Géza Szabó

BOEKTITEL

COPYRIGHT

WOORD VOORAF

BIJ WIJZE VAN INLEIDING

HOOFDSTUK 1 Geboorte, kleuterjaren, Eerste W.O.

HOOFDSTUK 2 Schooljaren, dansles, etiquette, meisjes, sport

HOOFDSTUK 3 Vaarwel Miskolc, vaarwel Hongarije en vooral, vaarwel familie

HOOFDSTUK 4 Treinreis naar Marseille, bootreis naar Batavia

HOOFDSTUK 5 Djokja, het werk, het pension, vreemde culturen, studie Nederlands

HOOFDSTUK 6 Eigen laboratorium, Hollandse sociëteit, verloving en huwelijk, het triumviraat

HOOFDSTUK 7 Naturalisatie, IEV, Nederland bezet,gezinsuitbreiding, Indië bezet

HOOFDSTUK 8 Internering, Benteng, Kerkelijke Sociale Aktie, gaarkeukens, noodflats, kempeitai

HOOFDSTUK 9 Financiering, organisatie, internering Dominees

HOOFDSTUK 10 Voedselgebrek, sluiting gaarkeukens, capitulatie Japan

HOOFDSTUK 11 Stationsdienst, ex-geïnterneerden, Ngawi, R.I., pemoeda's

HOOFDSTUK 12 Internering, Poendoeng, kamparts, Sewoe Galor, uit het kamp

HOOFDSTUK 13 Evacuatie naar Batavia, Kamp Tjideng, bootreis naar Nederland

HOOFDSTUK 14 Voet op Nederlandse bodem, studie in Groningen, tandartsen praktijk

EPILOOG

Hoe ouder een mens wordt, des te meer krijgt hij blijkbaar de behoefte naar vroeger terug te blikken. Mij vergaat dat niet anders, hoewel dat omzien geenszins de vorm aanneemt van een vlucht in het verleden. Zó heb ik niet geleefd en zo wil ik ook niet eindigen.

Terugblikken is voor mij: de herinnering nieuw leven inblazen, om er anderen hopelijk mee van dienst te zijn.

Het idee mijn herinneringen als boek naar buiten te brengen, is afkomstig van mijn vriend Han Resink. Hem en ook zijn zuster Trude ken ik al heel lang. Han heeft carrière gemaakt als hoogleraar in de rechtswetenschappen. Daarnaast is hij een vruchtbaar essayist en heeft hij een klein, maar zeer fijn oeuvre als dichter op zijn naam staan. Hij inspireerde mij deze levensgeschiedenis op papier te zetten.

In de loop van de achtenzeventig jaren die ik nu achter mij heb liggen, ben ik steeds meer waardering, ja eerbied voor mijn ouders gaan krijgen. Van hun opvoeding heb ik mijn hele leven lang profijt gehad, zowel in de goede als de slechte tijden.

Steeds heb ik veel vrienden om me heen gehad. Ik heb me weleens afgevraagd, waaraan ik dat te danken heb. Het is echter niet mogelijk, hen allen hier tot hun recht te laten komen.

Zonder iemand tekort te willen doen, haal ik toch een paar mensen naar voren. Om te beginnen Cécile en Feike Sybesma, met wie Greet en ik tientallen jaren bevriend zijn geweest, maar die er helaas nu niet meer zijn. Deze vriendschap is op hun oudste kinderen overgegaan.
Allereerst Chris, sprekend zijn vader. Voor de kinderen van Feike jr. zijn we zelfs min of meer oma en opa geworden.
En Tom Sybesma bracht ons in contact met de schrijver/journalist René Prummel, die mijn aantekeningen in een bijzonder aangename en vruchtbare samenwerking tot dit boek heeft weten te verwerken.

Dank ook aan onze oudste zoon Frans en zijn vrouw Truus voor het mee denken en fijnslijpen van het manuscript.

Verder gaat mijn grote waardering en warme vriendschap uit naar de kunstschilder Jan van den Bergh en zijn vrouw Joke. Hij bood spontaan aan het omslagontwerp voor dit boek te vervaardigen en is daarin naar mijn mening uitstekend geslaagd.

Daarnaast stel ik nog bijzondere prijs op vermelding van de historicus Theo Stevens, die een "Bij wijze van inleiding" bij dit boek heeft geschreven.

Ondanks alle steun die ik heb mogen ontvangen, zou dit boek zonder mijn vrouw Greet nooit zijn gerealiseerd. Ze wilde het zien als een soort bekroning. Samen met haar en ondanks de vele rimpels die de jaren bij ons hebben achtergelaten, denk ik met dankbaarheid terug aan ons leven. Zij gaf nestwarmte, zag alles, begreep alles en ving alles op.

Enigszins bijgelovig ben ik mijn leven lang geweest. Het toeval wil dat ik op een zondag ben geboren. Een zondagskind heb ik me ook altijd gevoeld.


Géza Szabó,
Bilthoven, maart 1989.

De herinneringen van Géza Szabó zijn de neerslag van een werkzaam en veelzijdig leven. Opgegroeid in een Hongaars provinciestadje, bracht de schrijver vervolgens bijna twintig jaar onafgebroken door in het vroegere Nederlands-Indië waarna hij, in het voorjaar van 1947, met vrouw en kinderen naar Nederland vertrok om hier een nieuw bestaan op te bouwen.

Ofschoon in de eerste plaats bedoeld voor familieleden en vrienden, bevat dit levensverhaal ook voor anderen belangwekkende en ontroerende hoofdstukken.

Ik denk in het bijzonder aan de passages over de Japanse bezetting en de daarop volgende "Bersiap"-periode. Het relaas van de hulpverlening aan de talloze in materiële nood verkerende landgenoten is onopgesmukt en authentiek en geeft aan, dat de mensen die dit soort werk op zich namen, uit een bijzonder hout gesneden waren.

Wie immers enigszins vertrouwd is met de literatuur, of het leven in bezet Indië uit eigen ervaring kent, weet onder welke moeilijke omstandigheden het geven van hulp tot stand moest komen. De voortdurende dreiging van de Kempeitai was "slechts" een van de obstakels; geldnood en toenemende voedselschaarste vormden bijna dagelijks terugkerende hindernissen.

Daarnaast maakt Szabó door zijn beschrijving van de hulpdienst in Djokja duidelijk, dat de Nederlanders de Japanse bezetting niet uitsluitend passief ondergingen.

Aanvankelijk breed opgezet, was men naarmate de jaren verstreken, genoodzaakt de steun tot bescheidener proporties terug te brengen.

Toch is het opmerkelijk te noemen, dat Szabó er met zijn medewerkers in geslaagd is om, tot het einde van de oorlog toe, de hulp in een of andere vorm te handhaven.

In dat opzicht vormt het werk ook een correctie op het beeld dat onlangs nog weer eens door dr. L. de Jong is opgeroepen; het beperkte en eenzijdige karakter van de desbetreffende hoofdstukken in diens boek, springt na lezing van Szabó’s herinneringen duidelijk in het oog.

Ik beschouw deze notities dan ook als waardevolle bijdrage tot een evenwichtiger beschouwing van de geschiedenis van Nederlands-Indië tijdens de Tweede Wereldoorlog.


dr. Th. Stevens,
hoofddocent geschiedenis Universiteit van Amsterdam.

Er mag dan veel zijn veranderd in de wereld, met name daar waar ik mijn jeugd heb doorgebracht, het klimaat echter niet. De winters in Hongarije zijn nog altijd bitter koud, de zomers extreem warm.

Het moet dan ook bloedheet zijn geweest die 27-ste juli 1910, de dag dat mijn moeder zich met veel pijn en moeite van mij bevrijdde.

De bevalling kwam een maand te vroeg, door een bloedvergiftiging die zij aan haar hand had opgelopen. Het was een gevecht om één mensenleven, om dat van mijn moeder. Zelfs 'doktor bácsi' - oom dokter, zoals we onze huisarts als goede vriend van de familie noemden - was erbij, hoewel een bevalling in normale gevallen alleen een zaak van de moeder en de vroedvrouw was.

Ik kwam dus ter wereld als achtmaands kind, wat in die tijd als nauwelijks levensvatbaar gold. Alle aandacht was erop gericht mijn moeder in leven te houden, ik kwam pas op de tweede plaats.

Geen wonder ook, want met Terry, Miklós en Imre had ze al drie kinderen. Die op te kunnen voeden was op dat moment belangrijker dan de komst van zo’n vroege boreling, die bijna geen kans op overleven had.

Een paar dagen na mijn geboorte, toen de baker mij in bad had gedaan, zei ze tegen mijn moeder: "Nou mevrouw, ik geloof niet dat het een blijvertje is." Van een psychologische benadering was toen nog geen sprake. Aanpakken en doorzetten, dat waren begrippen waarmee men uit de voeten kon.

Ik was een scharminkel, maar wel geboren onder het sterrenbeeld Leeuw. Was ik normaal op tijd gekomen, zou het Maagd zijn geweest, maar kennelijk wilde de Lieve Heer mij dat niet aandoen.

De eerste weken had ik doorstaan, maar nauwelijks hoorde ik er echt een beetje bij, of er trad wéér een complicatie op. Geelzucht ditmaal en opnieuw moest ik zien te overleven.

Zo’n veertig jaar daarna, toen ik medicijnen studeerde, is mij bijgebracht dat geelzucht kort na de geboortevaak een blijvende hersenbeschadiging tot gevolg heeft. Bij mij misschien ook? Wie weet, het oordeel daarover laat ik graag aan mijn omgeving. We hebben er later thuis weleens om gelachen. 14

Terug naar de zomer van 1910. Wat mijn gezondheid betreft, begon het er allemaal wat rooskleuriger uit te zien. De kritieke eerste weken waren doorstaan en het leven kon op een wat ontspannener wijze voortgaan.

Op het land gold de spreuk: Een boom gedijt goed op schrale grond, wordt sterk en krachtig. Dat ook vette aarde tot hetzelfde resultaat kan leiden, bleek in mijn geval. Van schraalheid was in ons gezin geen sprake, integendeel. Ik werd met zorg en veel liefde omgeven en bleek uiteindelijk toch zoveel kracht te hebben ontwikkeld, dat ik alle normale kinderziektes oversloeg.

Van de ronduit lelijke baby die ik bij de geboorte moet zijn geweest, groeide ik zelfs uit tot een mooie peuter met lange, golvend blonde haren. Lelijk in de wieg, mooi op straat heette het zo treffend. Helaas is dat mooie me niet lang beschoren gebleven, zo heb ik moeten constateren op het moment dat ik er zelf over kon oordelen. Such is life!

De eerste beelden die ik fragmentarisch uit mijn herinnering kan opdiepen, dateren uit de tijd dat ik bijna vierjaar was.

Mijn vader had een pijpenrek, dat vol stond met echt oude pijpen die nog van wit zeeschuim waren gemaakt. Ze dienden uiterst vakkundig te worden gerookt, om de kop mooi roodbruin te laten worden.

Op een dag stond ik voor de poort van ons huis met één van die pijpen in m'n mond de wijde wereld in te turen. De buurt sprak er schande van, want men dacht dat ik echt pijp stond te roken. Ten onrechte natuurlijk, want tabak en vuur zaten er niet in.

Ik mocht er gewoon mee spelen. Let wel, spelen maar niet kapot maken. De spullen van grote mensen had ik te respecteren; wat ik met mijn eigen speelgoed deed, mocht ik zelf weten. Dat werd mij van heel vroeg aan al duidelijk gemaakt. Dit was geen verwennerij, meer een soort vrijheid in de opvoeding die mijn ouders bewust doorzetten, ondanks dat zoiets in die tijd vrijwel niet voorkwam. 15

Of het aan mijn blonde krullen lag, of aan iets anders weet ik niet, maar ik was de lieveling van de buurt. Vaak werd ik door buren afgehaald om bij hun thuis te komen spelen, hoewel ik voor mijn speelkameraadjes bepaald niet gemakkelijk was. Ik was kennelijk de spelmaker en zij moesten doen wat ik zei. Gebeurde dat niet, dan sloeg ik er desnoods op los. Nog vandaag de dag wordt me wel verweten dat ik een verwend rotjong ben en een driftkop.

Wij woonden in Miskolc, een stad in het noordoosten van Hongarije, in een groot, antiek ingericht huis aan de Herenstraat. Het was een buurt waar de gegoede stand woonde.

Vader, een lange man met grote snor die aan de uiteinden in spitse punten omhoog was gedraaid, was hereboer en had op het land twee boerderijen die werden verpacht.

Zo nu en dan kwamen er boeren met hun dubbelspan voorbij en ook met hen was ik goede maatjes.

De toon waarop vader en de boeren met elkaar praatten, was - voor zover ik mij herinner - altijd plagerig gezellig. Het waren kleine, sterke kerels, goedig tot in hun ziel, behalve als er wat misliep. Dan konden zij vloeken, vloeken waar geen eind aan kwam.
Om de één of andere reden was het nooit beledigend, ondanks dat zij er de complete heiligenkalender bijhaalden.

Ze konden alles van mij gedaan krijgen en ik van hen ook. Ik hield en houd nog steeds van dat slag mensen, recht op de man af. Als ze iets zeiden, hoefde je er nooit een bijbedoeling achter te zoeken.

Wanneer ze bij ons waren, liep ik hen natuurlijk voortdurend voor de voeten en als beloning voor mijn behulpzaamheid zetten ze mij dan op de rug van één der ingespannen paarden.
Dat deze kleine, maar oersterke en ongeduldige paarden op één uitzondering na nooit met mij aan de haal zijn gegaan, mag een wonder heten.

Die ene keer, ik was toen al een jaar of tien, kwam ook een boer bij ons langs en ik rende naar buiten om hem van dienst te zijn. Hij gooide me de leidsels toe en zei: "Hou ze vast tot ik terug ben."

Ik klom op de bok, trots als een pauw en zat rustig te wachten, tot er plotseling een auto luid puffend voorbij kwam. Auto’s waren nog een zeldzaamheid in die dagen en de paarden schrokken van het hevige lawaai. Ze steigerden en trokken me bijna tussen hen in op de boom. 16

Ik was bang dat ze op hol zouden slaan en schreeuwde, dat ik ze niet meer kon houden.

Ik werd ontzettend boos toen de boer in alle rust naar buiten kwam en mij toeriep, dat ik ze gewoon in bedwang moest houden. Daarna ging hij weer naar binnen, om zijn zaken met vader verder af te handelen.

Ik was ervan overtuigd, dat vader wist wat er was voorgevallen, maar kijken kwam hij niet.
's Avonds vroeg hij zo langs zijn neus weg: "Had je vanmiddag moeite met de paarden?" Ik gaf geen antwoord en de zaak was afgedaan.

Het oeroude principe gold bij ons thuis, dat als je aanbiedt om voor een ander iets te doen, je ook opdraait voor de gevolgen. Enigszins Spartaans was het. Natuurlijk hadden ze me niet laten verongelukken, maar een beetje in je rats zitten, kon geen kwaad.

Terug naar mijn kleuterjaren.
Op vierjarige leeftijd had ik uiteraard nog geen benul van wat er in de wereld om mij heen gebeurde.

De oorlog diende zich aan en op een middag kwam vader vroeger thuis dan anders. Ik herinner bet me nog als de dag van gisteren.

Ik speelde in de kamer met mijn speelgoed op de grond en moeder keek vragend op, toen hij binnenkwam. "Ik ben gemobiliseerd en moet binnen een paar dagen weg," zei hij. Moeder vroeg alleen: "Naar bet buitenland?" en vader antwoordde kort: "Naar het Isonzo-front, vermoedelijk."

Ik herinner me, dat ik tegen etenstijd van de grond werd opgepakt en aan tafel op een stoel gezet. Al die tijd tussen de thuiskomst van vader en het avondeten moet ik zonder te spelen op de grond hebben gezeten. Ik werd beheerst door een onbestemd gevoel, iets dat ik later in mijn leven nog een paar keer zou meemaken. Het was geen angst, geen pijn, ik had ook geen gedachten, er was alleen maar een grote leegte.

Met het vertrek van vader veranderde mijn leven. Ik kreeg plichten, waar ik kort tevoren vrijwel alleen rechten had gekend. Mij uit te leven in spelletjes, alleen of met mijn vriendjes, dat luxe leventje was voorbij.

Op straat werd ik weleens in een rij wachtende mensen neergezet en langzaam moest ik met de anderen opschuiven, totdat moeder of een ander mij kwam aflossen. Het waren de rijen voor een winkel, waar wij met bonnen en tegen betaling brood, melk en andere steeds schaarser wordende levensmiddelen konden kopen. 17

Een paar keer tijdens de oorlog werd Miskolc voor korte tijd bezet en dan stokte de aanvoer van voedsel totaal, zodat er weinig te koop was.

Voor onze familie betekende het in de rij staan nogal wat. Twee boerderijen en desondanks zo'n gebrek.

Het leven werd harder. Op een dag, ik zal een jaar of zes zijn geweest, stond ik buiten bij de poort het straatbeeld te bekijken.

Opeens kwam er een groepje ruiters langs en in het voorbij rijden gaf één van hen mij een klap met zijn zweep in m'n gezicht. Het was zo'n zweep met een korte steel en een lang snoer.

De klap liet een rode, diepe streep op mijn wang achter en het gloeide van de pijn. Waarom het gebeurde, wist ik niet, mij werd later alleen verteld dat het 'bezetters' waren.

Ik bleef staan en huilde niet, ik had het alleen koud, intens koud.

Toen ik het huis weer in kwam, waren mijn moeder en vooral Terry, mijn veertien jaar oudere zus, totaal ontdaan. Ik begreep niet waarom, maar binnen in mij was alleen die ijzige kou.

Later in Indië heb ik datzelfde gevoel nog een paar keer gehad, als de Jappen mij bij een verhoor ook in het gezicht sloegen. Een echte verklaring waarom ik juist zó reageerde, heb ik echter nooit kunnen vinden.

Ondanks het harder wordende leven, bleven mijn kleuterjaren zeer beschermd.

Heerlijk vond ik het om in bad te worden gedaan. Mijn moeder, van wie ik zielsveel hield, deed dat, of mijn zus Terry. Als moeder mij baadde, hield zij met haar ene hand mijn lange haren omhoog, zeepte me met haar andere hand in en daarna werd ik vlug weer afgespoeld.

Voor lange spelletjes was meestal geen tijd. Doordat het snel moest gebeuren, kwam er nogal eens zeep in mn ogen en dat vond ik vreselijk, tot op de dag van vandaag.

Wanneer Terry mij in bad deed, was het echt een hele ceremonie. Zij kamde mijn haar eerst rondom naar boven, borstelde het en hield ondertussen al één van haar eigen haarspelden tussen de lippen geklemd. Die gebruikte ze vervolgens om mijn lokken op mijn hoofd vast te zetten, waarna zij mij voorzichtig helemaal inzeepte, zonder dat er ooit zeep in mijn ogen kwam. Het afspoelen ging ook altijd met de nodige spelletjes gepaard.

Daarna werd ik dan in een grote handdoek gewikkeld en door Terry op schoot genomen, waar ze verder met mij speelde en me vertroetelde.
Het was zalig! 18

Later, toen ik de hedendaagse geneeskunde bestudeerde, leerde ik hoe belangrijk het voor een kind is lichamelijk contact met ouders en andere gezinsleden te hebben. Mijn zus had er denk ik vanuit zichzelf ook behoefte aan.

Met mijn vader had ik op een andere manier contact. Hij zwom niet graag in een zwembad, maar nam me vaak mee naar de rivier aan de rand van Miskolc. In de vrije natuur zwom hij dan rond, met mij als een kikker op zijn rug. Het was ontzettend spannend, maar echt angst had ik niet. Vader was immers de sterkste van alle kampioenen!

In de vier jaren die de Eerste Wereldoorlog duurde, heb ik mijn vader slechts een keer of vier gezien. De eerste maal dat hij met verlof naar huis kwam, zag hij er prachtig uit in z'n rood-blauwe uniform met de Hongaarse lus op zijn mouwen en broek.

Het leek een operettekostuum, dat echter op het slagveld als een ware schietschijf uitpakte. De keren daarna kwam hij in een saai veldgrijs pak thuis, maar daarin was hij mijn held niet meer.

Halverwege de oorlog, toen ik zes jaar was geworden, moest ik naar de lagere school. De familieraad, die bestond uit moeder en de kinderen behalve ik, had besloten dat mijn lange blonde haren die tot mijn schouders reikten eraf moesten, voordat ik naar school zou gaan.

Ik gilde en schopte tegen alles wat binnen mijn bereik was toen het knippen begon. Het hielp niet en de lokken gingen er inderdaad af.

