze hurken zaten.

De vuurproef begon met Hans die de jongste was. Er deden zich geen moeilijkheden voor met de wachters, maar Hans verloor het geld doordat hij vergeten was de buis met zijn hand op te vangen.

Driessen was mijn fournier en die van Jozef. Hij gaf ons het geld en het eten en wij gaven hem het geld.

Met de buis in het lichaam rondlopen en de soldaten passeren veroorzaakte een vreemde sensatie. Het was een kwestie van leven of dood dat we ons zo natuurlijk mogelijk konden voordoen.

De dagen gingen voorbij en we waren het "werkje" gewoon geraakt. Ik had er drie maanden aan meegedaan en nimmer had men ons ontdekt ofschoon de Jappen argwanend waren en we haast dagelijks onderzocht werden.

Op een middag toen we ons gereed maakten om terug te keren naar het kamp, werden we door een militair geroepen. Tegenover de verzamelplaats stond een kampgenoot vastgebonden aan een paal met de handen op de rug.

Een Japanner verklaarde dat de man een boosdoener was en dus gestraft moest worden. Het was een vrijdag en een troep soldaten mocht het kampement verlaten. De man aan de paal heette Simon. De soldaten die vrijaf gingen moesten in een rij vr hem staan. De opdracht van de Jap was dat ieder soldaat vijf klappen of vuistslagen moest geven op het gezicht van Simon.

Het was een veschrikkelijk aanzien, iedere tegenactie van onze zijde zou ons leven kunnen kosten.

De soldaten gingen voorbij, Jappen en Indonesirs, er waren erbij die deden alsof ze sloegen, maar ze moesten het dan opnieuw doen, want er stond een Jap naast Simon, die dan actief het voorbeeld gaf ho geslagen moest worden.

Simon was enkele malen reeds flauw gevallen maar een recruut hield zijn hoofd bij de haren overeind.

Het aangezicht was een bloedend blok geworden. Er was geen gezicht in te herkennen.

De straf was opgelegd en we mochten Simon van de paal halen. Hij werd op een kar gelegd op de terugweg naar het kamp. Ik had de soldaten geteld, het waren er vijf en tachtig.

Simon overleefde de kastijding. Bleef een hele tijd in het hospitaal en wat ik er nog van hoorde was hij verder helemaal opgeknapt.

Later kwamen we te weten wat er gebeurd was. Simon had een laken aangeboden aan de bewuste Jap maar het bod was te laag. Simon gaf het laken niet en de Jap liet weten dat hij geen andere koper moest zoeken. De hint had Simon niet opgevolgd.

Onze geldsmokkel was op volle gang. Naar schatting brachten we per dag dertienhonderd gulden binnen. Dagelijks kregen we ook ons kampeten maar dit verdeelde ik tussen mijn vader en mijn broer.

Onze Engelbewaarder scheen met vacantie te zijn. We deden ons normale werk, putgraven voor de Jappen. Er was niets anders gebeurd. Maar er stond ons wat te wachten want ongeveer een uur vr afnokken werden we geroepen door een Korporaal, het was een Indonesir.

Met ons dertienen moesten we voor hem staan. Hij riep een sodaat, ook een Indonesir die in de buurt passeerde. Die kreeg een opdracht die ik niet verstond, maar kwam terug met bambu van ongeveer anderhalve meter lengte en ongeveer vier vijf centimeter in diameter. Maar de Korporaal was er niet tevreden mee en de soldaat ging af om even later terug te komen met een hockeystick.

De eerste in de rij, het was Jozef moest naderbij komen. De Korporaal mat de afstand met de stick op de rug van Jozef. Hij had de bocht van de stick in zijn handen en haalde uit met het rechte stuk en gaf zo drie hevige slagen op de rug van Jozef.

Ik herinnerde me niet wie de tweede was. Ik was de nummer drie. Mijn gedachten vlogen door mijn hoofd. Zou ik die klappen kunnen verdragen, wat zou de afloop zijn, hoe zou de reactie zijn van mijn vader en mijn broer?

