X-tus De Bevrijding
R.F. de Vogel       Terug naar: Lied/voordracht-overzicht
Het Zuiderkruis

In de loop van maart en april 1946 begonnen er berichten in het kamp Poendoeng te circuleren, dat de mensen uit de gewezen Japanse interneringskampen zouden worden geŽvacueerd.
De Engelsen zouden daarover met de IndonesiŽrs tot een vereenstemming zijn gekomen. Ex-geÔnterneerden van Japan zouden onder jurisdictie van de geallieerden vallen.

Door ervaring wijs geworden geloofde ik er niets van. Al zo dikwijls had ik zogenaamde berichten in rook op zien gaan, dus zat er voor mij niets anders op dan maar rustig de loop der dingen af te wachten.

Maar na een tijdje scheen alles toch op waarheid te berusten. Dat kon je onder andere merken aan een wat vriendelijkere houding van onze bewakers. Ook tandarts Van Leeuwen, ons kamphoofd, scheen er in te geloven.
Inderdaad werd ons op een gegeven moment gevraagd wie er wel en wie er niet in een Japans kamp geÔnterneerd waren geweest. De ndonesische autoriteiten waren daar wellicht zelf van op de hoogte.

Zo kregen we er vertouwen in dat er iets stond te gebeuren. Medio 1946 werden we in twee groepen verdeeld.
De precieze datum weet ik niet, maar het zal medio juni zijn geweest, toen de ex-japanse geÔnterneerden zich op een vertrek moesten voorbereiden.

Op een dag werden we op een legertruck geladen en reden richting Djokja. Op een papiertje had ik allerhande belangrijke dingen geschreven. Wie weet zou ik de mogelijkheid krijgen het onderweg ergens naar buiten te gooien. Waar we naar toe gingen wist ik niet, dus het was maar beter de loop der dingen af te wachten.

Eenmaal in Djokja aangekomen gingen we richting Pakoe Alam, over de brug van ťťn van de bekendste rivieren van de stad, de Tjodť. Bij de bioscoop gingen we linksaf richting N.I.S. station ( Nederlands Indische Spoorweg).

Tot mijn grote verbazing stond op de hoek mijn zuster Doll. Daar heb ik het briefje uit de truck gegooid. Ik weet niet meer of we per trein of per truck verder gingen, maar na ongeveer een uur rijden kwamen we bij het vliegveld Panasan in Solo aan.
Daar werden we op een terrein dichtbij het vliegveld in huisjes ondergebracht.

Onze bewakers vertelden ons, dat wij de volgende dag per vliegtuig zouden worden geŽvacueerd.

De behandeling was goed. Na het avondeten wandelde ik wat rond en raakte in gesprek met een Indonesische officier. In keurig Hollands vroeg hij waarom we eigenlijk weggingen. Als we dat wilden waren we welkom om te blijven, want IndonesiŽ kon ons goed gebruiken.

Maar in die tijd waren de verhoudingen tussen IndonesiŽrs en Nederlanders niet zo gunstig. Van onze kant dachten we nog met terroristen te maken te hebben en van Indonesische zijde werden wij door velen als hun voormalige kolonisators beschouwd. We beseften niet dat er een revolutie aan de gang was en dachten dat alles wel met een sisser af zou lopen.

De volgende ochtend werden we, na het ontbijt, per truck naar het vliegveld gereden.
Via een zandpad door de heuvels bereikten we in de heerlijke tropenmorgen een grote zandvlakte met ergens een grote bamboehut.

Na een tijdje zagen we inderdaad een Engelse Dakota landen. In de hut werden we door een arts "gekeurd"; er werd wat op blote borsten geklopt en in ogen en kelen gekeken, maar niemand werd afgekeurd.

Toen dat gebeurd was mochten we in het vliegtuig plaatsnemen. In de romp waren aan weerszijden lange banken gemonteerd. De zittingen waren van een soort canvas en waren net als de vloer spierwit van het DDT. In die tijd bestond er nog geen milieuvervuiling.