Op die familievergaderingen gaf de doorslag wat Miklós, mijn twaalf jaar oudere broer, zei. Ook dit was uiteindelijk zijn beslissing geweest. Het was de eerste keer, dat ik zijn invloed over mij niet kon verkroppen. Ik zag hem als bemoeial, een karaktertrek van hem die in de jaren die volgden alleen nog maar erger zou worden.

Kort nadat mijn haren eraf waren gegaan, kwam de dag dat ik voor het eerst naar school moest. Niets aan de hand, dacht ik, alle jongens zullen wel met gemillimeterde haren rondlopen. Mis! Juist de jongen naast me op de tweede bank had nog zijn volle pony en ik liep uiteindelijk snikkend naar huis terug. Waarom mocht hij wel lang haar hebben en ik niet? 19

Onze juf maakte echter veel goed. Zij was een schoonheid en ondanks onze jeugdige leeftijd was de hele klas verliefd op haar.

In de tweede klas was die mooie tijd al weer voorbij. De juf maakte plaats voor een meester, die weliswaar goedmoedig was, maar ook vaak nors.

Op een dag kwamen alle onderwijskrachten met een bedrukt gezicht bij ons de klas binnen. Er werd stilte geroepen en dan behoorde het ook stil te zijn. De discipline was groot.

De onderwijzers en onderwijzeressen stonden als een gesloten blok op het podium, wat op ons duideijk beklemmend werkte. Achteraf bleek één van de zoons van onze onderwijzer aan het front te zijn gesneuveld. We zaten allemaal rechtop, met de armen over elkaar.

Plotseling maakte een jongen achter mij een onderdrukt lachend geluid. Even kon ik mij nog inhouden, maar toen barstte ik in lachen uit.

Ik werd naar voren geroepen, kreeg de vraag voorgelegd waarom ik had gelachen, maar kon daar natuurlijk geen antwoord op geven. Voor straf kreeg ik zoveel slagen met een rotan over mijn handen, dat ik dagenlang tijdens het eten mijn bestek niet kon hanteren.

Toen ik 's middags thuis kwam, moest ik vertellen waarom ik straf had gekregen. Daar bovenop kreeg ik van mijn moeder ook nog een pak voor m'n broek. Zitten werd toen even pijnlijk als mes en vork gebruiken.

Desondanks, zoals ik er nu op terugkijk, ben ik blij dat ik ben opgevoed in het begrip discipline. Een maatschappij die geen discipline kent, is gedoemd ten onder te gaan. 20

Aan het begin van mijn derde schooljaar kwam vader definitief uit de oorlog terug. Dat feit luidde voor mij een nieuwe fase in. Het leven werd ineens afwisselender en daardoor interessanter.

Mijn vader werd niet, zoals de meeste andere mannen, direct gedemobiliseerd.
Hongarije had, als één van de landen die de oorlog was begonnen, de strijd verloren en moest alles wat er aan oorlogsbuit en oorlogstuig was achtergebleven, aan de toenmalige Geallieerden afgeven.

Het moest nauwkeurig worden geregistreerd en voor verzending worden klaargemaakt en dat was de taak van mijn vader.

Hij deed zijn werk in een kantoortje op een oud exercitieterrein in Miskolc, waar enkele immens grote loodsen stonden. Deze waren tot de nok toe gevuld met allerhande oorlogstuig.
Tal van soorten geweren, revolvers, pistolen, handgranaten, gasmaskers, bajonetten en noem maar op.

Voor mij was het een soort paradijs, waarin ik als enige van mijn leeftijdsgenoten af en toe mocht rondlopen.

Het kantoortje was een onooglijk kleine, rommelige ruimte van hooguit vijf bij vijf meter. Er stond een grote schrijftafel met een paar stoelen, een potkachel en verder alleen maar papieren en nog eens papieren.

De potkachel werd gestookt met sneeuwschoenen van de frontsoldaten, die toen niet meer nodig waren. Het waren geen gevoerde laarzen die we nu kennen, maar houten zolen met een soort kap van gevlochten stro. Ze moesten over het gewone schoeisel worden gedragen en waren dik en zwaar.

Andere brandstof dan deze sneeuwschoenen heb ik nooit gebruikt zien worden. Het brandde immers goed en gaf een gloeiende hitte.

Het schoonhouden en verzorgen van de kachel was de taak van vaders ordonnans, die István heette. Hij was een tengere, zwartharige jonge vent met een klein snorretje, die ik ook Pista mocht noemen. Pista is de verkleinnaam van István en die gebruik je in Hongarije al gauw als je iemand goed kent. 21

Omdat hij de ondergeschikte van mijn vader was, hoefde ik niet Pista bácsi - oom Pista - te zeggen. In die tijd was men nog erg nauwkeurig in het aanspreken van iemand en lagen de nuances in titulatuur vaak zeer gevoelig. Het gaf precies een ieders plaats in de maatschappij aan. Men accepteerde de bestaande rangorde.

De eerste keer dat ik met vader mee naar z’n werk ging, was Pista mijn speelkameraad op het grote exercitieterrein en we werden al snel vrienden.

Pista was rechtvaardig tot in zijn ziel, altijd even beleefd, maar zijn fluwelig zwarte ogen konden ook vuur spuwen en opflikkeren als sterretjes aan een kerstboom. Een ja was bij hem ja, nee was nee en daar kon niets of niemand hem vanaf brengen. Een meer gedisciplineerd en fijngevoelig mens heb ik zelden in mijn leven ontmoet.

We begrepen en respecteerden elkaar en ondanks dat hij veel ouder was dan ik, deed hij nooit belerend of trachtte hij mij een mening op te dringen.

Als hij me gezegd zou hebben dat ik door het vuur moest lopen, dan had ik het gedaan, omdat ik er van overtuigd zou zijn dat hij er een goede bedoeling mee had.

Nog altijd als ik aan hem terugdenk, voel ik een diepe warme genegenheid, die ik maar voor heel weinig mensen in mijn leven heb kunnen opbrengen.

Er was van mijn kant heel wat gedram aan vooraf gegaan, voordat ik met Pista de opslagloodsen in mocht.

Vuurwapens waren mij niet vreemd, omdat we er thuis ook enkele hadden, die ik al weleens had vastgehouden.

Eindelijk gaf vader dan toch zijn toestemming en trad ik onder leiding van Pista een voor mij onvoorstelbaar heiligdom binnen.

Het was net alsof ik in een soort sprookjesbos terecht was gekomen. Er lagen bergen op elkaar gesmeten geweren uit alle landen die met elkaar in oorlog waren geweest. Open en nog dichtgespijkerde kisten vol met ammunitie, mitrailleurbanden, vieze en versleten kleding, maar ook nog gloednieuwe uniformen, gasmaskers en handgranaten.

Van Pista mocht ik alles bekijken, maar nergens aankomen voordat hij mij het één en ander erover had uitgelegd. Hij liet me geweren en pistolen zien, die in de loop nog een beklemd geraakte kogel hadden en dat waren er niet weinig. 22

Aan deze wapens mocht ik niet komen en ook niet aan die, waar nog een magazijn in stak. De handgranaten mocht ik in géén geval beroeren.
Zijn woord was voor mij wet.

Op een keer zocht Pista voor mij een geweer uit, één van Russische makelij met een bajonet erop. Zo'n gevaarte was langer dan een volwassen man en ik zelf was nogal klein voor mijn leeftijd.

Ik voelde me tegelijk trots en ook een beetje bang met het geweer, maar Pista zei dat het moest, dus was het goed.

Wij gingen naar het exercitieterrein, dat er bij lag als een grote witte sneeuwvlakte met slechts hier en daar de afdruk van een vogel die er had getrippeld.

Ik droeg het geweer model, strak aan mijn schouder en met mijn handpalm onder de kolf.

Op het midden van het terrein aangekomen, gaf hij me een lege patroonhouder en een patroon. Daarna vullen en laden, zoals we dat eerder zonder munitie al tientallen keren hadden geoefend.

Als een havik hield hij al mijn bewegingen in het oog. Hij liet mij in een richting staan, waar ik niemand zou kunnen raken.

"Verschluss!" beval hij, omdat alle militaire commando's destijds in het Duits werden gegeven. Ik haalde de grendel over en moest mikken en schieten als er een raaf opvloog.

In de winter waren in onze omgeving vrijwel geen andere vogels dan raven te bekennen. Ik legde aan, probeerde te mikken en schoot...

Wat er daarna gebeurde was de grootste gevoelssensatie, die ik tot dan toe had beleefd. Het geluid klonk vele malen sterker dan een kanonsschot, dat ik in de oorlog honderden keren had gehoord. Maar wat ik voelde was nog veel erger; zo’n schok had ik m’n hele leven nog niet meegemaakt.

Ik was te beduusd om meteen te kunnen beseffen wat er was gebeurd. Mijn schouder en achterhoofd deden ontzettend pijn en langzaam realiseerde ik me, dat de terugslag van het geweer mij in één klap achterover had gegooid.

Bij het overeind krabbelen sprak Pista alleen maar: "Geweer oprapen!" Over pijn dorst ik niet te praten en hij scheen daar ook geen enkele belangstelling voor te hebben.

Als een dienstplichtig soldaat moest ik gaan staan, met het geweer aan de voet. Nog versuft hoorde ik Pista schreeuwen: "Fout, fout, het is je eigen schuld. Je hebt niet goed geschouderd en daarom viel je om. Zo heb ik het je niet geleerd. Je hebt het nu zelf ervaren: als iets fout gaat, is het je eigen schuld!" 23

Die laatste zin is mij m'n hele leven bijgebleven, heeft me soms zelfs wel vervolgd. Dit gezegde van zo’n eenvoudig iemand als Pista is in vele opzichten een leidraad geworden in mijn verdere leven.

Toen wij een tijdje later het kantoortje van vader binnen kwamen, vroeg hij slechts met een lachje van onder zijn sierlijke snor: "En, hoe heb je geschoten?"

Ik wist niet wat ik moest antwoorden, maar Pista zei: "Het ging niet slecht, maar er moet nog veel worden geoefend." En dat gebeurde ook, talloze malen nog, zonder dat ik ooit een raaf heb afgeschoten. Dat was ook de bedoeling niet, het zou zinloos doden zijn geweest en zoiets doe je in de natuur niet, is mij al vroeg bijgebracht.

Op school gingen de lessen natuurlijk gewoon door, maar als het even kon en mocht, was ik in de buurt van de loodsen om met Pista om te gaan.

Ja omgaan, want spelen was het niet, eerder een soort leren, een levenstraining. In de grond van de zaak was hij zachtmoedig, maar desondanks gaf hij me vaak genadeloos op m’n donder. Dan riep hij hard: "Nee, nee, zo kan dat niet!" "Wat niet?" vroeg ik bedremmeld. "Ik zie aan je houding, aan je gezicht dat het mis zal gaan. Ook al zou je iets raken, toch doe je het fout. Als je wat doet, moet je aan niets anders denken dan alleen dat. Met je hele ziel erin!"

Al kreeg ik nog zoveel kritiek, ik heb het nooit als kleinerend gevoeld.

Overigens lukte Pista zelf ook niet alles. Als hij merkte dat ik het in de gaten had, maakte hij altijd een ironische opmerking, vol van bijtende zelfspot. Onze vriendschap kenmerkte zich door het merkwaardige feit, dat wij elkaars gelijken waren (althans dat suggereerde hij door zijn optreden tegenover mij) ondanks het leeftijdsverschil van zo’n twintig jaar.

Met mijn beide broers had ik niet zo’n contact als met Pista. Imre was toentertijd halverwege de middelbare school, terwijl Miklós in Budapest medicijnen studeerde en alleen tijdens de weekeinden thuis was.

In de omgang met hun ging het meestal wel gezellig toe, maar ze probeerden altijd de baas over mij te spelen en dat begon me hoe langer hoe meer te ergeren. Het beste en ook meest intieme contact had ik met Terry, die inmiddels een aantrekkelijke, huwbare vrouw was geworden. 24

Zij was altijd goed gekleed en leidde een leven, zoals dat een meisje van onze stand betaamde. Piano spelen, handwerken, uitgaan onder toezicht, een beetje huishouding leren en verder mooi wezen. Ze had graag willen gaan werken, zoals een vriendin van haar ook deed, maar dat verbood vader. Een vrouw die werkte, was gauw verdacht en Terry had zich uiteraard bij zijn beslissing neer te leggen. Zo was dat toen.

Er was bij ons thuis veel aandacht voor kunst en cultuur. We gingen regelmatig naar de schouwburg en ook werd er vrij veel gelezen. Van huis uit waren wij luthers, maar niet dogmatisch.

Vader stuurde mij later bijvoorbeeld naar het katholiek gymnasium, omdat hij die beter vond dan de protestantse school.

Ook in andere opzichten doorbraken mijn ouders weleens de gevestigde orde, als zij dat nodig of rechtvaardig achtten.

Ik herinner me bijvoorbeeld nog goed, dat wij in de oorlogsjaren een paar maal Russische krijgsgevangenen als gast aan tafel hadden. Een aantal families had deze gevangenen toegewezen gekregen. Ze moesten voor hen op het land werken.

Tijdens feestdagen nodigde mijn moeder deze gevangenen echter uit om bij ons aan tafel de maaltijd te gebruiken. Dat was een doorn in het oog van de buren, maar zij trok zich daar niets van aan.

Moeder had altijd een gulle hartelijkheid. Haar grote sociale gevoel heeft een duidelijk stempel op mijn opvoeding gedrukt.

Ondanks de zekere mate van vrijheid die wij als kinderen thuis hadden, was er wel controle. Het was alsof moeder aanvoelde, wanneer er iets niet in de haak was.

Op een middag liep ik met een klasgenootje naar huis en wij kwamen langs een kruidenierswinkel, waar grote zakken met appels op straat uitgestald stonden. De jongen zei: "Zo doe je dat," gapte een paar appels en stopte die in zijn schooltas. "Nu jij," drong hij aan.

Ik vond het eng, maar deed het toch en stopte er ook stiekem twee in m'n tas. Thuisgekomen liep ik vlug groetend naar mijn kamer en gooide mijn schooltas zo nonchalant mogelijk onder het bed. Moeder onmiddellijk achter mij aan. 25

"Waar is je tas?" vroeg ze. Ik probeerde haar vraag te ontwijken en deed alsof ik het druk had met iets anders. Ze liet echter niet los en ik moest mijn tas onder het bed vandaan halen. Tas open en daar kwamen de twee appels tevoorschijn.

Na veel gedraal moest ik met de waarheid voor de dag komen en opbiechten, dat ik ze gestolen had. Er was totaal geen reden voor, want wij hadden in huis een voorraadkamer, waar altijd genoeg vruchten lagen die ik kon nemen zonder er om te vragen.

Mijn moeder trok haar jas aan en nam mij met mijn schooltas en de twee appels erin mee naar de kruidenierszaak.

Zij voerde het woord, zei precies wat er was gebeurd en ik stond er bedremmeld bij.
Uiteindelijk moest ik de twee appels teruggeven, mijn excuses aanbieden, de winkelier een hand geven en daarna weer terug naar huis.

Er werd verder met geen woord meer over gesproken en ook van mijn vader heb ik daarna niets te horen gekregen, hoewel zij altijd alles met elkaar bespraken.

Deze strafexpeditie miste z'n effect niet, want gestolen heb ik daarna nooit meer. Zelfs twaalf jaar later, toen ik Miskolc verliet om naar Indië te gaan, ben ik nog aan de andere kant van het trottoir gaan lopen toen ik de bewuste winkel passeerde.

In die tijd werd besloten dat ik op dansles moest. Dat hoorde zo. Dansles kreeg je op de dans- en etiquetteschool, die niet zozeer bedoeld was om je snel de moderne dansen bij te brengen, maar allereerst om op muziek te leren lopen en om met meisjes om te leren gaan.

De beide dansleraren waren vader en zoon. De oude een gepensioneerde legerofficier, zijn zoon een afgekeurde officier.

Ervaring met het in praktijk brengen van de etiquette hadden zij dus voldoende.

Eén keer in de week ging ik na schooltijd naar dansles en daar genoot ik van. Ik kon in m'n mooiste pak verschijnen en als ik de kans kreeg, smeerde ik mijn hoefd vol met brillantine uit het potje van mijn broer.

Als wij als paren moesten dansen, zocht ik altijd het zusje van een klasgenoot van mij uit, het zusje van de 'baviaan'.

De 'baviaan' was een uitzonderlijk figuur, met wie ik al sinds de eerste schooldag in dezelfde klas zat. Voor zijn leeftijd was hij erg klein. 26

Hij had x-benen, was scheel en droeg een bril, die hij altijd tot op het puntje van z’n neus liet afglijden. Zo lelijk als hij was, zo knap was zijn zusje, echt een schoonheid. Voor haar poetste ik mij op, om er ze voordelig mogelijk uit te zien. IJdel ben ik mijn leven lang geweest.

Het meisje dat je het vaakst ten dans vroeg, was je uitverkorene en die bracht je dan na de les naar huis.

In het vroege voorjaar kocht ik van mijn zakgeld een bosje sneeuwklokjes en toverde het uit mijn jaszak, toen we bij de poort van haar huis waren aangekomen.

Ze nam mijn huldebetoon met een glimlach aan, maar ik wilde meer en vroeg haar om een zoen. Haar antwoord was even duidelijk als afdoende. Ik kreeg een klap in mijn gezicht.

Ik was onthutst en voelde me vernederd. Daarna heb ik bij mijzelf gedacht, dat het ook eigenlijk fout was een zoen te vragen. Dat moet je niet vragen. Gewoon doen, nam ik me voor. Ik heb haar daarna nooit meer naar huis gebracht.

Ik zat op een vierjarige lagere school en nadat ik deze had doorlopen, werd ik ingeschreven op het gymnasium. Immers, Miklós had het gymnasium gedaan en studeerde nu, Imre leerde voor ingenieur en ik moest dus ook verder, het liefst zo hoog mogelijk.

Tegen mijn inschrijving op het gymnasium had ik niets in te brengen, ik aanvaardde deze beslissing van vader als een vanzelfsprekendheid.

Kort daarna, een keer tijdens het avondeten, zei vader ineens: "Géza, je moet morgen naar 'oom dokter' en je vertelt hem, waarom je naar het gymnasium wilt." Ik zette blijkbaar vragende ogen op, waarna hij vervolgde: "Ja, ik heb al een afspraak voor je gemaakt."

Ik zat in zijn spreekkamer, die ik op m'n duimpje kende, omdat ik er al ze vaak met zijn dochtertje had gespeeld. Nu plotseling deed me de leren fauteuil waarin ik zat zo kil en koud aan, dat ik me helemaal verloren voelde.

Oom dokter keek mij ernstig aan en vroeg: "Waarom ga jij naar het gymnasium?" Ik dacht, waarom zit ik hier, wat moet ik antwoorden? Ik wist het echt niet. Mij schoot te binnen, dat ik op padvinderij de verbandleer interessant vond en dacht, als ik zeg dat ik dokter wil worden, dan is het misschien wel goed. Dus ik antwoordde: "Ik wil dokter worden, dokter. Geen 'oom dokter' deze keer, want daarvoor was de afstand op dat moment te groot. 27

Hij probeerde met een grapje nog het ijs te breken, maar niets hielp. Voor mij was het een marteling. Even later stond hij op en zei: "Ik dacht wel dat je dat wilde worden en het is goed. Jij kunt het!"

Het onderhoud maakte om de een of andere reden grote indruk op mij. Kennelijk wilde vader via een omweg iets over mijn toekomstplannen te weten komen. Bij mij kwam hij er echter niet op terug.

Op het gymnasium deed ik wat er van mij werd verwacht, namelijk goed leren. Veel moeite had ik daar niet mee, want zonder dat ik hoefde te blokken, ging het ronduit goed op school.

Met kattekwaad uithalen had ik overigens ook geen moeite en als aanvoerder van mijn vriendjes heb ik zo nu en dan ook tot flink wat ergernis bijgedragen.

Maar wat ik ook uitvoerde, straf in de vorm van een pak slaag kreeg ik nooit van mijn vader. Een opmerking van hem was meer dan voldoende. Zijn woorden waren wet voor ons. Als hij ons iets opdroeg waar wij geen zin in hadden en we deden het niet, dan kregen we nooit een klap. Hij herhaalde zijn woorden alleen iets scherper. Maar die scherpte was dan wel zodanig, dat ineens de tranen in je ogen sprongen. Daar kon je gewoon niet tegen.