Ik moest uit de rij stappen. De Korporaal mat de afstand. Ik geloof niet dat ik bang was, het was meer bezorgdheid dat de stick zou uitwijken en mijn achterhoofd zou raken. De Korporaal hief de stick op, boog het bovenlijf zijdelings, de stick kwam met een fluitend geluid op mijn rug met een doffe klap. Zo ging dat driemaal achtereen. Ik voelde geen onmiddellijke pijn, slechts een koud gevoel van arm tot arm over mijn rug.

Ik had de klappen wat opgevangen door mijn spieren te spannen toen ik mijn armen langs het lijf hield opdat mijn ruggegraat niet geraakt zou worden. Toen ik weer in de rij stond voelde ik mijn armen zwaar worden en had ik een kloppende pijn in mijn armen en rug.

Terwijl de Korporaal een vierde slachtoffer stond te slaan kwam er schreeuwend een Jap aanrennen die de Korporaal verbood verder te slaan.

Mijn vrienden gingen om me heen staan, maar ik zag nog dat de stick aan diggelen was. Mijn armen waren gezwollen en in beide had ik een snee, ook over mijn rug zeiden mijn vrienden.

We waren bezorgd over een eventueel lijfonderzoek bij terugkomst in het kamp. In dat geval zou ik dan moeten zeggen dat ik op mijn rug was gevallen. Mijn armen deden erge pijn en hadden welhaast het dubbele van de normale omvang.

We waren in het kamp aangekomen en mochten Goddank door marcheren het kamp in. Mijn vader en mijn broer hadden geen commentaar. Ik wist niet wat er in hun omging, ze kwamen nooit meer op het onderwerp terug.

Ik kon mijn armen niet gebruiken, ik moest mijn hoofd naar mijn hand buigen om te kunnen eten, ook een bad nemen was moeilijk, ik liet het water over mijn lichaam lopen onder een kraan.

Gedurende twee dagen kon ik mijn armen niet gebruiken, daarna ging het wel weer een beetje maar een dag of tien deed ik niet mee aan het putgraven.

We maakten drie putten voor de Japanners en daarna mochten we het kamp niet meer uit.

Er was een grote ommekeer gekomen in het verloop van de oorlog, de Geallieerden hadden terrein heroverd.

Ik had eerder al verteld dat ik praktisch geen kleding meer had. Op een middag op weg terug naar mijn barak, vond ik en paar schoenen waarvan de zolen los zaten. Ik bekeek ze goed en vond dat ze nog te gebruiken zouden zijn als ik de zolen zou kunnen naaien, dus ik nam ze mee.

Enkele dagen later vond ik wat ijzerdraad en het probleem van de schoenen was opgelost.

Het corvee buiten het kamp was stopgezet en de vermoedelijke redenen waren: zware verliezen aan de Japanse kant.

Op een middag moesten we op een lijst invullen wat ontbrak om "gekleed" rond te lopen. Mijn vader had nog een pyjama jasje die hij mij zou geven. De gevonden schoenen konden dienst doen en ik had nog onderbroeken. Ik had geen lange broek meer.

De lijst moest afgegeven worden aan onze kamp directie.

Enige tijd later kwamen de gevraagde kleren. Ik kreeg een witte lange broek, die was niet nieuw maar nog heel goed. De broek paste mij en gedurende enkele momenten gingen mijn gedachten uit naar de eigenaar van de broek.

De condities van ons, genterneerden, werden iedere dag beter.

Lijkenpikker was niet te herkennen, veranderde als een blad aan een boom. Hij deed zijn uiterste best om goed te doen, dit tot schade van de straatventers die groenten verkochten. Hij betaalde met een oude pullover twee manden vol met mooie tomaten.

Er gingen enkele weken voorbij en op een dag moesten op de barakken de letters PW geverfd worden met witte verf. Dit betekende dat ons kamp binnen het bereik van Geallieerde vliegtuigen was en niet verward mocht worden met Japanse instellingen.

De hoeveelheid voedsel werd vermeerderd en de kwaliteit verbeterde, er kwamen zelfs medicijnen binnen.

Daar we niet werden verjaagd als we te dicht bij de schutting kwamen, waren we in de gelegenheid deze beter te bekijken.

Op de hoeken waren wachttorens gebouwd op dezelfde hoogte als de buitenschutting en bewapend met een mitrailleur die op het kamp was gericht. We mochten ook een kijkje nemen in de huisjes die als hospitaal waren ingericht en waar zo veel kampgenoten stierven.