Toen iedereen binnen was taxiede het vliegtuig naar ťťn van de zijden van de grasvlakte, waarna het na een perfecte start het luchtruim koos.

Voor mij was die eerste vlucht van mijn leven een hele ervaring.
Eenmaal in de lucht merkte ik, dat wij een Indonesische begeleider bij ons hadden.
Hij stond in het gangpad. Het was waarschijnlijk iemand die van de zijde van de Republiek hiervoor was aangesteld.

Na plusminus een uur vliegen begonnen we te dalen. We waren allemaal benieuwd waar dat kon zijn.
Beneden zag je de in de zon glinsterende sawa's naderbij komen.
Werkelijk een schitterend gezicht. Een parelmoerblinkende, kronkelende rivier zocht hier een daar tussen geboomte en rijstvelden zijn weg naar de Javazee.
Voor het eerst in mijn leven zag ik mijn door tropenzon overgoten land vanuit de lucht.

Na ongeveer tien minuten gemanoeuvreer van het vliegtuig zag ik aan weerszijden klapperbomen en op wat het begin van een stad leek voorbij de ramen schieten.

Eenmaal geland bleken wij op het vliegveld van Semarang aan de noordkust van Java aangekomen te zijn. Na nog wat taxien, kwamen we tot stilstand.

Toen we uitgestapt waren bleek het vliegtuig op ongeveer vijftig meter afstand van een rij kraampjes tot stilstand te zijn gekomen.

Op lange tafels onder luifels, lagen heerlijk belegde broodjes voor ons klaar, terwijl een paar welgevoede Hollandse, witgeschorte blonde verpleegsters ons vriendelijk uitnodigden om op lange banken aan de tafels plaats te nemen.
Het was net of die blonde, roodgekoonde dames met hun welgevormde geronde lichamen zo uit Holland waren gearriveerd.

We namen plaats en mochten zoveel eten als we wilden. In jaren had ik geen kadetje meer gezien, laat staan geproefd.
De eerste, met roomboter besmeerd en met kaas belegd, nam ik eerst in mijn hand en keek er goed naar. Echt brood, zacht in de hand met een lichtbruin korstje. Het was als een geschenk uit de hemel.
De eerste hap daarvan zal ik nooit van mijn leven vergeten. De hap in een zacht met kaas belegd, een beetje zoet brood.

En dan een beker echte chocolademelk erbij. Niets kon beter smaken dan dat.
Bovendien kregen we er een pakje Amerikaanse sigaretten bij.

Nadat we, zoveel als we maar wilden, hadden gegeten en gedronken, werden we per truck weggereden.

Bij de uitgang stond een eveneens gezonde Hollandse, welvarend uitziende soldaat op wacht. Aan zijn heup bungelde een stengun. Blijkbaar was de situatie in Semarang niet bepaald veilig.

Na ongeveer een halfuur rijden kwamen we bij een kazerne aan. We reden onder een poort door en gingen langs een rechte weg in de richting van een gebouw, ongeveer vijfhonderd meter verderop. Daar aangekomen werden de trucks zo gemanoeuvreerd dat de achterkant op gelijke hoogte met de voorgalerij kwam.

Vanuit de laadbak moesten we in de richting van een open deur lopen. Wat wij niet wisten, was dat achter die deur twee mensen met op hun rug een container met DDT. waren geposteerd. Zodra je binnenkwam werd je via een slang met "ontsmettingsmiddel" bespoten.

Toen we van de schrik bekomen waren, moesten we onze kleren uittrekken en het in de binnengalerij op een hoop gooien, waarna deze weer met DDT. werden bespoten.
Daarna mochten we via een andere deur weer naar buiten. Met onze klamme, vieze, naar ontsmettingsmiddel ruikende kleren werden we naar barakken geleid en daar kreeg een ieder van ons een veldbed als slaapplaats aangewezen. Vreselijk stinkend, maar blij dat ik eindelijk vrij was, liet ik mij op mijn veldbed vallen.

Onder Klapperbomen
Terug naar: Top       Terug naar: Lied/voordracht-overzicht