Het vak dat me het meeste boeide, was geschiedenis, vooral door de leraar die het gaf. Hij was klein van stuk en als hij over historische voorvallen vertelde, dan beleefde je die in de klas mee. Hij rookte als een schoorsteen. In zijn jaszak had hij een pakje shag en terwijl hij vertelde, kon hij met één hand in die zak een sigaret draaien. Een waar kunststuk.

In tegenstelling tot de lagere school, hadden we nu 's middags vrij. Op papier tenminste, want de middagen werden meestal gevuld met sport, zangles, verplichte spraaklessen, debat­middagen en natuurlijk weer dansles, met elke maand een thee­dansant.

Het dansen was veel gezelliger dan op de lagere school, maar niet minder streng. Les kregen we nu van een lerares, een kleine, kittige dikke dame en ook zij wist donders goed wat etiquette en omgangsvormen waren. Haar moeder was namelijk gezelschapsdame geweest van keizerm Zita, de laatste keizerin van het Oostenrijks-Hongaarse rijk. 28

De momenten dat de keurende blikken van de lerares even op een ander waren gericht, gebruikten we om op beschaafde wijze de anatomie van de vrouw te leren kennen. Soms was de reactie van je partner bestraffend, maar ook kreeg je weleens een goedkeurende oogopslag terug. Meer kon en mocht je niet verlangen.

In onze vrije tijd maakten we ruzie om de meisjes en vochten met de mond duels uit. Er was een onvoorstelbare economische malaise, maar dat raakte ons niet. Als je gestudeerd hebt, maak je je carrière immers toch wel, zo redeneerden we.

Natuurlijk waren het niet alleen de meisjes die mij interesseerden. Ook van sport was ik een liefhebber, met name paardrijden, schermen en zwemmen.

Mijn neef Ernö was een bekend zwemmer en waterpolospeler. Hij en Imre hebben me het zwemmen eigenlijk goed bijgebracht.

In het zwembad kreeg ik les van een leraar, die mij eerst met een band aan een lange lijn liet krabbelen en daarna los, met een lange stok voor mijn neus.

Ernö en Imre vonden dat maar niets voor mij, dus werd ik op een keer in het zwembad naar de springplank gelokt. Imre zwom in het diepe en Ernö, die met mij op de plank stond, zei: "Kijk wat Imre zoekt." Ik keek, en op dat moment gaf hij mij een duw en kwam ik in het voor mij totaal onbekende diepe terecht. Daar ving Imre mij op en legde me uit, wat ik moest doen om mijn hoofd boven water te houden. Het lukte, al was het alleen uit lijfsbehoud en het bleef daarna lukken.

Ik zwom steeds beter en werd zelfs korte tijd later opgenomen in hun club, om mee te trainen en te waterpoloën. Vanaf dat moment ging ik niet meer met mijn vriendjes spelen in het zwembad, maar trainde met de 'groten der aarde'.

Helaas, een paar jaar daarna verongelukte Ernö. M'n neef, van wie ik erg veel hield, sprong van een rijdende tram, aan de verkeerde kant. Een juist op dat moment tegemoet komende tram reed zijn been eraf en hij bloedde dood.

De tweede klas van het gymnasium heb ik in een paar maanden doorlopen, zodat ik direct door kon gaan naar de derde. 29

Ik vond dat niets bijzonders, omdat mijn broers ook al van die knappe koppen waren en ik van huis uit dus eigenlijk niet anders gewend was.

Aan het eind van de vijfde klas kwam de klad erin. Miklós was net afgezwaaid als medisch student en begon mij, nog meer dan vroeger, steeds weer te vertellen hoe ik het moest doen op school.

Hetzelfde deed Imre. Overal bemoeiden zij zich mee en ik kwam in protest. De autoriteit van vader was iets anders, die had ik te accepteren en dat deed ik ook. Maar Miklós en Imre hadden zich niet met mij te bemoeien, vond ik en die opvatting bracht ik vaak en duidelijk naar voren.

Tegen het eind van het schooljaar kwam de vakantie ter sprake. Die brachten we als kinderen meestal door op het land, om de boeren te helpen bij de oogst. Ik had er altijd een hekel aan, zoals ik het ook nu nog verschrikkelijk vind om in de tuin te moeten werken. Alleen het paardrijden vond ik er heerlijk en dat deed ik dan ook veel.

Toen de vakantie dus ter sprake kwam, zei ik ronduit: "Ik ga niet naar het land en ik ga ook niet naar de zesde klas." Het gymnasium in Hongarije duurde toen acht jaar. "Ik ga van school en ga werken!"

Eigenlijk schrok ik van mijn eigen woorden en voelde me beslist niet plezierig. Ik haatte scènes en daarom was het een enorme opluchting voor mij, dat vader rustig het woord nam. Het kwam erop neer, dat hij in elk geval wilde dat ik examen deed, zodat ik deze jaren tenminste met een diploma kon afsluiten. Wat er daarna moest gebeuren, zouden we nog wel zien. 30

Mijn schooltijd liep dus ten einde en net als elke goedgekeurde Hongaarse jongen, werd ik na het verlaten van de middelbare school dienstplichtig. Tot aan je éénentwintigste jaar hield die dienstplicht in, dat er op zaterdag- en zondagmiddag moest worden geoefend, terwijl je de rest van de week gewoon werkte. Echt in dienst ging je pas als je meerderjarig was geworden. De vooropleiding was dan afgerond en je had tegen die tijd ook al een rang.

Aan die oefeningen tijdens het weekeinde had ik net als iedereen een gloeiende hekel. Een keer was ik niet op komen dagen en meteen de volgende ochtend stond om half acht al de politie voor de deur. Grote consternatie thuis, want ambtshalve kwam bij ons nooit politie. In de winter verscheen weleens een agent om als vriend een glas rum te halen, maar ambtshalve, nee.

Voor straf werd ik afgevoerd naar de brandweerkazerne, waar al een paar andere spijbelaars waren gebracht. Buiten in de vrieskou moesten we oefenen en mitrailleurs uit elkaar halen en weer in elkaar zetten. Toen heb ik voor het eerst aan den lijve ervaren, hoe het aanvoelt als ijzer aan je vel blijft kleven. Bepaald niet leuk! Om één uur 's middags mochten diegenen weer weg, die honderd meter in paradepas konden lopen zonder om te vallen. Ik was één der eersten die dat lukte, maar wie mij kent zal weten, hoe ik in mezelf gefoeterd heb.

Een uniform hadden we alleen aan bij feestelijke defilés, de oefeningen deden we in burgerkleding, maar wel met de volle militaire bepakking.

Ik was door de legerleiding voorbestemd om vaandrig te worden, wat in Hongarije destijds een officiersrang was. Bij die rang hoorde ook een cavalerie-opieiding, die werd gegeven in de cavalerieschool en daar leerde je vloeken! Ook ik uiteraard en die gewoonte heb ik mijn hele leven niet meer af kunnen leren. 31

Met het einde van mijn schooltijd kwam ook het onvermijdelijke moment van de beroepskeuze naderbij. Een idee van wat ik wilde gaan doen, had ik beslist nog niet.

Op een dag kwam vader thuis met de mededeling, dat hij een laboratorium had gevonden waar ik tandtechniker zou kunnen worden.

Het was een vak, dat in ons gezin nog als net acceptabel gold. Weliswaar was het handwerk, dat een Szabó eigenlijk niet hoorde te doen, maar het lag toch zo dicht tegen het medische beroep aan, dat het voor de familie geen schande zou betekenen.

Ik accepteerde het voorstel, uiteraard zou ik haast zeggen, want ondanks het liberale klimaat dat er bij ons heerste, was nee zeggen er ook in dit geval niet bij.

Een paar dagen later bracht vader me bij m'n toekomstige werkgever, een gemeentearts en eigenaar van een tandartsenpraktijk annex tandtechnisch laboratorium.

De feitelijke leiding van het bedrijf had zijn zoon, die alleen tandtechniker was, maar met een gegradueerde tandarts als stroman zelf ook de tandartsenpraktijk voerde.
In Hongarije heette dat toen ook al het 'onbevoegd uitoefenen van de tandheelkunde,' maar daar kraaide geen haan naar.

Zes man werkten in het laboratorium waar ik, een keurig en goed opgevoed jongetje van veertien, als jongste leerling ooit vertoond, werd aangenomen.

Op een maandagochtend meldde ik me bij het laboratorium, waar de chef mij onder z'n hoede nam. Hij toonde mij een gouden kroon, prachtig gepolijst en anatomisch van vorm. M'n hart stond stil, ik dacht: dat krijg ik nooit in mijn vingers, zoiets moois zal ik nooit kunnen maken. Ik was ten einde raad.

Maar alles kan, wanneer de wil er is. Ik dacht weer aan Pista, de ordonnans van vader, en aan zijn woorden: "Alles wat je doet, moet je goed en met je hele kunnen doen."

Zonder overdrijven kan ik zeggen, dat me alles met weinig moeite af ging. In korte tijd werd ik ook hier populair. Mijn echte baas, de gemeentearts, raakte op mij gesteld en wijdde mij in vele zaken in, tot aan zijn gevoelsleven toe.

Mijn populariteit in het laboratorium, in de praktijk waar ik soms naar toe moest en ook bij de patiënten in de wachtkamer heb ik met veel plezier ervaren. Men vond mij aardig en dat berustte niet op iets aangeleerds. Ik was gewoon mezelf. Vaak echter is mijn houding voor arrogant aangezien. 32

De cursus die opleidde tot gezel duurde drie jaar. Een maand na mijn examen voor gezel, mocht ik het meesterexamen doen. De twee jaar die je normaal gesproken eerst als gezel moest werken om tot dat examen te worden toegelaten, mocht ik overslaan. Deze heuglijke mededeling werd thuis voor kennisgeving aangenomen. Geen jubeltonen, het hoorde gewoon zo.

Ik kreeg dus mijn meesterdiploma en tevens mocht ik mij leraar noemen in alle tandtechnische vakken. Na het behalen van deze successen werd ik benoemd tot chef van het laboratorium, waar ik ruim drie jaar eerder als leerling was begonnen.

De begintijd in m'n nieuwe functie was moeilijk. Ik was nog erg jong voor zo'n baan en drie van de vijf technikers waren zeer veel ouder dan ik. Tevens ontwikkelde ik de nare eigenschap een perfectionist te zijn. Op het eindprodukt had ik altijd kritiek, ook op mijn eigen werk. Ik had bovendien niet veel geduld en dat heb ik eigenlijk nog niet. Gelukkig heeft het personeel door al die jaren heen begrepen dat ik, zoals dat heet, niet de man maar de bal speelde.

In mijn nieuwe functie veranderde ook mijn sociale leven. Ik ging vaak uit met Imre, met wie ik een veel beter contact had gekregen sinds ik van school af was. Hij kon mij nu niet meer vertellen hoe ik mijn huiswerk moest doen, want ik had nu mijn eigen werk en daar had hij geen verstand van.

De economische situatie in Hongarije in de twintiger jaren was nog veel slechter dan die in Nederland in de jaren dertig. Een baan vinden was uiterst moeilijk, een baan kiezen vrijwel uitgesloten.

Eén van de vrienden van Miklós was ingenieur. Hij solliciteerde op alles wat maar aan banen vrijkwam, tot straatveger en conducteur toe.
Steeds nul op het rekest. Uiteindelijk solliciteerde hij op een rijksbaan, als staatsbeul, maar ook deze baan heeft hij niet gekregen.

In die tijd sprak een nichtje van mij een keer over haar vriendin Lilly, die hals over kop was getrouwd met een veel oudere man, een Hongaarse chirurg. Hij was uit Indië met Europees verlof in Miskolc geweest en na hun huwelijk samen met haar naar Java gegaan. Mijn reactie was impulsief. 33

Ik maakte telefonisch een afspraak met de ouders van Lilly, om haar nieuwe naam en adres te weten te komen. Ik kreeg alle benodigde gegevens en stuurde Lilly een brief, waarin ik schreef dat als in haar nieuwe land een Europees chirurg werkzaam was, er zeker ook Europese tandartsen zouden zijn. En als die er waren, dan zou er voor mij als tandtechniker toch ook plaats moeten zijn.

Prompt kreeg ik antwoord, dat wil zeggen met de bootpost twee maanden later. Lilly schreef, dat er in Djokjakarta een Hongaarse tandarts was, die mij terug zou schrijven.

Op een avond kwam ik thuis en moeder had een merkwaardige blik in haar ogen. "Ga jij naar Indië?" vroeg ze. Van Lilly's vader had ze die dag vernomen, dat ik binnenkort bericht kon verwachten van de bewuste tandarts in Djokja.

Inderdaad kreeg ik kort daarna een brief. De tandarts schreef, dat hij momenteel al een Duitse tandtechniker in dienst had, maar een tweede nog wel kon gebruiken. Eerst zou ik echter een cursus moeten volgen in orthodontie en keramiek, destijds een zeer exclusief behandelingssysteem.

Met hulp van een verre oom, die hoogleraar in de orthodontie aan de universiteit van Budapest was, werd ik ingepast in een cursus voor de bedoelde vakken. Als niet-academicus had ik daar weliswaar geen recht toe, maar door mijn oom kon voor mij toch een uitzondering worden gemaakt.

De cursus, die eigenlijk drie maanden duurde, maakte ik af in zes weken. De rest van mijn tijd bracht ik door in de Papegaaibar, een zeer exclusieve nachtgelegenheid in Budapest.

Op een gegeven moment kwam thuis een telegram van de tandarts binnen, waarin stond dat ik met de eerste bootgelegenheid vanuit Marseille moest vertrekken naar Djokja op Java. Achteraf bleek de Duitse tandtechniker verongelukt.

Ik liet terugtelegraferen, dat ik pas over een maand kon vertrekken, omdat mijn cursus nog niet helemaal was afgelopen en ik nog veertien dagen thuis wilde zijn, vóór ik zou vertrekken. Het antwoord op mijn telegram luidde kort en duidelijk: "Akkoord."

Terug uit Budapest zei ik mijn baan op. Sommigen vonden het jammer dat ik ging, anderen waren blij (misschien niet ten onrechte) hun superkritische collega kwijt te zijn. Tot nog toe was me eigenlijk alles voor de wind gegaan, zonder dat ik me ooit echt had hoeven in te spannen. 34

Nu raakte plotseling alles in een stroomversnelling. Ik kreeg het zo druk met allerlei dingen regelen, dat ik het haast niet meer kon overzien. Het gaf mij een zeer bevredigend en fijn gevoel. Mijn hele verdere leven heb ik dat behouden, dat me in mijn element voelen wanneer ik zoveel te doen heb, dat ik het overzicht haast kwijt raak. Iedereen vindt het gek, maar ik voel me dan als een vis in het water.

Wat ik niet verzuimde, was de pantoffelparade, in Hongarije de 'corso' genoemd. Na kantoortijd slenter je dan met vrienden en kennissen op straat en kom je iedereen tegen.

Op een dag ontmoette ik een vriendje van mij. Hij was apotheker. Zonder te praten en in gedachten verzonken liepen we op en neer.

Opeens zei hij tegen me: "Ik vind het gewoon onverantwoord wat je doet." Ik keek hem vragend aan en hij ging door: "Jij gaat binnenkort naar Indië, maar heb je er wel over nagedacht hoe je een hut voor jezelf zou moeten bouwen? Waarom neem je daar geen cursus voor! En waarom neem je geen jachtgeweer mee? Zoals jij dat doet, lijkt alles me niet realistisch."

Hij was zo ernstig, dat ik er geen grap over durfde te maken, maar ik wist ook niet goed hoe ik hem moest antwoorden.

We liepen een paar passen door, toen stopte ik en keek hem aan. "In zoverre heb je gelijk, dat ik naar een land toe ga, waar wij beiden niets van afweten, behalve die paar regels die we er op school over hebben geleerd. Java is een Nederlandse kolonie en er wordt rijst, suiker en tabak verbouwd en nog wat specerijen. Meer weet ik er ook niet over. Maar er woont wel een Hongaarse chirurg, er woont ook een Hongaarse tandarts en ik neem aan dat zij toch een behoorlijke hut hebben, die ze misschien ook niet zelf hebben gebouwd."

Zwijgend liepen we verder, maar ik zag aan zijn blik dat ik hem niet had kunnen overtuigen.

Die laatste dagen voor mijn vertrek kwamen 's avonds veel vrienden langs om afscheid te nemen van dat fenomeen, dat volgens hen beslist onder de voet van een olifant of in de klauwen van een tijger z'n einde zou vinden.

Aan mijn sportvrienden deelde ik mijn hele schermuitrusting uit, van hen kreeg ik als afscheidsgeschenk een prachtig dolkje in een bewerkte metalen schede. Die nam ik mee, evenals mijn rijzweep waar ik erg aan gehecht was. 35

Ook kocht ik twee Nederlandse woordenboeken wat geen gemakkelijke opgaaf was in Hongarije. Als ik er nu in blader, vind ik dat er de grootst mogelijke onzin in staat. Hoe het mogelijk is dat deze boekjes de oorlog hebben overleefd, is me een raadsel. Die boekjes wèl, terwijl andere dingen die voor mij persoonlijk veel meer waarde hadden, in de strijd zijn gebleven. Het is niet anders.

Door de twee oorlogen die ik heb meegemaakt, heb ik afgeleerd aan aardse zaken te hechten. De ervaring en de herinnering zijn belangrijk en die levensinstelling gaat mij en ook mijn vrouw goed af.

Kort voor m’n vertrek zat ik met een paar vrienden in een café. Kelners in een gelegenheid waar je vaak kwam, noemde je bij de voornaam, alleen de ober, waar je mee afrekende, sprak je met u aan.

Onze vaste kelner, een al wat oudere man, vroeg ik op een gegeven moment: "Hoe is het mogelijk János, dat je op jouw leeftijd nog geen oberkelner bent?"

Hij antwoordde met een zeer ernstige ondertoon in zijn stem. "Meneer, als je op je éénentwintigste nog geen oberkelner bent, dan word je het nooit."

Ik vond het zielig voor hem, maar zijn antwoord en vooral ook de ernst waarmee hij het uitsprak, zijn jarenlang in mijn gedachten blijven hangen.

Mijn vertrek naderde snel, zeer snel en op de 'corso' was ik de bink. Iedereen klampte mij aan en telkens weer moest ik vertellen waarom ik ging en wat ik ging doen. Zelfs Terry en haar dochtertjes Angela en Mariétta kwamen logeren om mijn vertrek van thuis mee te maken.

Het vrouwelijk deel van de familie toonde zich met de dag bedroefder. Zelfs het dienstmeisje kon haar tranen niet in bedwang houden, als ik toevallig even in de keuken kwam om haar te plagen.

Toppunt van verwennerij was, dat moeder geregeld vroeg wat ik de volgende dag wilde eten. Toen wist ik het niet en zoiets weet ik nog steeds niet.

De mannen reageerden op de situatie afwachtend en gelaten. Ongeveer een week voor mijn vertrek zei vader: "Ik heb de secretaris van de burgemeester gesproken. Je papieren liggen bij hem en zijn klaar. Als je morgen naar hem toegaat om ze af te halen, neem je deze doos voor hem mee. Zeg dat er een brief voor hem bij zit." 36

Ik bracht de doos - een kistje goede sigaren - met de enveloppe, waar natuurlijk geld in zat. Dat hoorde zo, zelfs onder vrienden.

Uiteraard werd ik zeer vriendelijk ontvangen en de secretaris overhandigde mij m'n paspoort en uitreisvisum. Hij voegde eraan toe, dat dit echter nog niet betekende, dat ik Hongarije voor langere tijd zou mogen verlaten. "Je moet eerst naar je militaire commandant, want die beslist uiteindelijk of je weg mag, of niet," aldus de secretaris.

Ik schrok. In de eerste plaats had ik hier totaal geen rekening mee gehouden en in de tweede plaats was de commandant een ijzervreter en een bullebak, waar je totaal geen staat op kon maken. Niet de regels, maar zijn humeur bepaalden zijn beslissingen. En goedgehumeurd had ik hem zelden gezien.

Het kantoor van mijn commandant was in hetzelfde gebouw en ik ging er meteen op af. Net toen ik bij zijn kamer kwam, vloog een jongen letterlijk de deur uit.

Toen hij overeind was gekrabbeld, vroeg ik wat er was gebeurd. "Ik kwam binnen," zei hij, "groette goede morgen, daama vloekte hij eerst zijn sergeant-schrijver de huid vol over die soldaten van tegenwoordig, pakte mij beet en smeet me z’n kantoor uit."

In elk geval wist ik nu hoe het niet moest.
Ik klopte, wachtte op antwoord, zoals dat hoorde, ging naar binnen, front makend en bleef als een rotsblok in de houding staan, dat zelfs een bulldozer me niet om had kunnen krijgen. "Vaandrig Szabó meldt zich," riep ik, middenvinger op de naad van de broek in afwachting wat er verder zou gebeuren.