De oorlog was nog niet tot een eind gekomen maar de Geallieerden schoten iedere dag wat op.

Op zekere dag kwamen er enkele vrachtwagens binnen en werden er kartonnen dozen uitgedeeld afkomstig van het Rode Kruis. De inhoud van twee dozen moest verdeeld worden onder zeventien man. Hoe men aan dit deelgetal kwam, waren we nooit te weten gekomen. Belangrijk was dat er geen ruzie kwam bij de verdeling. Er zat praktisch van alles in de dozen: melkpoeder, chocolade blokken, cigaretten enz.

Het verbod om vuur te maken was nog van kracht, maar er liepen niet zoveel soldaten door het kamp. Toch hadden we een wachtwoord uitgevonden om eventueel ongewenst bezoek te signaleren en dit was dan "warm water" hardop geroepen.

Een kampgenoot had een vuurtje gemaakt om water te koken om na zoveel ontbering wat koffie en melk te drinken. Hij was z verdiept met zijn kokerel, dat hij de nadering van een Jap niet opmerkte totdat deze zelf heel goed uitgesproken zei: "Warm water?" Het was komisch om te zien hoe onze kampgenoot het te kook staande water op het vuurtje omgooide. De situatie was veranderd, de Jap schudde zijn hoofd en liep verder zonder nog iets te zeggen. Niemand had de nadering van de Jap opgemerkt, hij stond daar opeens achter de "boosdoener".

Op een morgen dat de keukenjongens de Lijkenpikker vergezelden op zijn rooftocht voor groente voor de keuken, merkte deze op in slecht Maleis: "Jullie moeten aan de Amerikanen vertellen dat -ik- Lijkenpikker een fijne kerel is." Hij had zijn bijnaam ontdekt.

Alle gebeurtenissen wezen op een spoedig einde van de oorlog.
Mijn broer vertelde me op een avond dat iemand een radio-ontvanger had in het kamp.

De Amerikanen schoten iedere dag wat op maar er was nog hevige weerstand van de Japanners.

Het voedsel in het kamp was veel beter geworden. Er kwam meer vlees en er was meer variatie. Het was niet meer nodig om blaren te plukken om de hoeveelheid te vermeerderen.

Mijn broer kwam met het bericht dat de Amerikanen een bom hadden gegooid op Japan met een groot vernietigend effect. Het was een atoombom.
Enkele dagen later herhaalde het bericht zich.

15 Augustus 1945
Wij moesten ons verzamelen vr het huis waar van Karnebeek "woonde". Hij maakte bekend dat Japan gecapituleerd had. Hij werd onderbroken door een hiep hiep hoera uit de duizenden kelen. Hij verzocht om stilte en vervolgde: "Vanaf heden zijn er geen vijanden meer." en verzocht ook om de Jappen niet omver te lopen die eventueel in het kamp moesten zijn.

De oorlog was voorbij, toch mochten we het kamp niet uit om moeilijkheden buiten te voorkomen. We moesten wat geduld hebben. De dag dat we losgelaten zouden worden was vastgesteld op 31 augustus 1945. Dat was te zeggen alln de kampgenoten die hun woonplaats in Bandoeng hadden, de anderen zouden staps gewijs losgelaten worden afhankelijk van de opsporings resultaten van de respectievelijke families.

We zouden het kamp niet met lege handen verlaten. Een ieder kreeg enkele kilo's rijst, suiker en katjang idjoe. Mijn broer had kans gezien om een artillerie wagen op de kop te tikken, waarmee hij de proviand en het restje van onze eigendommen naar huis wilde rijden.

We kwamen overeen dat ik eerder naar huis zou gaan om mijn moeder en de andere gezinsleden voor te bereiden op onze thuiskomst.

Het openen van de poort was vasrgesteld op 10 uur in de morgen. Ik stond dicht bij de poort en toen deze werd geopend zag ik heel veel mensen op het veld vr het kamp. Het was niet dezelfde poort waardoor we naar corvee gingen.