De commandant reageerde niet en bleef maar ijsberen door de kamer. Mijn blik bleef op oneindig.

Plotseling draaide hij zich om en snauwde mij toe: "Wat moet je, vaandrig." Mijn paspoort en uitreisvisum overhandigend, legde ik hem in een paar woorden uit wat mijn plannen waren.

Toen brak de hel in al haar kleurrijke vloekenpracht los. Wat dacht ik wel, dat hij zulke goede soldaten als ik, die binnenkort officier zou moeten worden, het land zou laten uitgaan. Had ik geen eergevoel om het landsbelang te willen dienen, enzovoort.

Ik stond daar maar in de houding bij de altijd nog ijsberende commandant, die zijn woordenvloed als een vulkanische uitbarsting over mij heen stortte. 37

In een bliksemflits dacht ik: vent, je kunt het me doen. Een gedachte die in het Hongaars overigens wel wat kernachtiger door mijn hoofd ging dan ik hier zou durven opschrijven. In elk geval besloot ik, dat als de commandant mij geen toestemming zou geven, ik illegaal de grens over zou gaan. Dat zou dan desertie betekenen en bij terugkeer binnen zesentwintig jaar de zwaarste straf. Ik had het er voor over.

Eindelijk kwam hij voor mij staan. Hij keek me een ogenblik zonder iets te zeggen aan. Daarna draaide hij zich om, liep naar zijn bureau, ging met een plof zitten, pakte mijn papieren en bekrachtigde die met een stempel. Bars gaf hij ze me terug en commandeerde: "Rechtsomkeert, mars!"

Mijn gedachten op dat moment spreken voor zich. Samenvattend kwamen die neer op: barst kerel, mij zie je hier nooit meer terug. Het is ook bewaarheid geworden.

De laatste avond voor mijn vertrek kwamen nog een paar intimi langs, heel kort, had mijn vader bevolen en daar had hij gelijk in. Toen wij daarna met de familie alleen bij elkaar zaten, was de stemming niet zo geweldig.

Eigenlijk wist niemand wat mij boven het hoofd hing, ikzelf evenmin. Nog nooit eerder had iemand uit onze familie een dergelijk grote reis ondernomen. Voor het eerst werd ik me bewust, wat ik mijn familie aandeed.

Op een gegeven moment zei vader: "Ga je even mee naar mijn kamer." Ik dacht, ik krijg nog wat reisgeld mee. Wij stonden in zijn kamer en hij leunde tegen een hoek van z’n bureau. Ik zie hem daar nog staan.

"Ik kan niet overzien wat je doet en wat je toekomst zal zijn," sprak hij, "maar je gedraagt je in elk geval, zoals je bent opgevoed. Zo niet, dan hoor je niet meer bij de familie." Hij keek me een moment streng aan en ging toen de kamer uit.

Geen extra reisgeld dus, wel een onnodige preek. Hoewel, onnodig? Ik heb nog vaak aan zijn woorden gedacht en ze hebben me in de loop der tijd ook geholpen mijzelf af en toe te corrigeren. Zonder tegenzin.

Halverwege de volgende ochtend, de dag van mijn vertrek, stond het station van Miskolc zwart van de mensen. Iedereen, vriend of geen vriend, wilde die figuur zien die naar Indië vertrok. 38

Ik nam afscheid van mijn familie en stapte in de trein naar Budapest, waar ik zou overstappen op de internationale verbinding naar Marseille. Vaarwel Miskolc, vaarwel Hongarije en vooral, vaarwel familie. Ik zou ze geen van allen ooit terugzien. 39

Tussen Miskolc en Budapest was het nog druk in de trein, daarna werd het een stuk rustiger. Kennelijk waren er weinig reizigers op weg naar het buitenland en ik vond het prettig niet zoveel mensen om mij heen te hebben.

Een vrouw die tegenover mij zat, probeerde me met een stuk worst en een slok uit haar mandfles tot wat meer gezelligheid over te halen, maar ik bedankte beleefd. Aan praatjes in een bus, tram of trein heb ik altijd een hekel gehad en voor de rest van de rit werd ik met rust gelaten.

Tussen Milaan en Marseille kwam ik met een schok tot mijzelf. De vele maanden van voorbereiding thuis had ik als een soort roes beleefd.

Zorgen had ik me geen moment gemaakt en als iemand mij op de ernst van mijn onderneming wees, wuifde ik die opmerkingen luchthartig weg.

Nu plotseling begon ik over van alles en nog wat na te denken. Misschien kwam het door de totaal nieuwe situatie, waarin ik mij bevond. Alles om mij heen was vreemd en van de taal die men in de trein sprak, verstond ik geen woord. Ik voelde me voor het eerst in m'n leven alleen en onder vreemden.

Ik verzonk in gepeins en voelde me bepaald niet gerust. Nog maar net van huis weg en nu al eenzaam. Hoe zou dat straks wel worden?

Het enige wat ik werkelijk wist, was dat de afstand van Miskolc naar Djokja zo’n twintigduizend kilometer bedroeg. Precies de halve aardbol rond. Zou ik daar nog aan sport kunnen doen en had ik er wel goed aan gedaan, mijn complete schermuitrusting weg te geven? Zelfs mijn moeizaam bijeen gespaarde postzegel- en muntenverzameling had ik mijn vrienden geschonken.

Was het eigenlijk juist geweest, dat ik aan zoiets was begonnen? Waarom had ik dit alles in gang gezet? Op dat moment in de trein en daarna ook op de boot moest ik het antwoord schuldig blijven, maar als ik er nu op terugkijk, kan het niet veel meer dan een gril zijn geweest. Een gril echter, die ik om de één of andere reden wel consequent heb doorgezet. 40

Ondanks alle muizenissen die in de trein door mijn hoofd spookten, maakte ik me over werk niet de minste zorgen. Ik wist dat ik een goed vakman was, uitstekend gekwalificeerd en dat ik niet bang hoefde te zijn niet aan de slag te komen. Maar hoe ik mijn werk in Djokja zou moeten gaan doen, hoe de omstandigheden er zouden zijn, daarvan had ik niet het minste benul.

Het panorama dat aan mij voorbij trok, veranderde van uur tot uur. In Italië herkende ik nog een aantal punten die ik kende uit verhalen, die vader had verteld van de tijd dat hij daar aan het front lag.

Frankrijk daarentegen was mij volslagen onbekend. In Marseille, het eindpunt van de treinreis, moest ik een dag of twee wachten, omdat de boot er nog niet was. Het bood me de gelegenheid wat van de stad te zien, maar die boeide me volstrekt niet.

Dat ik geen Frans sprak en alleen het Duits als vreemde taal beheerste, bleek in zo'n havenstad geen enkel probleem te zijn. Maar afgezien daarvan vond ik Marseille een rommelige stad, vies en ongezellig. Ik was en bleef kennelijk een 'provinciaal' en dat ben ik geloof ik mijn hele leven ook niet echt kwijtgeraakt.

Na mijn korte verblijf in Marseille ging ik aan boord van de ms. Tjerimai, een passagiersschip van de Rotterdamse Lloyd. Wat de naam te betekenen had, wist ik niet en pas jaren daarna kwam ik er achter dat het een vulkaan ergens in Indië betrof.

De purser wees me mijn hut en had direct in de gaten, dat ik alleen Duits sprak. Hij vertelde me dat mijn koffer in het ruim was gebracht en mijn handbagage zo snel mogelijk in mijn hut zou worden bezorgd. Ik nam aan dat de man een soort oberkelner was, want van een 'purser' had ik nog nooit gehoord.

Mijn onderkomen bleek een tweepersoons hut te zijn, klein maar gerieflijk en mijn hutgenoot kwam kort na mij binnen. Het was een lange, slanke Hollander met blond haar, ongeveer een jaar of dertig. Hij moest volgens mij al meerdere zeereizen hebben gemaakt, want hij voelde zich volmaakt op zijn gemak en stelde bovendien, voor zover ik het tenminste kon beoordelen, deskundige vragen aan de purser. 41

Hij ging op bed zitten en vertelde, dat hij op goed geluk naar Indië ging vanwege de malaise in Nederland. Als elektrotechnisch ingenieur viel er daar voor hem weinig te verdienen, dus wilde hij nu een kans wagen in de Oost.

De meeste passagiers aan boord hadden hun groot verlof achter de rug en gingen weer naar Indië terug. Zij sliepen 's middags bijna allemaal, maar wij hadden daar geen enkele behoefte aan.

De eerste dagen van onze reis haalde mijn hutgenoot na de lunch enkele van zijn elektrische apparaten uit zijn koffer, waarmee we ons vermaakten tot een uur of half vijf. Tegen die tijd begonnen de oud-Indiëgangers weer een beetje tot de levenden te behoren.

Mijn hutgenoot zag me vanaf het begin kennelijk als een groentje, want zonder dat ik iets vroeg, ontfermde hij zich bij vrijwel alles over mij.

Enige hulp bij het doorgronden van de voor mij volstrekt onbekende Nederlandse aard kon ik ook wel gebruiken. Dat bleek direct al tijdens de eerste dansavond in de salon, een paar dagen na ons vertrek uit Marseille.

Dansen kon ik als de beste en ik verheugde me daarom ook hevig op de avond. We zaten naast elkaar aan de rand van de dansvloer. Toen de muziek inzette, liep hij naar een tafeltje en vroeg een jonge vrouw ten dans. Ik wilde natuurlijk niet achterblijven, zocht ook een partner, stelde mij met de hakken klappend voor en nodigde haar op de dansvloer.

Zij danste goed en ondanks dat ik Duits sprak en zij Nederlands, zodat wij niets van elkaar begrepen, hadden we een goed contact.

Op een gegeven moment hield het scheepsorkest op. Ik bracht mijn partner weer naar haar plaats en nam afscheid met een bedankje en een voor mij gebruiketijke handkus.

Onmiddellijk leek iedereen in de salon te verstijven. Ik wist niet waarom, liep naar mijn tafeltje terug en bespeurde de rest van de avond een ijzige afstandelijkheid Dansen deed ik maar niet meer.

Toen wij naar bed gingen, was een lang gesprek met mijn hutgenoot nodig om de oorzaak te achterhalen. Eerst wilde hij niets zeggen, misschien was hij bang me voor het hoofd te stoten. Maar uiteindelijk kwam hij er dan toch mee voor de draad. "Jij hebt dat meisje na de dans een handkus gegeven. In Holland is dat een soort liefdesverklaring, zoiets doe je niet en zeker niet in het openbaar," legde hij uit. 42

Toen ik dat hoorde, was ik razend. Hoe kon in vredesnaam een beleefdheidsvorm als liefdesverklaring worden opgevat, tierde ik en bezwoer, nooit meer een Hollandse vrouw een handkus te geven. Toen ik weer een beetje tot rust was gekomen, besefte ik dat het in de wereld niet allemaal zo toegaat als thuis. Dat er ook nog andere omgangsvormen zijn dan die, welke mij waren bijgebracht.

De reis over zee duurde ongeveer een maand en in die tijd werd natuurlijk het één en ander gedaan om de passagiers de nodige afwisseling te bieden.

Op een dag werd een van zeildoek gemaakte bak opgehangen en volgespoten met zeewater. Dat was het zwembad, waarin de sportieve lieden zich naar hartelust konden uitleven. Velen namen zo nu en dan een duik en ook ik kon vaak de verleiding niet weerstaan, hoewel ik niet van zeewater houd.

Het was een prima manier om de tijd te doden en te vergeten dat het inmiddels behoorlijk heet begon te worden. Van dat laatste had ik overigens niet veel last, in elk geval, ik liet het niet merken. In mijn opvoeding was me bijgebracht, dat je niet spreekt over onaangename dingen, zeker niet wanneer je daar anderen mee lastig valt.

Het hoogtepunt van alle activiteiten die tijdens de bootreis plaatsvonden, kwam een paar dagen daarna.

Voor de passagiers was een sportwedstrijd georganiseerd, die overigens meer weghad van een carnavalesk behendigheidsspel. Ik deed er niet aan mee.

Als laatste onderdeel stond een bokspartij op het programma, waarin Johnny, een jonge lichtmatroos, de hoofdrol speelde. Johnny was een vrij kleine, maar knappe jongeman met een snorretje. Hij liep nogal opschepperig over het dek en vond zichzelf een echte ladykiller.
Volgens zeggen was hij een goed bokser.

Bij het zwembad werd een ring gemaakt en Johnny klom zeer professioneel tussen de touwen door, compleet opgetuigd met korte broek en bokshandschoenen. Er ontbrak alleen nog een tegenstander. 43

Een toevallig voorbij lopende koksmaat, een grote, nogal gezette jongeman werd niets verrnoedend direct van alle kanten geestdriftig aangemoedigd om als tegenstander op te treden. Kans om nee te zeggen, had hij niet. Hij kreeg een paar handschoenen aan en werd de ring in geduwd.

Johnny toonde een tijdje zijn meest spectaculaire bokshoudingen en gaf de koksmaat plotsklaps een stoot in diens maag. De arme jongen kromp ineen en het duurde even, voor hij weer een beetje was bijgekomen.

Johnny bleef ondertussen om hem heen dansen. De koksmaat leek nu echter begrepen te hebben waar het om ging, bekeek z'n bokshandschoenen, wachtte tot Johnny weer in zijn buurt kwam en haalde toen met een geweldige slag uit. Johnny rolde omver, belandde onder de touwen door op het dek en werd uitgeteld.

Dagenlang hebben we hem daarna niet meer aan dek gezien, maar toen hij zich weer onder het publiek durfde te vertonen, was hij duidelijk bescheidener geworden. Door het scheepspersoneel werd de smadelijke nederlaag opgevat als een regelrechte blamage ten opzichte van het keukenpersoneel. De keuken speelde namelijk een ondergeschikte rol aan boord, behalve op de voorlaatste avond na het 'captains dinner.'

Toen werd het keukenpersoneel gevraagd te verschijnen en werden de stille werkers door scheepsofficieren en passagiers met applaus bedankt. Ook onze held, de koksmaat, was erbij in al zijn eenvoud en onschuld en hem kwam, in elk geval vanuit het publiek, de meeste bijval toe.

De hele reis al had ik gewacht op het moment dat ik zeeziek zou worden. De enige die ik kende die al eens een zeereis had gemaakt, was mijn vader. Wanneer je denkt zeeziek te worden, zo had hij me nog als goede raad meegegeven, moet je aan dek gaan, in de buitenlucht wandelen en alleen droge dingen eten.

Tijdens de lange overtocht had ik niets van die onheilspellende ziekte gemerkt, maar na het 'captains dinner' voelde ik me ineens niet lekker. We voeren over een spiegelgladde zee en dus moest het aan de champagne hebben gelegen, die die avond in ruime hoeveelheden gevloeid had.

De volgende dag deden we de eerste haven in Nederlands-Indië aan. Het was Sabang op Sumatra, een klein plaatsje met een kolenhaven waar ik niets aan vond. 44

Het enige wat me fascineerde en wat ik ook in de havens van Port Said en Colombo al had gezien, waren de kolen sjouwende koelies. Ik stond versteld, hoe ze met die zware zakken op hun rug de smalle treeplank op konden lopen.

Wat de aankomst in Sabang tot een gedenkwaardige gebeurtenis maakte, was dat ik op die bewuste 27-ste juli 1928 precies achttien jaar werd. Thuis hadden we mijn verjaardag zelden gevierd, omdat ik in die vakantiemaand meestal op het land was. Daarom was altijd mijn naamdag, 22 februari, de dag waarop de feestelijkheden plaatsvonden.

De dag voordat we Sabang zouden binnenlopen, had ik mijn hutgenoot over mijn verjaardag verteld. In een havenkroeg de volgende dag bouwde hij daarom spontaan een feestje, wat op zich erg attent van hem was en ook wel leuk, maar eigenlijk deed het me toch niet zo veel. Kennelijk zat ik nog te zeer vastgebakken aan thuis om me op mijn verjaardag echt jarig te kunnen voelen. Twee dagen later, de 29-ste juli, liepen we Batavia binnen. 45

De aankomst in Batavia wekte geen bijzondere gevoelens bij mij op. Ik was waar ik zijn wilde en daarover was ik tevreden. Echt warm vond ik het er eigenlijk niet, maar achteraf bleek dat juli in Indië een soort wintermaand is.

Kort voor het van boord gaan, werd ik aangesproken door een man die zich voorstelde als agent van de scheepvaartmaatschappij. Hij had van mijn nieuwe werkgever opdracht gekregen mij in Batavia op te vangen en eventueel te assisteren, totdat ik de volgende dag naar Djokja zou afreizen. De agent bracht me naar hotel Daendels, waar een kamer voor mij was gereserveerd.

Ik had enorme behoefte me op te frissen en zocht direct de badkamer op. Dat was een grote teleurstelling, want een douche of bad was er niet. Er stond alleen een vierkante bak met water en een emmertje op de rand. Hoe ik ermee om moest gaan was me een raadsel.

Na enig prakkizeren stapte ik er maar gewoon in, zeepte me in en wreef daarna met veel moeite het sop weer van mijn lichaam. Niet bepaald het bad dat ik me had voorgesteld. Dat zo'n 'mandibak' helemaal niet was bedoeld om er in te gaan zitten en dat je je met het emmertje behoorde af te spoelen, leerde ik pas later, toen ik inmiddels bij mijn werkgever in Djokja was gearriveerd.

De treinreis van Batavia naar Djokja, over een afstand van bijna vijfhonderd kilometer, kwam mij als een eeuwigheid voor. In de loop van de middag kwam ik aan.

Bij het station stond een auto met chauffeur gereed, die mij naar het huis van mijn aanstaande werkgever bracht. Het was een groot Indisch huis met een flinke tuin, een oprijlaan en een lange open voorgalerij.

Daar stond ook een box met een jongetje erin van een maand of tien, dat de nodige aandacht voor zich opeiste. Ik kon niet vermoeden, dat dit knaapje tientallen jaren later een goede vriend en collega van me zou worden.

Bij de ontvangst was ook Lilly van de partij, die mij aan mijn werkgever, dokter Stern, voorstelde. 46

De man maakte op mij een eerlijke en joviale indruk. Later zou ik mijn eerste indrukken over hem enigszins moeten herzien.

Het welkom was kort en na de bekende plichtplegingen werd ik afgevoerd naar mijn pension, dat schuin tegenover het huis en de praktijk van Stern lag. Nadat ik mij daar had opgeknapt en het bad ditmaal op de juiste wijze had gebruikt, ging ik terug voor een aankomstetentje.

Na een maand onder vreemden te zijn geweest, was het een verademing om weer eens met landgenoten onder elkaar te zijn. Stern was immers Hongaar en zijn vrouw eveneens.

Allereerst werd mij het huis getoond. Van de voorgalerij tot de achtergalerij was het huis door een gang feitelijk in tweeën gedeeld. Rechts van de gang waren de spreekkamer, de wachtkamer en het laboratorium, terwijl links de slaapkamers, de kinderkamer en de logeerkamer lagen. De gang mondde uit in de grote open achtergalerij, die gebruikt werd als eetkamer. Achter het huis strekte zich, net als aan de voorzijde, een grote tuin uit.

Aan tafel, waar een heerlijk Hongaars diner werd opgediend, ging het gezellig toe. Storend voor mij was alleen dat de kleding die ik bij me had, volstrekt niet geschikt was voor het tropische klimaat waarin ik nu moest leven.

Over wat ik hier diende te dragen, had ik voor mijn vertrek helemaal niet nagedacht. Ik kon er dus niet onderuit me een complete Indische uitrusting aan te schaffen, maar dat zag ik op dat moment niet als een probleem. Ik kocht graag nieuwe kleren en met het maandsalaris van tweehonderd gulden kon ik me dat net permitteren.

Na het diner ging ik weer terug naar mijn pension. De volgende dag hoefde ik niet direct met werken te beginnen, maar mocht ik een beetje op adem komen en die dag gebruiken om op mijn gemak uit te pakken en mijn omgeving een beetje te leren kennen.

Het pension waarin ik was ondergebracht, bestond uit twee Indische huizen pal naast elkaar, beide ongeveer zo ingedeeld als het huis van Stern.

Het pension stond onder leiding van mevrouw Ruiter-de Wild en haar ongetrouwde zuster, die door iedereen Tante Dora werd genoemd. Elk van hen had een deel van het pension in beheer. 47

Ik kreeg een kamer in het deel van Tante Dora, achter in de tuin, waar blijkbaar alle vrijgezellen werden ondergebracht. Zes kamers naast elkaar met een gezamenlijke voorgalerij.

Ik had twee man personeel tot mijn beschikking, een vrouw en een kamerjongen. De vrouw verzorgde mijn was, terwijl de jongen, de 'djongos', de kamer opruimde, schoenen poetste en mijn kleding verzorgde.

Voor mij een totaal nieuwe en bovendien aangename gewaarwording, want ondanks het personeel thuis, hadden wij als kinderen dit soort zaken toch altijd zelf moeten doen.

Mijn kamer in het pension was ruim, maar absoluut niet gezellig. Er stonden een bed met klamboe, een grote klerenkast, een wastafel die ik bijna nooit gebruikte, omdat ik mij in de badkamer baadde en verder een tafel en een stoel. Dat was alles. Geen schilderijen of andere decoraties.

Op de voorgalerij stond nog een tafel met één gewone stoel en een 'krossie males', een grote stoel met leuning die je uit kon klappen om je benen op te leggen. Zo'n stoel werd vaak gebruikt om 's avonds na het werk in pyama nog een tijdje te ontspannen, maar in mijn hele Indische periode heb ik dat vrijwel nooit gedaan.

Om mijn kamer enigszins op te fleuren, hing ik de rijzweep die ik had meegenomen op een plaatsje naast de deurpost en legde het dolkje, dat mijn vrienden mij hadden geschonken, op tafel. Echt gezellig werd het daar natuurlijk ook niet van, maar ik had er in elk geval een vleugje van mijn persoonhijkheid aan toegevoegd.

Nadat ik me in mijn kamer een beetje ingeburgerd meende te voelen, ging ik naar buiten. Ik moest dus nog wat kleding kopen en wilde bovendien alvast een kijkje nemen in de tandartsenpraktijk, waar ik de volgende dag zou beginnen.

In de paar uur dat ik nu op mijn eindbestemming was, had ik vrijwel alleen Europeanen getroffen. Op straat kreeg ik een ander beeld van de plaatselijke bevolking, met name van de Javanen en ook de Chinezen, die vrijwel het gehele handelsleven beheersten.

Djokja was een stad met zo’n zestigduizend inwoners met een sultan aan het hoofd en vormde het centrum van het leven op Midden-Java, zowel wat handel betreft als op cultureel gebied. 48

De stad was ruim aangelegd met uitsluitend vrijstaande huizen, veel groen en een Javaanse bevolking, die in mijn ogen heel hoffelijk was.

Die hoffelijkheid was me vanaf het eerste moment dat ik in Djokja aankwam al opgevallen en ik voelde me daardoor meteen op mijn gemak.

Als Hongaar was ik immers niet anders gewend geweest dan met etiquette te leven en daarnaast sprak ook de gastvrijheid van de Javaan me onmiddellijk aan. Het deed me erg aan thuis denken.

Nadat ik me een paar nieuwe kleren had aangeschaft, liep ik naar de praktijk van Stern, om een kijkje te nemen in zijn laboratorium.

Mijn werkgever leidde me niet zonder trots rond en ik moest toegeven, dat het zeker voor die tijd een goed ingericht en keurig verzorgd laboratorium was, met alle moderne instrumenten en materialen.

Na dit korte bezoek ging ik naar mijn pensionkamer terug, blij dat ik de volgende dag zou kunnen beginnen.

Het werk in mijn nieuwe omgeving was leuk vanaf het eerste moment, maar druk, zeer druk. Daarover bekommerde ik me echter niet. Ik hield van mijn vak en maakte daarom over werktijden nooit bezwaren, tot tevredenheid van Stern, die met mij als jonge nieuwkomer natuurlijk ook eerst even de kat uit de boom wilde kijken.

In bet begin bleef de voorraadkast met dure materialen als goud en tanden daarom voor mij nog gesloten en moest ik elke keer als ik iets nodig had de sleutel vragen. Dat duurde een week of drie, maar daarna kreeg ik zelf een sleutel en mocht ik ook de bestellingen doen. Het gaf aan, dat men vertrouwen in mij had en dat deed me goed.

In mijn vrije tijd deed ik mijn best Nederlands te leren. Ik kocht een paar kleurboekjes van bet niveau "A is een aap, 13 is een boer" en dreunde die zinnetjes telkens weer op. Daarna kon ik de hand leggen op enkele lagere schoolboekjes, die ik eveneens van buiten leerde.

Verder bestudeerde ik de krant. Zo langzamerhand begon ik woorden en bepaalde zinsconstructies te herkennen en toen ik enige woorden kende, probeerde ik er met wat fantasie zinnen van te maken.49

Natuurlijk maakte ik daarbij veel fouten, maar het deerde me niet als men mij uitlachte. Ik had op die manier immers een goedlachs publiek om mij heen.

Zoals gezegd, werden in de rij pensionkamers waar ik woonde alleen vrijgezellen ondergebracht. Al gauw merkte ik dat wij jongelingen in Indië zeer gewild waren, als mogelijke partner voor een langdurige verbintenis. Uit onze rij werden we dan ook regelmatig uitgenodigd, vooral bij mensen met huwhare dochters.

Aan zo'n langdurige verbintenis had ik weliswaar geen enkele behoefte, maar een avondje uit liet ik me niet graag ontgaan.

Op een avond werd ik bij een Nederlandse familie geïnviteerd. Het was er gezellig. Op een gegeven ogenblik werd me gevraagd, een glas met hen te drinken. Beleefd als ik was, zoals me in Hongarije geleerd, zei ik daarom keurig "dank u" en wachtte af. ik werd echter niet bediend, terwijl de anderen een heeriijk glas kregen voorgezet.

Voor alle zekerheid vroeg do gastheer mij nog maar een keer of ik echt niets wilde hebben. Toen werd duidelijk, dat mijn gebrekkige kennis van het Nederlands me weer eens parten had gespeeld. Ik had geen 'dank u' moeten zeggen, maar 'ja graag' hoewel me juist dat onbeleefd voorkwam.

De zo op mijn aanwezigheid gestelde familie was in elk geval blij dat ze toch nog iets aan mij kwijt kon. Zonder te vragen kreeg ik - met de beste bedoelingen - een glas tokayer ingeschonken. Helaas had deze tokayer meer weg van een olie-achtig aftreksel van krenten en rozijnen, dan van de vol gerijpte druiven die aan deze wijn ten grondslag behoren te liggen.

Het leven in Djokja begon me steeds beter te bevallen. Na een aanvankelijke gereserveerdheid die ik de eerste dagen na mijn aankomst bij mijzelf had bemerkt, voelde ik me langzaam maar zeker vrijer en meer ontspannen worden.

Het Maleis lag me en daarom had ik al snel contact met het personeel en kon ik me ook in winkels gauw verstaanbaar maken. De enorme verscheidenheid aan rassen en volkeren en hun vaak totaal verschillende kledij, de taal die de mensen onderling spraken, het boeide me allemaal mateloos. 50

Weliswaar leefden de Europeanen, de totoks, een totaal ander leven dan bijvoorbeeld de Javanen en de Chinezen, maar toch gaf dat, zoals ik het in die begintijd waarnam, geen zichtbare wrijvingen. Ondanks de zeer gescheiden samenlevingen die er waren en de duidelijk merkbare standsverschillen, respecteerde men elkaar.

De etiquetteregels spraken me enorm aan en ik genoot ervan, mijzelf ook in de Javaanse beleefdheidsvormen uit te drukken.

Met mijn werk ging alles naar wens en mijn zelfstudie Nederlands begon vrucht af te werpen. Ik kon gesperkjes voeren en werd al snel opgenomen in gezelschappen, waar behalve aan praten, ook aan voetbal, tennis, waterpolo en tafeltennis werd gedaan.

Ook leerde ik zo langzamerhand mijn buren in de 'vrijgezellenrij' beter kennen. Kortom ik voelde me steeds beter thuis op m'n nieuwe stek aan de evenaar, een halve aardbol van huis, waar ik een paar maanden eerder mijn sportclubs en al mijn vrienden vaarwel had gezegd.

Met mijn buren zat ik 's avonds vaak op de voorgalerij en dan praatten en praatten we. Over vrouwen en leven, over toekomst en werk, over alles.

Op een keer vroegen ze mij op welke voorwaarden ik eigenlijk naar Indië was gekomen.

"Voorwaarden," vroeg ik, "hoe bedoel je?" Ik keek verbaasd, maar zij waren het evenzeer.

"Hoe is jouw salarisregeling bijvoorbeeld. Wat staat daarin over eventuele verhogingen en tantièmes, hoe is het met vakanties geregeld en met je Europees verlof?" Allemaal vragen, waarop ik gewoon geen antwoord wist.

"Wij gaan," zo gingen ze verder, "om de zes jaar voor een half jaar naar huis en de werkgever betaalt de reis. Bovendien krijgen wij in die periode het salaris doorbetaald."

Wat me daar allemaal werd verteld, trof me als een bliksemslag. Ik voelde me genomen. Een contract met mijn werkgever had ik niet, er was alleen afgesproken dat ik maandelijks tweehonderd gulden zou verdienen. Over verhogingen was nooit gesproken, laat staan over tantièmes of een vakantieregeling met doorbetaald verlof.

Ik was woedend en begon me langzaam te realiseren, dat er van mijn onwetendheid werd geprofiteerd. Mijn buren gaven me het advies een advocaat in de arm te nemen. 51

Ik kende er één uit de tandartsenpraktijk en hoewel ik wist dat hij een goede vriend van mijn werkgever was, legde ik hem toch mijn ongenoegen voor.

Tijdens het gesprek merkte ik, dat hij mij voortdurend ontwijkende antwoorden gaf en een paar dagen later begreep ik uit de houding van Stern, dat zijn vriend hem alles had doorverteld. Zeggen deed hij er echter niets over en ook ik hield verder mijn mond over deze kwestie.

Ogenschijnlijk veranderde er niets in onze verhouding, maar innerlijk was er met mij wel iets aan de hand. Na deze onverwachte tegenslag, ging ik met mijn buren elke avond naar Chinese restaurants om te drinken. Vaak kwam ik laveloos thuis.

Maanden en maanden ging dat zo voort, totdat ik er plotseling genoeg van had. Ik kende tal van Europeanen die aan lager wal waren geraakt en in de 'kampong' terecht waren gekomen. Dat beeld trok mij allerminst aan, dus ik hield er resoluut mee op, evenals mijn buren.

In plaats van drank kochten we een flinke stapel grammofoonplaten en hielden vooral op zaterdagavonden ware concerten op onze voorgalerij. Het was een gezellige, ontspannen tijd en het volstrekte tegendeel van de drank- en katerperiode van daarvoor.

Ik was nu bijna twee jaar op Java en al een tijdje had ik het gevoel dat er iets aan mij knaagde. Ik was nerveus, at slecht en sliep niet meer lekker. Mijn werk deed ik wel goed, maar niet meer met plezier, zoals ik altijd gewend was geweest. Mijn baas merkte het ook en hoewel hij niets op mijn werk kon aanmerken, adviseerde hij me naar een huisarts te gaan.

Ik maakte een afspraak en kon 's avonds laat langskomen. Ik was er om negen uur. De huisarts was een Oostenrijker van geboorte, een klein, schriel mannetje, dat erom bekend stond een aartsdobbelaar te zijn.

We praatten een tijdje over mijn problemen, maar onderzoeken deed hij me niet. Na een kleine denkpauze zei hij kort en droog: "Jij gaat morgen niet naar je werk. Je weet dat ik jouw baas ken en ik zal hem opbellen dat je niet komt. Jij gaat morgen naar Sarangan en wel voor een maand. Als je na die maand niet veranderd bent, dan ga je met de eerste de beste bootgelegenheid weer naar Hongarije terug, want dan red je het hier niet."

Wat ik had, wilde hij niet zeggen, maar dat Sarangan een badplaats was waar het goed toeven moest zijn, daarover had ik inmiddels wel gehoord.

De volgende ochtend belde ik Stern op om hem uit te leggen, dat ik met vakantie was gestuurd. Hij was al via de huisarts op de hoogte gesteld en wenste me een prettige tijd toe. De vakantie kreeg ik uiteraard doorbetaald, zo liet hij me nog weten.

Sarangan, in het noorden van Java, kwam mij voor als het paradijs op aarde. Een dorp op bijna duizend meter hoogte aan een bergmeer, een schitterend groene natuur, frisse koele lucht en dan ook nog het prachtige Grand Hotel Sarangan, met een verrukkelijk uitzicht op de omringende bergen en dalen.

Meteen de volgende dag al maakte ik kennis met een Engelse jongeman, die iets ouder was dan ik. Hij was tuinemployé in de tabak en we hadden direct een goed contact met elkaar. We maakten urenlange tochten te paard, elke dag. Eindelijk weer eens een paard onder me. En dan nog in zo’n heerlijke natuur. Ik genoot weer na lange tijd.

's Avonds, na een goed diner, dansten we met aardige jonge vrouwen, die door hun mannen naar de bergen waren gestuurd om een beetje op verhaal te komen. Wij hielpen hen daar graag bij en voelden ons in deze omgeving de koning te rijk. Het was amusant en ontspannend.

En de volgende ochtend weer paardrijden, soms ook slangen vangen hoewel dat niet ongevaarlijk was. Maar wat was angst? Ik kende het eigenhijk niet en zeker niet in deze omgeving, die mij elke dag meer van mijn vroegere krachten terug bracht.

Na drie weken ging ik naar Djokja terug, naar mijn werk en m'n pension. Ik voelde me geheel opgeknapt en wist ook ineens wat mij had gemankeerd en waarom ik vaak zo ongerijmd had gereageerd. Ik had de jaargetijden gemist. De lente, de zomer, de herfst en vooral de winter. Die eeuwig groene natuur om mij heen, zowel tijdens de droge periode als in de regentijd, het ontbreken van verandering had me bedrukt. Nu ik dat doorhad, was ik genezen. Ik bleef dus! 53

Ik was bijna éénentwintig en dacht weer eens aan mijn oude ober uit Miskolc. "Meneer," zo maalde het door mijn hoofd, "als je op je éénentwintigste nog geen oberkelner bent, dan word je het nooit." Het vooruitzicht nog jaren van hetzelfde bedrag te moeten rondkomen, kwam me niet erg verlokkend voor. Bovendien begon het me tegen te staan, iemand boven me te hebben. Deze gedachten lieten mij niet los.

Ik vatte het plan op te proberen, mij als tandtechniker zelfstandig te maken en in Djokja een eigen laboratorium te beginnen.

Daarvoor had ik natuurlijk wel de steun nodig van een paar importeurs, die mij aan de benodigde instrumenten en materialen zouden moeten helpen.

Ik nam een paar dagen vrij en ging zonder iemand over mijn plannen in te lichten naar Batavia, het huidige Jakarta, waar de meeste importeurs hun vestiging hadden. Aangezien Stern mij de bestellingen altijd zelf had laten verzorgen, kende ik hen persoonlijk.

Bij de eerste importeur die ik bezocht, had ik direct succes. Ik vertelde hem van mijn plannen en dat ik voor mijn laboratorium een instrumentarium nodig had.

Hij toonde zich geenszins verbaasd en zei alleen: "Ga maar naar het magazijn en zoek uit wat je nodig hebt."

Ik was stomverbaasd, probeerde uit te leggen dat ik helemaal geen geld had, maar dat deerde hem niet. "Over geld hoeven we niet te praten, dat komt wel."

Ik ging het magazijn in en zocht me de meest noodzakelijke spullen uit.

Toen ik een complete inrichting en de benodigde materialen bij elkaar had gezocht, was de enige vraag van de importeur, waar en wanneer hij het zou moeten afleveren. Ik kon het hem niet zeggen, een werkruimte moest ik immers nog zoeken.

Dat blinde vertrouwen dat de man in mij stelde, beangstigde me. In mijn latere leven zou ik het nog vaker meemaken, dat men om de een of andere manier zo'n geloof in mij had, zonder dat ik zelf meende daar aanleiding toe te geven. Kan ik het wel waarmaken, spookte het op zulke momenten door mijn hoofd. 54

Maar dan stopte ik met daarover te piekeren en zei tegen mezelf: "Het moet!" Achteraf bezien is het ook eigenlijk altijd gelukt.

In het kantoor van de importeur stond ik evenwel perplex. Moeilijke gesprekken waar ik me op had voorbereid, waren niet nodig geweest, geld was geen probleem en bovendien had ik alles wat ik voor mijn laboratorium nodig had, in een keer bij elkaar. Nu moesten er dus spijkers met koppen worden geslagen.

Ik sprak met de importeur af, dat ik hem de plaats en datum van de levering zou doorgeven, zodra ik een geschikte werkplaats had gevonden.

Daarna ging ik terug naar Djokja, waar ik de volgende dag direct mijn ontslag indiende. Mijn werkgever toonde zich niet bijzonder verbaasd, wat me gelukkig een onaangename confrontatie bespaarde.

In m'n pension informeerde ik, of ik daar misschien twee kamers kon huren die ik als laboratorium zou kunnen inrichten en ook dat lukte.

Kortom, mijn hele plan om me zelfstandig te vestigen, liep op rolletjes. Het enige wat ik nu nog nodig had, waren klanten, maar die te vinden bleek al evenmin een probleem.

Ik belde een paar tandartsen in de buurt op, bood hen mijn diensten aan en het antwoord van allemaal was: "Ja, graag!"

Op 1 juli 1931 opende ik mijn eigen laboratorium, ruim drie weken later werd ik éénentwintig.

Vanaf het eerste begin had ik volop werk, zelfs zoveel, dat ik genoodzaakt was al vrij spoedig hulp in te roepen.

Ik nam twee Chinese tandtechnikers in dienst en een Javaanse jongen, die Wirjo heette. Deze ongeschoolde dessa-jongen bleek zeer leergierig te zijn en het was een genot hem op te leiden. Hij groeide uit tot een unieke hulp, eerlijk, trouw en vakbekwaam.

Opdrachten kreeg ik niet alleen van tandartsen op Java, maar ook van, Bali en Sumatra en zelfs zo nu en dan van Stern.

Mijn laboratorium floreerde, maar ik werkte me ook te barsten. Er waren maanden, dat ik twintig uur per dag in de weer was, maar het deerde me niet.

Ik hield van mijn vak en had gewoon plezier in het werk. De schaarse momenten dat ik me vrij kon maken, gebruikte ik meestal om aan sport te doen. 55

Een kennis van mij was administrateur op een onderneming met een eigen tennisbaan. Regelmatig speelden we er een partijtje. Ook deed ik zo nu en dan mee aan zwemwedstrijden, soms speelde ik waterpolo en verder voetbalde ik.

Van tijd tot tijd leverde ik bij de tandartsen mijn werk zelf af. Enerzijds om het contact met mijn klanten te onderhouden, anderzijds ook om te kunnen zien hoe het esthetisch effect bij de patiënten was.

Ik was dus nogal eens met waardevol spul op stap, goud bijvoorbeeld, verwerkt in tanden en kiezen. Voor mij was dat een mooie aanleiding een wapenvergunning aan te vragen. Echt nodig had ik zoiets natuurlijk niet, maar ik hield van vuurwapens en vond het fijn er één in mijn bezit te hebben.

De politie nam mijn aanvraag in behandeling en vond mijn argumenten redelijk. Ik mocht dus een vuurwapen dragen en schafte me een pistool aan, een klein kaliber FN. Het werd een stille kameraad van mij, die ik nog vaak zou dragen.

Omstreeks die tijd - het moet 1932 zijn geweest - werd in Marseille een politieke moord gepleegd, als gevolg waarvan een Balkan-oorlog dreigde.

Ik kreeg bericht, dat ik me voor de Hongaarse militaire dienst gereed moest houden. Mijn reactie was: "U kunt niet op mij rekenen." Nee, dienen in het Hongaarse leger leek mij niets.

Nadat ik me had aangemeld als lid van de Hollandse Sociëteit, kreeg ik veel nieuwe kennissen.

Ook groeide het aantal contacten met Javanen en Chinezen. Met Javanen was ik graag samen, vooral vanwege hun innemende omgangsvormen. Het was hartverwarrnend.

Ik merkte natuurlijk wel, dat er soms spanningen bestonden tussen de blanken en de Javanen. Maar met mijn Javaanse en Chinese vrienden sprak ik nooit over politiek, omdat ik voor politiek geen interesse had en van politieke beslissingen vaak ook niets begreep. Dat was toen zo en is ook nu nog zo.

Ik ervoer de samenleving in het algemeen als harmonisch en heb van onderdrukking weinig gemerkt.