De mensen die buiten voor het kamp stonden waren voor het merendeel vrouwen. Ik keek overal rond in de hoop een bekend gezicht te ontmoeten, maar helaas merkte ik niemand op. Ik begon ongerust te worden maar opeens herkende ik een nicht van me. Ik liep op haar af en ze herkende me ook. Ze had een fiets aan de hand en ik vroeg of ze me die wou lenen. Ze stemde toe en ik stapte op, ik haalde diep adem, ik was vrij. Ik had moeite de richting te houden, ik zwaaide van links naar rechts. Ik hield het stuur flink vast.

Het ging al beter. Er was maar weinig volk op de weg. Er kwam een Jeep aan, er zaten Japanse soldaten in, ze schonken geen aandacht aan mij.

Ik zag een dame lopen, ze was bijna helemaal grijs. Ze liep in mijn richting. De herinnering was wederzijds, het was een zuster van me. Fiets op de grond, omhelzing, ik had zekerheid, -ik was vrij-.

Ik vertelde haar dat Vader op weg was. Ik nam de fiets op en vervolgde mijn tocht naar huis. Ik zag meer Japanners maar niemand keek naar me. Ik was dicht bij huis. Ik reed de straat in een zijweg van de Grote Postweg. Ik was er. Ik pakte de fiets op en duwde hem voor me uit het erf op en liet hem tegen de muur staan. Op het erf stonden tafels en banken van bambu. Ze stonden er niet toe ik naar het kamp moest.

Er stonden enkele dames die naar me keken. Ik kende ze niet. Ze riepen om iemand, de persoon verscheen, een dame helemaal grijs, het was mijn moeder. Omhelzing, ze kreeg een hevige huilbui en vroeg naar Vader. Ik legde uit dat hij dadelijk thuis zou zijn.

Het huis van mijn ouders was erg groot en er waren heel wat gehuisvest. Mijn moeder had enkele dames, wiens echtgenoten ook in kampen zaten, huisvesting gegeven, er waren ook kinderen bij.

Het weerzien tussen mijn ouders heb ik niet meegemaakt. De oorlog was tot een einde gekomen maar niet onze ellende en moeilijkheden.

Er gingen veel levens verloren door de atoombommen maar er zouden heel wat meer te betreuren zijn geweest indien de bommen niet gedropt waren.

Nawoord.

Mijn kamprelaas is n van de vele. Er zouden er mr geschreven kunnen worden als des mensen geheugen niet zo vol hiaten was. Mag ik een voorbeeld geven:

Toen ik het bibliotheek werk deed in het kamp, maakte ik veel kennissen en was in de gelegenheid veel gezichten in mijn geheugen te prenten. Na de oorlog, enkele maanden nadat we weer op vrije voeten liepen, ontmoette ik verscheidene kampgenoten bij wie ik ook tijdschriften en boeken bezorgd had en met wie ik k een praatje gemaakt had, maar er was er geen n bij die zich Willy (ondergetekende) nog herinnerde, vreemd nietwaar?

Ik krijg ook geregeld JES (Japanse Ere Schulden) aan huis bezorgd in Brazili en volg het verloop van de reclamaties over de uitbetaling van de Japanse schuld.

Ik persoonlijk geloof niet dat er ooit wat van wordt betaald. Het gaat volgens mij om de uitspraak en van wie deze uitspraak afkomstig is.

Kampgenoten hebben een nmalige uitkering gekregen van Hfl. 7500,--. Ik heb deze uitkering niet gekregen. Weet u waarom, omdat ik na de oorlog geen tien opeenvolgende jaren in Nederland of op Nederlands grondgebied heb gewoond.
Het gaat dus niet om het geleden leed, het belangrijke is de uitspraak van het oordeel.

Toch wilde ik wel dat men hier de aandacht aan schonk. Ik weet niet hoeveel er in mijn schuitje varen en om dit aan te pakken hoeft men geen reizen te maken naar Japan.
Het probleem ligt voor de deur, ik zou een spreekwoord kunnen gebruiken.

Ik koester geen wrok tegen de Japanners, want aan hen dank ik het leven van mijn naaste familieleden gedurende de Pemuda-onlusten in november 1945.

Het waren de Engelsen die de macht uit de Japanse handen moesten overnemen, maar ik heb aan de lijve ondervonden hoe negatief deze gentlemen gehandeld hebben.
Enfin, als de laatste tawanan is heengegaan is uiteindelijk alle leed geleden.