Wat mij daarentegen wel verbaasde, was dat het immense eilandenrijk Indië op een zo efficiënte manier werd bestuurd en ontwikkeld door slechts driehonderdduizend blanken, waarvan tweederde in het land zelf was geboren en de rest uit import-Europeanen, de totoks, bestond. 56

De goede gezondheidstoestand van de bevolking frappeerde me bijvoorbeeld, terwijl veel andere tropische landen toch elk jaar weer door verwoestende ziektegolven werden geteisterd. Ook over hongersnood heb ik in Indië nooit gehoord.

Een vriend van mij was landbouwconsulent van de Nederlands-­Indische regering. Op een zaterdagavond trof ik hem in de sociëteit en hij vertelde me: "Geza, ik moet morgen de hele dag met vijf Egyptische hoogleraren op stap, om ze hier op Midden ­Java de landbouwgronden te laten zien. Wil je alsjeblieft met me meegaan, want alleen kan ik dat niet aan."

Ik wierp tegen, dat ik totaal geen verstand had van landbouw, maar dat maakte niet uit. "Als je ze alleen tijdens de rit een beetje kunt bezighouden, ben ik al geholpen," verklaarde hij.

Goed, ik ging dus mee.
De volgende ochtend om tien uur vertrokken we in twee auto's met onze Egyptische gasten.

Na een flinke rit stopten we en stapten uit. Voor ons strekte zich een adembenemend heuvellandschap uit, waarin op de hellingen terrasvormig een lappendeken van rijstvelden was aangelegd.

De gasten stonden versteld. "Is dit echt mogelijk," zo vroeg een van de hoogleraren, "om deze sahwa's naar believen droog en nat te krijgen?" "Jazeker," antwoordde mijn vriend en legde uit hoe het irrigatiesysteem werkte.

"Het is een wereldwonder;" brachten de gasten uit, die nooit hadden gedacht dat zoiets realiseerbaar zou zijn.

Nou, nou, dacht ik bij mijzelf, worden hier dingen gepresteerd waar buitenlandse wetenschappers zo'n bewondering voor hebben? Ook ik was onder de indruk en voelde me met hen trots op het geheel.

In mijn laboratorium werkte ik als gezegd zeer hard, net als iedereen in Indië trouwens. Op tijd werd niet gelet en met werken stopte je pas als je klaar was.

Maar naast dat werken leefden we ook. We hielden feesten, deden aan sport, organiseerden van alles en nog wat, tot zware bergtochten toe.

Op een avond in de sociëteit vroeg één van de jongens: "Hebben jullie de nieuwe juf van de neutrale school al gezien?" 57

Vrijwel niemand kende haar, maar dat duurde niet lang. Binnen de kortste keren kwamen we erachter dat ze een tenger meisje was met blond haar dat Greetje heette.

Ons hele jongemannenteam maakte meteen werk van haar en het duurde niet lang, of we hadden haar voor een dansavond in de sociëteit weten te strikken.

Henk, een vriend van mij, werd op slag smoorverliefd op haar. Wat mij betreft had hij zijn gang mogen gaan, aLs hij maar niet zo jaloers was geweest.

Op een avond, toen wij de meisjes na het dansen naar huis hadden gebracht, zei hij tegen mij: "Jij blijft van Greetje af, he? Het is mijn meisje en ik trouw met haar."

Hoewel ik niets met haar had, wilde ik me op zo'n manier toch niet laten wegdrukken. "Als de zaken er zo voor staan," zei ik, "zullen we nog wel zien wie er met haar trouwt.
Vanaf dit moment hebben we allebei gelijke kansen. Als jij wint, heb je mijn zegen."

De ene keer nodigde hij haar uit, de andere keer lukte het mij net wat eerder. Dat ging zo een tijdje door, totdat ik merkte dat ik terrein begon te winnen.

Ze vertelde, dat ze in Bandoeng een opleiding had gevolgd en nu als kleuterleidster werk had gevonden. Ouders had ze niet meer. Haar vader had ze nooit gekend en haar moeder was overleden toen ze twaalf was. Haar broer, die op een onderneming werkte, had haar na de dood van haar moeder naar Indië gehaald en zo kwam het, dat ze als wees hier onder de tropische zon was opgegroeid.

Naarmate ik Greetje beter leerde kennen, begon ik steeds meer voor haar te voelen en het duurde dan ook niet lang, of we kregen vaste verkering en zelfs trouwplannen.

Voor velen was het een schok en Djokja stond op z'n kop. Die lieve, zachte Greet met zo'n onstuimige Hongaar. Dat kon niks worden. Je zag het de mensen denken. Ook bij haar broer thuis werd de voorkeur aan een degelijke Hollandse jongen gegeven.

Alleen mijn ouders, met wie ik door wekelijkse brieven een nauwe band onderhield, waren positief. Vader schreef in elk geval: "Ik twijfel er niet aan, dat je de goede keus maakt en ben blij dat je niet om geld trouwt." Zij stuurden mij zelfs nog een groot schilderij en mijn oude houten papegaai, een van de weinige stukken speelgoed die ik destijds niet kapot had gemaakt. 58

Van alle kritiek trokken wij ons echter niets aan. Ik was bijna vijfentwintig, Greet vierentwintig, we hadden ons besluit genomen en ik begon de benodigde papieren te verzamelen voor ons aanstaande huwelijk.

De meeste documenten moesten uit Hongarije komen, dus daar ging natuurlijk de nodige tijd overheen. Onze trouwdag hadden we voor begin oktober vastgesteld. Greet had die maand vakantie en de datum kwam dus goed uit, in verband met de huwelijksreis die we wilden maken.

Een paar weken voor die bewuste dag, moest ik voor het een of andere document op het residentiekantoor in Djokja zijn. Ik zat in de gang te wachten, toen een ambtenaar me plotseling aansprak en zei: "Nir, u over een paar weken niet trouwen nir."

Het was een staaltje van goed Indisch dialect, wat erop neerkwam dat ik het trouwen wel kon vergeten, omdat mijn papieren nog niet in orde waren. Ik snapte er niets van, want met officiële stukken was ik altijd zeer precies en bij mijn weten had ik alles goed voor elkaar.

Ik liep naar de bode die de gasten bij de resident moest aandienen. De bode was voor een Javaan eigenlijk te lang en te donker en werd daarom 'Sneeuwwitje' genoemd. Hij voelde zich zeer gevleid, wanneer je hem als ingewijde met die bijnaam aansprak.

In de kamer van de resident pakte ik uit op z'n Hongaars. Ik kookte als een vulkaan. Wat had dat te betekenen dat ik niet zou kunnen trouwen en wat klopte er dan niet aan mijn papieren, hield ik de resident voor.

Navraag bij een van zijn ambtenaren bracht aan het licht, dat ik geen schriftelijke toestemming van mijn vader had ingeleverd. Die was echter nodig, aangezien ik nog geen zesentwintig was.

"Nog geen zesentwintig," riep ik uit, "dat is toch huwelijkswetgeving uit het stenen tijdperk!" De resident bezwoer mij echter, dat ik zonder die toestemming onmogelijk zou kunnen trouwen.

Onze trouwdag stond voor de deur en op een brief van vader zou ik op z'n minst twee maanden moeten wachten. Bovendien was onze huwelijksreis al geboekt en hadden we inmiddels ook een huis gevonden. Ik greep naar het laatste redmiddel. 59

"Resident, ik vraag u nu een telegram te sturen naar de gouverneur-generaal met het verzoek om dispensatie voor een spoedhuwelijk." De resident schudde zijn hoofd. "Het spijt me," zei hij, "zoiets kan alleen als uw aanstaande op z'n minst zeven maanden in verwachting is en dat met een doktersattest kan bevestigen."

Toen ontplofte ik. Ik rende de kamer uit en smeet de deur met een enorme klap achter mij dicht.

Na deze aanvaring met de resident hadden we een lang gesprek met een bedaard Hollands echtpaar, waarmee ik bevriend was. Hij vertelde, dat een oom van hem in Haarlem ook eens zoiets had beleefd. Ook bij hem was voor het trouwen alles al geregeld, tot plotseling bleek dat er iets met z'n papieren niet in orde was. Om alle geplande afspraken niet te hoeven afzeggen, waren ze op hun voorgenomen trouwdag gewoon het stadhuis binnengegaan, hadden daar een half uur gewacht en kwamen vervolgens weer naar buiten. Daarna kon het feest beginnen. Een paar weken later, toen het met die papieren geregeld was, gingen ze met twee getuigen opnieuw naar het stadhuis en trouwden ditmaal in alle stilte. Niemand had iets in de gaten gehad.

Het scenario dat mijn vriend ons schilderde, sprak mij direct aan, maar het duurde nog tot diep in de kleine uurtjes, voordat ook Greetje zich er mee kon verenigen.

Uiteindelijk togen we op de afgesproken dag in oktober naar het stadhuis, gaven daarna een feest en vertrokken de volgende dag op huwelijksreis naar Sarangan, waar ik me een paar jaar eerder ook al zo goed had vermaakt.

Ruim twee maanden gingen we daarna als halfwas echtpaar door het leven, totdat we ons op 31 december 1935, met twee ambtenaren als getuigen, officieel in het huwelijksregister konden laten opnemen. Met het prettige gevoel, toch een beetje wraak te hebben genomen op zo'n dwaze regel uit de wet.

Na ons huwelijk kreeg het leven een nieuwe dimensie. We waren beiden 'boedjang' geweest, loslopende vrijgezellen, die altijd een bijzondere plaats in de toenmalige maatschappij hadden ingenomen.

Met name vrije jongens waren zeer gewild, omdat er altijd een mannentekort was. Na ons trouwen gingen we meer om met andere echtparen. Dat ging gewoon vanzelf, of je het wilde of niet. 60

Het harde werken ging door, het feesten ook, maar de gesprekken kregen plotseling een andere inhoud. Je praatte niet meer over afspraakjes die je had gemaakt en over wilde plannen die je koesterde. De gesprekken die je voerde, werden diepgaander. De vriendschappen die je maakte, waren meestal ook blijvender van aard, omdat de kans op overplaatsing als getrouwd man kleiner was dan als vrijgezel.

Uit die ontmoetingen, meestal beginnend op de societeit, kwamen ook vriendschappen voor het leven voort, soms ongekende combinaties van mensen en karakters.

Het groepje waar wij toe behoorden, was ook zo'n merkwaardige smeltkroes van tegenstellingen. Wij met twee andere echtparen werden samen het 'triumviraat' genoemd. Grotere verschillen, niet alleen tussen de mannen maar ook tussen de vrouwen, waren nauwelijks denkbaar.

Daar was allereerst Carel Dake met zijn vrouw. Carel was kunstschilder en een zeer bereisd man. Hij had lange tijd in Arnerika gewoond en ook in India en China. Als een van de weinige Europeanen was hij tot Boeddhistisch priester gewijd. Hij gold als kenner bij uitstek van de oosterse godsdienstfilosofie, was lid van de Orde van Vrijmetselaren en hij verafschuwde hypocrisie. Carel was een begenadigd kunstenaar, die in zijn schilderijen op een unieke wijze met lichteffecten kon spelen. Hij was van zijn eerste vrouw gescheiden en woonde nu samen met Willy Klop, een Indisch meisje.

Willy werkte als secretaresse en vertoonde een voor die tijd opmerkelijke onafhankelijkheid. Daarnaast was ze een geweldige gastvrouw. Ze aanbad Carel.

Het andere stel bestond uit Wyb Reddingius en zijn vrouw. Wyb was Nederlands-Hervormd predikant en een groot kenner van de Europese filosofen. Hij was een verdienstelijk dichter, publicist van kerkelijk-historische werken en daarnaast een zeer goed beeldhouwer.

Zijn vrouw - net als Carel was ook hij eerder getrouwd geweest - kwam uit een zeer oud geslacht van bestuursambtenaren. Ze heette Cheffy en was het volstrekte tegendeel van haar bedaarde man. Ze wond zich altijd zeer snel op, maar kon daarnaast ongelooflijk geestig uit de hoek komen. 61

Met een leeftijdsverschil van zowat twintig jaar, was ik veruit de jongste en wat had ik eigenlijk te bieden? Ik was een Hongaar, vertrouwd met paarden en het boerenleven en was sportief, wat de andere twee beslist niet waren. Maar een wetenschapper? Een filosoof? Alleen een impulsieve tandtechniker met een vleugje cultuur, meegekregen door zijn opvoeding.

Greet was een door en door praktische vrouw, die eigenlijk liever verpleegster had willen worden dan kleuterleidster, maar vanwege haar tengere gestalte was haar dat indertijd afgeraden. Ondanks al deze verschillen binnen het 'triumviraat', klikte het op wonderbaarlijke wijze.

Afgezien van nieuwe contacten met echtparen, veranderde onze levensstijl niet wezenlijk. Thuis bleven we, net als toen we nog vrijgezel waren, mensen uit alle bevolkingsgroepen ontvangen. Ook onder de Javanen en Chinezen hadden we daardoor tal van vrienden.

Veel Europeanen die niet in Indië waren geboren, meden dit soort vriendschappelijke contacten met de autochtone bevolking. Als totoks probeerden zij min of meer het leven te leiden, dat ze thuis gewend waren. Hun vooruitzicht was, uiteindelijk weer naar hun eigen land, meestal Nederland, terug te gaan.

Wij hadden niet de minste behoefte ooit uit Indië weg te gaan. Greet had er immers al het grootste deel van haar leven gewoond en ik voelde me er intussen ook al helemaal thuis. Die wens om te blijven, gecombineerd met het feit met een Nederlandse getrouwd te zijn, deden mij besluiten naturalisatie tot Nederlander aan te vragen.

Daarvoor moest je in die tijd allereerst naar de politie om een vragenformulier af te halen, waarmee de hele procedure begon.

Een paar dagen nadat ik het formulier ingevuld had teruggestuurd, kreeg ik bezoek van een ambtenaar die op enkele punten nog toelichting wilde hebben.

De ambtenaar, een jonge commissaris, kende ik van de voetbalclub en we gingen op vriendschappelijke wijze met elkaar om. Ik zei lachend tegen hem: "Joh, wat een onzin. In die lijst vragen jullie ondermeer, of ik ooit in de gevangenis heb gezeten en of ik communist ben. Jullie weten natuurlijk heel goed, dat het niet zo is." 62

Hij reageerde laconiek. "Ja, dat weten we, want dat heb je verklaard. Maar als niet klopt wat je hebt geschreven, grijpen we je voor valsheid in geschrifte en meineed." De punten waar hij nog vragen over had, wikkelden we goed geluimd af en tenslotte deelde hij nog mee, dat de hele procedure zo'n vijf tot zes jaar zou duren. We leefden in het jaar 1936. 63

De eerste jaren na ons huwelijk bleef Greet werken. Het omgaan met kinderen was een kolfje naar haar hand en haar werk als kleuterleidster wilde ze niet opgeven, voordat wij zelf een kind zouden krijgen.

Ik had mijn laboratorium van het pension naar ons eigen huis overgebracht en kon me nog altijd verheugen in een berg opdrachten.

Veel vrije tijd was er dus niet, maar als we de gelegenheid hadden samen iets te ondernemen, dan deden we dat ook direct.

Ontevredenheid over schaarste aan vrije tijd kenden we niet. We waren jong, hadden plezier in het leven en genoten als zovelen van een fijne tijd, waarop we nu nog altijd met veel genoegen terugkijken.

Hoe ondenkbaar het misschien tevoren ook had geleken, toch lukte het de tengere Greet die dominante Hongaar te temmen. Zij, met haar inzicht en fijngevoeligheid, bleek in staat mijn leven op tal van punten in nieuwe banen te leiden. Ik had vaak grote bewondering voor haar opvattingen en liet mij op bepaalde momenten dan ook graag door haar leiden, omdat ik voelde dat haar inbreng juist was.

Ik mag normaliter behoorlijk eigenwijs zijn, maar als ik moet erkennen dat de tegenpartij gelijk heeft, leg ik me daar graag bij neer.

Na ruim twee jaar huwelijk raakte Greet in verwachting. Een paar maanden later traden er medische complicaties op en moest ze wekenlang blijven liggen. Ze doorstond die kwelling op bewonderenswaardige wijze en liet zien, dat haar geen enkele opoffering te zwaar was als het om haar kind ging.

Dat bleek niet alleen tijdens de zwangerschap, maar het zou ook bij het opgroeien van onze beide zoons naar voren komen.

Op 17 oktober 1938 werd onze baby geboren. Niet een dochtertje, waar ik me helemaal op had ingesteld, maar een zoon. We noemden hem Frans en ik voelde me trots vader te zijn geworden.

In de wereld begonnen de spanningen toe te nemen. 64

In Duitsland was Hitler opgekomen en in Nederland de NSB, die zich op kleine schaal ook in Djokja manifesteerde. Tussen de fascistisch geregeerde landen Duitsland en ltalië werd de zogeheten 'As' gevormd, waartoe ook Japan behoorde en Hongarije.

Ik werd furieus en liet dat ook duidelijk merken, waar en wanneer ik maar kon. Achteraf heeft de geschiedenis me dus gelijk gegeven voor het feit, dat ik me niet voor het Hongaarse leger beschikbaar stelde.

Dat er oorlog dreigde, was voor iedereen duidelijk, hoewel we er vast van overtuigd waren dat wij daar in Indië van verschoond zouden blijven. Nederland was sinds Napoléon niet meer in oorlog geweest, was altijd neutraal gebleven, dus al te veel viel er nu ook weer niet te vrezen.

Wel werd er een "Landstorm" gevormd om een eventuele agressor in elk geval te tonen, dat we bereid waren ons dierbare land te verdedigen.

Onderwijzers en employé's van cultuurondernemingen oefenden samen met het beroepsleger, maar zonder wapens. Die waren er niet voldoende.

Met een aantal leden van de Landstorm waren we bevriend en zij kwamen geregeld als logé's bij ons thuis. Mèt hen maakten we vaak grappen over hun inzet. We waren er vast van overtuigd dat we Indië, mocht het toch tot een aanval komen, wel zouden houden door onze wil tot overwinnen.

Dat zou een illusie blijken. In mei 1940 werd Nederland bezet en dat bericht bracht in Djokja een ongekende verslagenheid teweeg. Ik dacht dat ik me nooit door dit soort emoties zou laten leiden, maar toen ik van de capitulatie hoorde, kreeg ik een huilbui.

Greet wist niet wat ze zag. Naast grote verslagenheid ontstonden ook gevoelens van onbegrip en zelfs woede. In aanwezigheid van de gouverneur hield Wyb Reddingius in onze overvolle protestantse kerk een vurige preek. Hij schreeuwde van de kansel: "Wij hebben alles. Kanonnen, vliegtuigen, schepen, maar alleen op papier!"

Na zijn preek gingen we totaal ontredderd de kerk uit naar huis. We verkeerden in bange afwachting van wat er verder zou gaan gebeuren.

Mensen die eventueel staatsvijandig waren, werden door het Nederlands bestuur direct vastgezet. Het ging daarbij voornamelijk om Duitsers, maar ook een aantal andere vijandig gezinde vreemdelingen werd opgepakt. 65

Ook ik moest op het politiebureau komen, maar in een rustig gesprek werd mij de verzekering gegeven, dat ik niets te duchten had. Ik was weliswaar als Hongaar naar Indië gekomen, maar werd door mijn naturalisatieaanvraag nu voor statenloos gehouden. Bovendien was er op mijn gedrag nooit iets aan te merken geweest, integendeel zelfs.

Men wist hoe ik tegenover het As­lidmaatschap van Hongarije stond en ik mocht zelfs mijn pistool behouden, met de toegestane vijftig patronen. Een terloopse opmerking van mijn kant, dat ik zeker honderd patronen bezat en meer dan één magazijn, maakte op de politiecommissaris geen indruk. Ook dat was geen bezwaar.

Het bericht, dat de leden van het koninklijk huis nog tijdig naar Engeland hadden weten te ontkomen, was voor velen in onze gemeenschap geruststellend.

Maar voor de mensen met familie in Nederland waren het zorgwekkende tijden. Voor mij uiteraard ook, zij het om een andere reden.

Mijn familie woonde immers in een oorlogvoerend land. Uiteindelijk zouden alleen Miklós en Imre de oorlog overleven. Terry en mijn ouders kwamen aan het eind van de oorlog om bij een bombardement door de Russen.

In Djokja werden veiligheidsmaatregelen genomen, zoals het steekproefsgewijs openen van post, maar verder ging het leven na korte tijd toch weer min of meer ongestoord verder.

Na de geboorte van Frans waren wij lid geworden van het Indo-­Europees Verbond, een vereniging waar je als import Europeaan alleen lid van mocht worden, als je tenminste één kind had dat in het land geboren was. De vereniging stelde zich de behartiging van de belangen van de Indo-Europeanen ten doel.

Wij voelden ons aangetrokken tot de Indo-Europese gemeenschap en het Verbond bood de mogelijkheid nieuwe contacten in die richting aan te knopen. Ik maakte al gauw deel uit van het bestuur en Guus Reiger, een jurist en goede kennis van ons, bekleedde het voorzitterschap.

Aangezien er in mijn naturalisatieaanvraag maar geen schot zat, vroeg ik hem om advies. Het laatste wat ik erover had gehoord, was een kort berichtje van het departement van Justitie in Batavia. 66

Ze hadden alle benodigde papieren ontvangen en mijn verzoek naar Nederland gestuurd voor verdere behandeling. Sindsdien had ik er niets meer over gehoord.

Guus raadde mij aan naar Batavia te gaan en mijn zaak te bespreken op het departement. Ik volgde zijn advies op en nam de trein naar Batavia.

Daar kreeg ik een zeer omslachtig verhaal te horen, dat er kortgezegd op neerkwam, dat het met mijn naturalisatieverzoek nog wel een tijdje zou kunnen duren. Mij werd nogmaals bevestigd, dat ik van de Nederlandse autoriteiten niets had te vrezen, ook al behoorde Ik formeel nog tot een As-mogendheid, maar meer kon men echt niet voor mij doen. Ik zou moeten wachten tot de oorlog voorbij was.

Ik ging onverrichter zake terug en voelde me niet bepaald prettig. Al een paar jaar ging ik nu min of meer als statenloos burger door het leven en dat begon me flink te irriteren. Ik wilde nu eindelijk wel eens als Nederlander worden geaccepteerd, want zó en niet anders voelde ik me.

Thuisgekomen belde ik Guus op om een afspraak te maken voor de volgende avond. Hij zou me op de één of andere manier toch verder moeten helpen.

Nadat ik hem over mijn gesprek op het departement had verteld, verzuchtte hij: "Ik weet het ook niet meer."

Ik stoof op. "Ben jij nou jurist! Er moeten toch mogelijkheden zijn."

Hij dacht even na en zei toen: "Er is nog één ding dat je kunt proberen, maar ik geef je heel weinig kans. De gouverneur-generaal (als landvoogd de hoogste ambtenaar) kan aan iemand die langer dan vijf jaar in het land woont, een "Acte van Bekendheid" verlenen. Dat houdt ondermeer in, dat je als ingezetene van het land wordt erkend, ondanks dat je er niet geboren bent. Het is een vergaand besluit van het gouvernement en ik weet, dat het bij herhaling is geweigerd. Maar dat is volgens mij het enige dat je nog kunt proberen."

We stelden direct een rekest op. Tot mijn opluchting ontving ik binnen een maand bericht middels een officiële brief, waarin mij per 8 november 1940 de Acte van Bekendheid werd verleend.

Voor mij betekende dit een onofficiële naturalisatie en eindelijk gerechtigheid! Ik was blij en trots tegelijk. Op geen enkele wijze was ik verdacht als burger van een oorlogvoerende staat. 67

Mijn vuurwapenvergunning was me niet afgenomen - mijn pistool mocht ik behouden, wat wil je nog meer als buitenlander, dacht ik bij mijzelf. Ik voelde mij er ineens helemaal bijhoren en kreeg het verlangen voor het land van mijn vrouw en mijn kind op te komen.

Terwijl de zon op Java gewoon bleef schijnen, bereidde de wereld zich voor op de volgende klap, de aanval van Japan, met als einddoel de verovering van Australië.

Het beroepsleger ging door met zijn oefeningen, ondersteund door de Landstorm. Ik wilde ook graag iets doen, maar wat? Ik kwam erachter, dat de territoriaal commandant van de geneeskundige troepen op Midden-Java in Djokja was gelegerd en maakte een afspraak voor een gesprek.

Tijdens het onderhoud sprak ik er mijn verbazing over uit, dat twee vrienden van mij die beiden tandarts waren, voor de Landstorm waren opgeroepen en niet voor de medische dienst. Ik wist namelijk, dat er in oorlogstijd bijna altijd een tekort bestaat aan artsen. Zijn antwoord was kort en voor mij onthutsend. "Bij mijn afdeling heb ik voor tandartsen noch de apparatuur noch de noodzakelijke instrumenten en daarom zijn ze als gewoon soldaat opgeroepen," aldus de commandant.

Ik maakte hem duidelijk, dat tot mijn studiepakket ook de behandeling behoorde van verwondingen aan het gezicht, de mond en de kaak. Ik stelde mijzelf en m’n hele laboratorium ter beschikking, onder voorwaarde dat er zou worden gezorgd voor mobiele stroomvoorziening.

Zijn houding was welwillend, hoewel ik de indruk kreeg dat hij zich in dit aspect nooit echt had verdiept. Eigenlijk lag dat ook voor de hand, want Nederland had al meer dan honderd jaar geen oorlog gevoerd en veel praktische ervaring met het verzorgen van slachtoffers was er dus niet.

Ondanks de belangstelling die hij had voor mijn aanbod, was zijn uiteindelijke reactie teleurstellend. "Het spijt me, maar ik kan u niet oproepen, omdat u geen Nederlander bent," zei hij. Ik reageerde onmiddellijk met de mededeling, dat ik een Acte van Bekendheid had, maar dat mocht niet baten. 68

De enige mogelijkheid mij op te roepen, had hij in geval van een aanval. Dan zou ik als "bijzonder geval" in dienst kunnen treden, maar eerder niet. Bij het afscheid gaf hij me de raad me in elk geval gereed te houden, maar helaas heb ik hem daarna nooit meer ontmoet.

Toen ik na het gesprek weer thuis kwam, was Frans net bezig met zijn avondeten. Greet was in die tijd opnieuw zwanger en het zou niet lang meer duren, om precies te zijn tot 18 oktober 1941, voordat ook onze tweede zoon Ben het levenslicht zag.

Het verhaal dat ik bij de territoriaal commandant te horen had gekregen, bewaarde ik totdat Frans naar bed zou zijn. Na het avondeten deden we altijd een paar "rustige" spelletjes, waarbij dat "rustige" vooral als waarschuwing aan mijn adres was gericht. Ik mocht graag nogal ruw met onze zoons ravotten, maar volgens Greet behoorden kinderen rustig naar bed te gaan. Wat opvoedingskwesties betreft heeft zij eigenlijk altijd gelijk gehad, met als resultaat dat onze jongens als gemakkelijke kinderen zijn opgegroeid.

Greet was uiteraard zeer benieuwd naar mijn ontmoeting met de territoriaal commandant, maar Frans was moeilijk in bed te krijgen. Roodkapje was zijn lievelingsverhaal. Onder het voorlezen viel hij meestal tegen mij aan in slaap, maar bij het laatste woord werd hij onmiddellijk weer wakker en dan moest ik geheid opnieuw beginnen.

Uiteindelijk, na het nachtgebedje, kreeg ik hem zover en kon ik Greet mijn relaas doen. Haar enige reactie was: jammer.

Al mijn pogingen me als vrijwilliger voor de verdediging van mijn nieuwe "vaderland" in te zetten, waren dus stuk gelopen op mijn status.

Ondertussen gingen de oefeningen van leger en Landstorm door en de bevolking werd geadviseerd thuis met zware balken schuilkelders te bouwen en verduisteringen aan te brengen.

De stemming onder de Hollanders was afwachtend, de meesten hadden een bang vermoeden. Onze Javaanse en Chinese vrienden daarentegen toonden zich in het geheel niet beducht voor de dreigende situatie. Zij vertrouwden geheel op de Hollanders, waarvan zij de stellige indruk hadden dat ze niet te verslaan waren. Niet lang daarna zou de geschiedenis hen de les lezen. 69

In december 1941 werd Pearl Harbor onverhoeds aangevallen en raakte Amerika direct in de Tweede Wereldoorlog betrokken. Korte tijd later viel Singapore en nu was Nederlands-Indië aan de beurt.

Binnen de kortste keren verbruikte onze luchtmacht boven West-Borneo alle beschikbare toestellen op en stond de rest van het eilandenrijk open voor de Japanse aanval. Sumatra werd ingenomen en binnen een paar dagen ook Java. De verslagenheid was enorm. Nederland leed een roemloze nederlaag tegen de Jappen.

In Djokja gebeurde aanvankelijk nog niet zo veel. De Japanners vestigden een militair en burgerlijk bestuur met het oog op handhaving van de orde.

Af en toe waren er berichten over plundering van huizen van Europeanen. Ondanks de betrekkelijke rust in de stad zelf, heerste onder de bevolking grote onzekerheid. De smeltkroes van bevolkingsgroepen, die tot voor kort aan de oppervlakte in elk geval zo hecht had geleken, brak ineens in stukken.

In het gereformeerde Petronella Hospitaal had het verplegend personeel hoofdzakelijk uit Javaanse jongens en meisjes bestaan, maar die waren plotseling allemaal weggelopen. Ook elders was sprake van mensen op de vlucht. Iedereen trok zich onmiddellijk terug in zijn eigen gemeenschap en niemand wist meer van elkaar of men nou vóór of tegen was.

Op 8 maart 1942 bood luitenant-generaal Ter Poorten de Japanners de onvoorwaardelijke capitulatie van Nederlands-­Indië aan. Er kwamen bittere tijden op ons af. 70

Bij hun opmars maakten de Jappen gebruik van Koreaanse stoottroepen. Burgers die niet direct gehoorzaamden, werden getrapt, geslagen of in koelen bloede doodgeschoten. Wredere mensen dan Jappen en Koreanen kan ik me niet voorstellen. Wat zich soms voor taferelen afspeelden, was onbeschrijflijk. Bestiaal en onbegrijpelijk.

Al gauw na de machtsovername bleek een deel van de Javaanse bevolking niet zo betrouwbaar en loyaal tegenover de blanken als wij hadden aangenomen.

Voor Greet en mij, die altijd in harmonie en vriendschap met vrijwel alle bevolkingsgroepen hadden geleefd, was dat een zeer grote teleurstelling. Velen lieten zich door de Jappen gemakkelijk omkopen om inlichtingen te geven, dus was het zaak voortdurend op je hoede te zijn.

Ik hoorde dat onder de blanke bevolking hier en daar groepjes werden gevormd om de Jappen tegen te werken. Ik voelde daar ook wel voor, maar zag van deelname af toen ik hoorde met welke primitieve methoden men dacht de vijand te saboteren. Al deze groepjes werden na korte tijd door de Jappen opgerold, de leden ervan gedood. Meestal waren ze verraden.

Direct na de capitulatie werden de militairen van het Nederlands-Indisch leger en de leden van de Landstorm opgepakt en vastgezet.

Voor de achtergebleven gezinnen van deze geïnterneerden - naast Nederlanders ook veel Ambonezen, Timorezen en Menadonezen - hielden de inkomsten daarmee van de ene op de andere dag op. Al snel was er geen geld meer om eten te kopen.

In dezelfde benarde situatie bevonden zich de lagere ambtenaren en tuinemployé’s voor wie ineens geen werk meer was, aangezien de meeste cultuurondernemingen moesten sluiten.

Kort nadat de militairen waren geïnterneerd, werden ook Nederlandse burgers groepsgewijze vastgezet. Guus Reiger was één van hen. 71

Zij werden voorlopig ondergebracht in Fort Vreedenburgh, het voormalige militaire kampement in Djokja dat door iedereen de "Benteng" werd genoemd. Het kamp was omgeven door een hoge muur van prikkeldraad.

Op een dag werden alle buitenlanders, waartoe ook ik behoorde, op "kantor satoe" geroepen. Op dat kantoor van het Japanse bestuur kregen wij een vierkant metalen plaatje uitgereikt, dat we opvallend moesten dragen.

Op dat plaatje stonden enkele voor mij onbegrijpelijke Japanse tekens, maar een Chinese vriend van mij vertaalde het. Er stond op, dat degene die het plaatje droeg, tot een "neutrale" mogendheid behoorde. Voor de Japanners bleef ik dus Hongaar. Bovendien werd Greet door ons huwelijk nu ook als Hongaarse beschouwd.

Weer voelde ik mij als buitenstaander behandeld, maar déze voorkeursbehandeling ervoer ik als een regelrechte vernedering. Ik was er door mijn Acte van Bekendheid a1s Nederlander echt een beetje bij gaan horen, maar nu voelde ik het achterwege blijven van de naturalisatie sterker dan ooit als een gemis.

Ik voelde de drang opkomen me te bewijzen. Maar was kon ik doen? Hoe kon ik helpen in deze noodsituatie, waarin steeds meer mensen terecht kwamen? Greet wist het ook niet er ik ging diep bij mijzelf te rade.

Ik vroeg me af, waarvoor ik eigenlijk geschikt zou zijn. Wie mijn vader was, wie mijn moeder en wat ik van hen had meegekregen.

Vader, een lange magere man, nooit hard lachend, altijd evenwichtig. Strijder in de Eerste Wereldoorlog, geen held, daarvan wilde hij althans nooit horen. Vriendelijk, maar nooit uitbundig en zonder vooroordelen. Streng en rechtvaardig, altijd behulpzaam en charmant. En vooral ook beschermend voor het personeel.

Moeder, klein, dik en kordaat. Ze dreef het huishouden met verve. Haar gulle lach klonk altijd alsof er zilveren belletjes klingelden. Zeer sociaal voeiend was ze en wat het personeel betrof, dat had meer rechten dan wij kinderen.

Toen ik me deze karaktertrekken voor de geest haalde, herkende ik er wel iets van in mezelf. Kennelijk lag het in mijn aard, aangeboren of aangeleerd, te leven in respect voor de ander, ongeacht rang of stand. Behulpzaamheid hing daar zeer nauw mee samen. 72

Plotseling zag ik een taak voor mij weggelegd.

Zoals gezegd werden de geïnterneerden in Djokja voorlopig opgesloten in de Benteng. Al snel bleek, dat de Jappen zich totaal niet om het lot van de gevangenen bekommerden. Een overwonnene was in hun ogen een onwaardig individu en op die wijze werden de geïnterneerden ook behandeld.

Er was onvoldoende voedsel er wat er aan eten werd verstrekt, was slecht van kwaliteit, Bovendien was er van medische verzorging nauwelijks sprake. Die was geheel afhankelijk van wat de kampbewoners zelf voor elkaar konden doen.

Enige tijd na de interneringen werd het de achtergebleven vrouwen toegestaan, hun mannen en zonen wat voedsel in het kamp te brengen.

De toegestane hoeveelheden waren gering, maar de vindingrijkheid van de vrouwen was groot. Op tal van manieren smokkelden ze extra etenswaren naar binnen, zodat ook de mannen die geen familie in de buurt hadden mee konden delen.

Vooral Willy Klop was hierin zeer vindingrijk en moedig. Haar man Carel Dake was namelijk inmiddels ook al gevangen gezet.

Al riskeerden deze vrouwen een pak slaag van de wacht, het deerde hen niet.

Later heb ik diverse Jappen horen vertellen, dat als ze tegen een leger van vrouwen hadden moeten vechten, ze beslist hadden verloren. Een groter compliment voor de vrouwen in Indië is nauwelijks denkbaar.

In deze situatie zag ik een mogelijkheid, mij enigermate voor de slachtoffers van de Japanse overval in te zetten.

Uit mijn bescheiden voorraad liet ik medicamenten, waar grote behoefte aan bestond, de Benteng binnensmokkelen. Dat bleek niet meer dan een druppel op de gloeiende plaat te zijn, dus moest ik wat anders proberen.

In Djokja waren drie grote apotheken. Twee ervan stonden onder Nederlandse leiding, de derde werd door een Deen gerund. De beide Nederlandse apothekers waren uiteraard al geïnterneerd, maar de Deen als buitenlander niet.

Ik ging naar hem toe en legde uit, dat er grote hoeveelheden medicamenten nodig waren. Van eenvoudige aspirine en vitamines tot geneesmiddelen tegen malaria, suikerziekte, dysenterie, enzovoort. 73

Voor alles zou worden betaald, verzekerde ik hem. Maar nog voor ik goed en wel was uitgesproken, zei hij zeer beslist: "Jij krijgt niets, al betaal je er goud voor."

Geïrriteerd verklaarde hij dat de Jappen al zijn voorraden hadden geregistreerd en dat hij zonder recept niets meer kon verkopen. Risico lopen door, zoals ik suggereerde, bijvoorbeeld een klein brandje te stichten om zo wat voorraad vrij te maken, wilde hij niet.

Na deze teleurstelling verliet ik boos de zaak, maar gelukkig waren een paar Chinese artsen die ik kende een stuk bereidwilliger. Van hen kreeg ik massa’s recepten, tegen inlevering waarvan de Deen wel bereid was aan mij te verkopen.

Uiteindelijk konden er toch nog heel wat medicijnen het kamp binnen worden gesmokkeld.

Lang heeft deze medicamentenvoorziening evenwel niet geduurd, want na een paar weken ging de Benteng dicht en werden de gevangenen overgebracht naar diverse nieuwe kampen op West-Java. Bovendien waren mijn financiële middelen natuurlijk ook niet onbeperkt.

Ongeveer in dezelfde periode kwam mij ter ore, dat enkele gereformeerde dominees een hulporganisatie op poten hadden gezet. Initiatiefnemer was dominee Bakker, die in de uitvoering van het project nu werd bijgestaan door de dominees Van Reenen en Rullmann.

Hoewel het idee binnen de gereformeerde kerk was geboren en ontwikkeld, hadden de katholieke en protestantse kerken zich er inmiddels bij aangesloten.

Een dergelijke vorm van hulpverlening sprak mij onmiddellijk aan en ik belde daarom dominee Bakker voor een onderhoud. Nog dezelfde middag kon ik langskomen op zijn kantoor, waar ook de beide andere dominees aanwezig zouden zijn.

De ontvangst was buitengewoon vriendelijk en na de eerste kennismaking legde ik hen mijn situatie voor. Als zogenaamd neutraal burger ontkwam ik waarschijnlijk aan een internering. Met gebruikmaking hiervan wilde ik mijn solidariteit met de Hollanders bewijzen. Toen ik klaar was met dit verhaal, keek Bakker zijn collega’s even aan en zei toen: "Meneer Szabó, morgenmiddag ontmoeten we elkaar weer, hier op mijn kantoor." 74

Thuisgekomen bracht ik Greet verslag uit. Aan het eind zei ze: "Misschien kun je inderdaad iets voor de gemeenschap doen. Ik hoop het voor je."

In mijn hele carrière heeft zij mij nooit gedwarsboomd, ook al moet ze zo nu en dan duidelijk het gevoel hebben gehad, dat er op een bepaald moment iets fout zou kunnen gaan Het is jouw beslissing en jij weet het beste wat je aankunt, was haar redenering altijd. Zo jong als ze was, gaf ze meermalen blijk van een diep inzicht.

De volgende middag was ik op de afgesproken tijd aanwezig. Bakker had zijn kantoor op het terrein van het Petronella Hospitaal, waar ook veel huizen stonden van dominees en artsen van het ziekenhuis.

Djokja was samen met Poerwokerto het bolwerk van de gereformeerde zending.

Toen ik binnenkwam, waren Van Reenen en Rullmann ook weer aanwezig. De sfeer was vriendelijk, maar zakelijk. Dominee Bakker nam het woord: "Meneer Szabó, wij hebben uw aanbod om met ons samen te werken in overweging genomen en zijn ook bereid daarop in te gaan.

Als geestelijken heeft men ons tot nu toe niet geïnterneerd, maar we vrezen dat het niet lang meer zal duren. Echter," zo vervolgde hij, "aan dit werk is voor u en de uwen veel gevaar verbonden. Bovendien wordt van u strikte geheimhouding verlangd, omdat het werk naar buiten toe legaal lijkt, maar feitelijk illegaal tot stand komt."

Nadenken hoefde ik niet. De risico's konden me allemaal niet schelen, de geheimhoudingsplicht boeide me zelfs en ik beloofde mijn hele ziel en zaligheid aan het project te zullen geven. Praten was niet meer nodig, ik was geaccepteerd.

Nog diezelfde middag werd ik ingewijd in de handel en wandel van de Kerkelijke Sociale Actie, zoals het hulpproject werd genoemd.

Op een vijftal plaatsen, zo kreeg ik te horen, in de armste delen van Djokja, had men gaarkeukens ingericht en op twee plaatsen noodflats.

In die flats waren vrouwen en kinderen ondergebracht, die geen enkele vorm van inkomsten meer hadden. De kosten voor maaltijden en onderdak mochten uitsluitend worden bestreden uit de collectegelden, die de kerken zondags ophaalden. 75

Dat had het Japanse bestuur verordonneerd. Maar de opbrengst van de collectes stond in geen verhouding tot de werkelijke kosten die er werden gemaakt.

Daar kwam de illegale kant van het werk om de hoek kijken, want het benodigde geld moest er toch komen. Er werd daarom aangeklopt bij mensen die nog wat bezaten en nog niet waren geïnterneerd. Van hen werd geld geleend en die geleende bedragen zou men terug krijgen, zodra de oorlog voorbij zou zijn.

Deze geleende bedragen werden als het ware gelegaliseerd, door ze tijdens de kerkdiensten in de collectezakjes te laten verdwijnen.

Op mijn vraag wie voor deze leningen garant stond, antwoordde Bakker: "Daarover zijn afspraken gemaakt met het Nederlandse gouvernement en met de bisschop van Batavia." Ook ik kon nu, zo werd mij verteld, als officieel vertegenwoordiger van de gezamenlijke kerken leningen aangaan voor het werk ten behoeve van hen, die anders zouden zijn verhongerd.

Bovendien zou ik als kerkvertegenwoordiger een noodsalaris van zeventig gulden mogen toucheren, het bedrag dat een dominee ontving. Dat weigerde ik prompt.

Ik verdiende zelf nog met mijn tandtechnisch werk, dat ik op een laag pitje voortzette om mijn gezin in leven te kunnen houden. Die zeventig gulden van de kerk was harder nodig voor het hulpwerk.

Een andere consequentie van mijn nieuwe functie was, dat ik als kerkvertegenwoordiger een zilveren kruis moest dragen. Ook dat was voorschrift van de Jappen.

Met dat zilveren kruis heb ik overigens niet lang rondgelopen. Een dominee was ik immers niet en ik verving het daarom door een houten kruisje, dat ik nog tot lang na de Japanse bezetting heb gedragen.

Een kennis van mij, die niet werd geïnterneerd omdat hij 51 procent Indisch bloed had, had het uit de propeller van een neergeschoten vliegtuig gemaakt. Dit kruisje was een talisman voor mij en nog altijd bewaar ik het als een soort ereteken.

Toen ik na de vergadering thuis kwam, vertelde ik Greet hoe het allemaal was gelopen. Ik voelde me trots, dat ik in deze organisatie als volwaardig Hollander werd aangezien en dat men zo’n enorm vertrouwen in mij toonde. 76

Maar behalve dat prettige gevoel iets te kunnen doen in de huidige noodsituatie, kwam ook de twijfel. Waaraan was ik eigenlijk begonnen en hoe zou het aflopen? Deze vragen schoten meer dan eens door mijn hoofd. Het enige houvast op dat soort momenten bood me de opmerking van Pista, de ordonnans van vader. Als je iets doet, moet je het goed doen. Je moet je geven met alles wat je hebt. Dat zei ik nu ook tegen mijzelf. Ik heb dit werk op me genomen en zal het goed doen ook!

Met het vorderen van de tijd nam ook de onderdrukking door de Jappen toe. Telkens nieuwe groepen werden het doelwit en steeds weer nieuwe lagen uit de bevolking werden de kampen ingestuurd. Degenen die achterbleven, zagen een snel ondraaglijker wordend leven op zich afkomen.

Op zekere dag vaardigden de Jappen een oekaze uit, dat alle overgebleven Europeanen en daarmee gelijkgestelden zich moesten laten registreren. Tot die gelijkgestelden werden de Indo’s gerekend en de oosterlingen, meest Chinezen.

De registratie zou plaatsvinden op een pleintje voor het bestuurskantoor van de Jappen, dat in het seminarie van de katholieke kerk was gevestigd.

De maatregel kwam erop neer, dat allen die nog niet waren geïnterneerd, zich konden aanmelden voor 'bescherming' door de Jappen. Hun 'veiligheid' zou daarmee gewaarborgd zijn.

Aan de registratie waren echter kosten verbonden, hoge kosten gezien het welvaartspeil op dat moment. Vrouwen moesten 80 gulden betalen, de mannen 150 gulden. Bedragen die vele mensen onmogelijk op konden brengen.

De samengestroomde menigte bood een zeer triest aanzien. Veel vrouwen huilden en hadden huilende kinderen aan de hand. Pastoors en dominees van alle drie de kerken hadden zich onder de mensen gemengd om nog voor een opbeurend woord te zorgen, maar hun pogingen hadden weinig effect. Het was een verloren en radeloze groep mensen. Weer een groep, die wij als hulporganisatie in bescherming moesten nemen. 77

Degenen die nog geld hadden, gingen als eersten naar binnen en kwamen even later weer naar buiten met een grijs vel papier, waarop hun pasfoto was geplakt en dat verder vol stond met Japanse tekens.

Tal van mensen bleven echter wachten, in de angstige wetenschap het verlangde geld gewoon niet te hebben. Toen de wanhoop onder hen ten top steeg, maakte Wyb Reddingius zich plotseling los uit de menigte, ging op een verhoging staan en riep uit, dat iedereen die niet kon betalen bij hem moest komen. Hij zou dan een schuldbekentenis tekenen voor het vereiste bedrag. "Ik teken in de naam van onze Heer, Jezus Christus!" schalde het over het plein.

Het was een volkomen spontane actie van Wyb en zelfs een collega van hem, die naast mij stond, riep voor zich uit: "Wat doet hij nou in 's hemels naam?"

Het wonder geschiedde, de Jappen accepteerden zijn aanbod en zo werd in één klap een kerkelijke schuld opgebouwd van tienduizenden guldens.

Ik was blij voor de geholpen mensen, maar een paar jaar later zou ik hierover met de Jappen nog behoorlijk wat moeilijkheden krijgen.
Als enige nog niet-geïnterneerde vertegenwoordiger van de kerken beheerde ik op het laatst namelijk ook de kerkgelden en het zou de grootste moeite kosten deze posten bij de Jappen te verantwoorden.

Zover was het echter nog niet. Ik was de hulporganisatie net binnengestapt en gebruikte de eerste weken om me in te werken.

Dominee Van Reenen was de man van het veldwerk en ik vergezelde hem bij bezoeken aan de noodflats, de gaarkeukens en diverse contactpersonen, waar ik als nieuwe medewerker werd voorgesteld.

In de gaarkeukens, die verspreid over Djokja waren opgezet, werd eenmaal per dag gekookt. De ene keer rijst en sajoer, dan weer hutspot of bruine bonensoep.

De maaltijden werden 's middags tussen twaalf en één uur verstrekt en kostte de mensen tweeënhalve cent per portie. In totaal ging het om maar liefst 3500 porties, die in de vijf keukens dagelijks werden bereid.

In de twee noodflats waren ruim zevenhonderd mensen ondergebracht, meest vrouwen en kinderen van beroepsmilitairen die in het kamp zaten. 78

Al naar gelang de grootte van het gezin, kreeg men één of twee kamers toegewezen en gratis eten, licht, water. Zonodig ook medische behandeling.

De bewoners waren verplicht per toerbeurt in de flatkeuken mee te helpen, waar voor allen gezamenlijk werd gekookt.

Hoewel ik totaal nieuw was in dit werk en nog geen enkele ervaring had met georganiseerde hulpverlening, had ik toch de indruk dat alles goed doordacht was opgezet.

Alleen het criterium om voor huip in aanmerking te komen, was kwestieus. In Djokja en omgeving was op dat moment meer dan de helft van de bevolking op de een of andere manier hulpbehoevend. Het ging dus om duizenden mensen en dat aantal was uiteraard te groot om in zijn geheel te kunnen worden geholpen. Het bestuur had daarom besloten, dat voor hulp mensen van elke gezindte of ras, mits behorend tot een kerkelijk genootschap, in aanmerking konden komen.

Veel Ambonezen en Menadonezen kwamen zo bij ons terecht. Desondanks vielen Javanen en Chinezen er echter vaak buiten, ook al waren zij christen. Stilzwijgend werd namelijk aangenomen, dat beide laatste groepen op Midden-Java hun thuis hadden, terwijl de Ambonezen en Menadonezen uitheems waren en zich daarom moeilijker zelf konden redden.

Als nieuwkomer in deze hulporganisatie stelden de omvang van het werk, de problemen die telkens weer opdoken en de risico’s me al gauw op de proef. Ik had mij in een zaak gestort, waarvoor ik leiderskwaliteiten moest hebben en bestuurlijke kwaliteiten. Beide had ik niet. Ook zou ik moeten laveren tussen de verschiliende religies, iets waar ik flink tegen op zag.

Ik kon voor mijzelf geen wezenlijk onderscheid maken tussen het ene of het andere geloof. Nog minder kon ik het ene geloof 'beter' of 'hoger' dan het andere zien. De problemen die men vaak om futiliteiten maakte, stonden me ronduit tegen.

Ook het vooruitzicht dat ik er straks alleen voor zou staan, wanneer de leiding zou worden geïnterneerd, zoals Bakker had voorspeld, maakte me onzeker.

Ik kreeg visioenen van het span paarden, dat ik als kleine jongen slechts met de grootste moeite had kunnen houden, terwijl de boer in de deuropening van ons huis alleen maar riep: "Hou ze vast." Toen hield ik het inderdaad, maar de situatie van nu was oneindig veel moeilijker. 79

Met mijn nuchtere Hollandse Greet kon ik over mijn twijfels niet spreken, dacht ik. Zij gingen naar mijn mening van uit, dat ik alles kon. Op het sportveld, ja, maar de verantwoording hebben over duizenden mensen in nood en dan ook nog in oorlogstijd, dat was even wat anders.

Erover spreken met Greet bleek echter niet nodig. Zonder dat ik over mijn twijfels repte, voelde ze aan wat me bewoog. Voor de zoveelste maal werd duidelijk, welk een mensenkennis en opbouwende kracht zij bezat. Ook op deze momenten van vertwijfeling, bracht zij de emoties in mij weer tot bedaren en gaf ze lijn aan de situatie, waarin ik mij bevond. 80

Tegen het einde van 1942 was ik inmiddels zover ingewerkt, dat ik mijn draai in de Kerkelijke Sociale Actie had gevonden. Van Reenen had mij overal zeer goed geïntroduceerd en ik kende nu tal van mensen, die op de één of andere wijze bij het project waren betrokken.

Ik was voorgesteld aan de Chinese en Ambonese dominees van de protestantse en gereformeerde kerk, aan Lotje Bos en Wies Vermaes, die de dagelijkse leiding over de beide noodflats en de gaarkeukens hadden en aan diverse potentiële geldschieters.

Bij het woord 'noodflats' moet hier niet worden gedacht aan hoogbouw. In feite ging het om ruime particuliere woningen, waarin elk gezin een kamer had.

De geldvoorziening was en bleef het grootste probleem. Aanvankelijk hadden we van kapitaalkrachtige mensen die op het punt stonden geïnterneerd te worden, flinke sommen geld los kunnen krijgen. Daarmee konden we telkens weer een tijd doordraaien. Prettig werk was dit niet, om bijna als gieren op het voor ons benodigde geld te azen, maar de noodzaak gebood het ons te doen.

Nadat deze inkomstenbron door de interneringen vrijwel was opgedroogd, bleven voornamelijk de Chinezen over als belangrijkste financiële partners. In Indië was alles verhandelbaar, ook gedurende de oorlog. Als je goederen, goud, edelstenen of juwelen bezat, kon je die altijd aan Chinese handelaren kwijt.

Eén van mijn taken was, dit soort waardevolle spullen bijeen te garen en te verhandelen, zodat we voedsel voor de gaarkeukens en de flats konden blijven kopen. Een deel van het geld was bovendien bestemd voor financiële steun aan de meest schrijnende gevallen onder de bevolking.

De kostbaarheden leende ik van particulieren en zakenlieden. Ik legde hen uit waarvoor bet geld was bedoeld en dat de Nederlands-Indische overheid en de bisschop van Batavia zich garant hadden gesteld, dat het geld na de oorlog weer zou worden terugbetaald. 81

Een schriftelijk bewijs dat ik leningbevoegd was namens de kerken had ik niet, maar men kende en vertrouwde mij. Zo ging dat toen in Indië.

Greet kreeg het wel eens benauwd, als ze mij thuis zag komen met grote hoeveelheden sieraden, gouden munten en af en toe zelfs goudstaven. Deze werden dan prompt bij onze Chinese opkopers verhandeld, waarna we het geld in een geheime kluis opborgen.

Greet was inmiddels ingewijd in het voeren van een dubbele boekhouding. Eén was nodig voor de Jappen, die regelmatig controleerden wat wij deden en één voor de registratie van de gevers en de leningen ten behoeve van later, wanneer dat dan ook zou zijn.

Een belangrijke taak in het hele hulpproject was weggelegd voor Lotje en Wies. 'Flatmoeders' werden ze genoemd. Twee unieke vrouwen, zonder wie de hele hulpvoorziening onmogelijk had kunnen draaien.

Wies Vermaes had een Indische moeder en ontliep de internering, vanwege de Belgische nationaliteit van haar vader. Zij was door de katholieke kerk aan de organisatie toegevoegd. Haar man zat wèl in het Jappenkamp en zij stond er met haar tien kinderen dus alleen voor.

Lotje Bos maakte namens de protestantse kerk deel uit van het project. Haar moeder was Hollandse, maar omdat haar vader Ambonees was, bleef ook zij uit het kamp. Ze had vier kinderen. Net als de man van Wies, zat ook die van Lotje vast.

Het werk van beide vrouwen was veeleisend. Om te beginnen zorgden zij voor de aanvoer van levensmiddelen en het samenstellen van de maaltijden. Dat was al een hele organisatie. Ze wisten dat het zo goedkoop mogelijk moest zijn, maar wel gezond genoeg om te kunnen overleven. Bovendien eiste het mentaal veel. Angst en onzekerheid vingen ze bij de mensen op bewonderenswaardige wijze op. Ze speelden het klaar dit jaren achtereen vol te houden. En dit ondanks de vrees voor het lot van hun eigen mannen en de niet ondenkbeeldige angst voor verraad.

Die geldzorgen bleven als een steen om de nek van het hele werk hangen.

Op een dag zou ik naar Semarang gaan, om daar bij een arts te trachten geld los te krijgen. 89

Hij had een Franse naam en was er daarmee tot nu toe in geslaagd, uit de greep van de Jappen te blijven. Indonesiërs en buitenlanders van een bevriende natie mochten nog met de trein reizen, maar alleen wanneer dat om de één of andere medische reden noodzakelijk was.

Ik moest daarom bij de kempeitai, de Japanse gestapo, aannemelijk maken dat ik voor behandeling naar Semarang moest. Dat was geen probleem. Ik had een licht eczeem aan mijn vinger en had deze, voor ik naar de kempeitai ging om een reisvergunning aan te vragen, met een groot verband omwikkeld.

Ik wist dat de Jappen als de dood waren voor infectieziekten, tot een onschuldige verkoudheid toe. Toen ik mijn verhaal deed om naar Semarang te mogen voor een medische behandeling, begon ik langzaam mijn verband af te wikkelen. Meer argumenten waren niet nodig en even later stond ik met mijn reisvergunning op zak weer buiten.

Twee dagen later vertrok ik en had geen idee wat me te wachten stond. Laat in de middag kwam ik in Semarang aan, maar toen ik de bewuste arts had gevonden en ik hem over de reden van mijn komst vertelde, was mijn teleurstelling groot.

Net een paar dagen eerder had hij al zijn beschikbare geld aan een ander project besteed, vertelde hij me. Ik kon onverrichter zake weer naar Djokja terug, in de treurige wetenschap dat deze financiële missie was mislukt.

Een paar weken later kwam er een agent bij mij langs, die opdracht had mij onmiddellijk mee te nemen naar het kantoor van het Japanse bestuur. Ik werd voorgeleid aan een Jap, gekleed in een keurig officiersuniform.

Tot mijn verbazing sprak hij mij toe in onberispelijk Nederlands. Later heb ik uitgezocht wie hij was en kwam ik er achter, dat hij een paar jaar voor de oorlog in Batavia de Hollandse HBS had doorlopen.

Hij ging meteen in de aanval: "Dat u het plaatje van een neutrale mogendheid draagt, heeft niets te betekenen. Ik weet precies wat u doet voor onze vijanden, de Hollanders. Op grond van mijn inlichtingen kan ik u dus meteen door de kempeitai laten oppakken," sprak hij dreigend.

Ik voelde me betrapt en er flitste door mijn hoofd, dat alles nu ineens voorbij zou zijn. "Als u dat weet, dan moet U het maar doen," was het enige dat ik wist uit te brengen. 83

Kennelijk was dat het juiste antwoord, want zonder er verder nog op in te gaan, zei hij kortaf: "U kunt weer gaan." Niet alleen grof waren de Jappen, ook nog totaal onberekenbaar.

Ik was in elk geval gewaarschuwd en liet via een koerier weten, dat ik diezelfde middag een gesprek met Bakker en Van Reenen wilde. Telefoneren deden we zo min mogelijk, uit angst te worden afgeluisterd.

Ik bracht verslag uit van het gebeurde, maar ondanks dat we nu wisten dat de kempeitai me nauwlettend in het oog hield, werd toch besloten dat we gewoon door zouden gaan.

In die dagen kwam de Ambonese dominee Pattinasarany enkele keren per week bij mij langs om voor me te bidden. "Als er met u iets gebeurt, zijn wij Ambonezen verloren," zei hij altijd. Zijn opmerkingen maakten me verlegen, maar gaven me tevens de wilskracht, de grote groep van mensen die aan de rand van de afgrond leefde er koste wat het kost doorheen te slepen.

Nu duidelijk was geworden dat de kempeitai mij in de gaten hield, beperkte ik mijn persoonlijke ontmoetingen met de leiding van de Kerkelijke Sociale Actie tot het minimum. De Jappen mochten niet kunnen bewijzen, dat het hulpproject feitelijk nog altijd onder Nederlandse leiding stond en dat de benodigde gelden op illegale wijze werden vergaard.

Telkens kwam dat geldprobleem weer om de hoek kijken. Geld, dat me als bezit nooit heeft geïnteresseerd, is in mijn hele latere leven ook nooit een drijfveer geweest. Maar nu was het van levensbelang. Het moest er komen, daartoe had ik me verplicht.

Ik zou naar Poerwokerto gaan, om te trachten daar bij de geneesheer-directeur van het plaatselijke ziekenhuis geld te lenen. Ik kende hem alleen van naam, ontmoet had ik hem nog nooit. Als één van de zeer weinige Hollanders was hij nog niet geïnterneerd, omdat het ziekenhuis ook voor de Jappen van groot belang was.

Een reisvergunning had ik weer gekregen in verband met het nog altijd niet genezen eczeem aan mijn vinger, dat ik nu zogenaamd in Poerwokerto wilde laten behandelen. 84

Mijn vertrek uit Djokja deed luguber aan.
Op het perron was ik de enige Europeaan en als bewijs van het Japanse wantrouwen werd ik bij het instappen eerst gefouilleerd.

In de coupé waar mij een plaats was toegewezen, zaten twee Japanse officieren. Toen ik binnenkwam, onderbraken ze hun gesprek. In gebrekkig Maleis vroegen ze op bijtende toon, wat ik in de trein te zoeken had.

Ik vertelde over mijn vinger en dat accepteerden ze. Ik mocht gaan zitten, pal tegenover hen. Ze hielden hun blikken voortdurend op mij gericht.

Halverwege de reis bleven we op een station veel langer staan dan gebruikelijk. Ik had het bange vermoeden dat ik uit de trein zou worden gehaald en mijn missie zou moeten opgeven. En inderdaad, na lang wachten kwam een hoge Japanse officier de coupé binnen, die door mijn twee reisgenoten met alle egards werd begroet.

Zij praatten op drukke toon met elkaar en wezen daarbij telkens op mij. Op een gegeven moment vroeg ook de hoge officier streng, waarom ik in de trein zat. Ik legde weer uit, dat ik voor behandeling naar het ziekenhuis in Poerwokerto moest en liet hem mijn in verband gewikkelde vinger zien.

Het drietal ging zitten, één naast mij en twee tegenover mij, waarna de trein weer begon te rijden. Tot Poerwokerto werd geen woord meer gesproken, de stemming bleef onveranderd gespannen en ik had geen idee wat me te wachten stond.

Eén ding wist ik in elk geval zeker. Mijn missie mocht niet mislukken. We hadden op dat ogenblik geen cent meer om nog verder te draaien en alles kwam dus aan op het resultaat van deze reis.

Met dominee Rullmann had ik een afspraak gemaakt, hoe ik hem zou laten weten wat ik had binnen kunnen slepen. Als ik 's zondags na mijn terugkeer in Djokja op een bepaalde plaats in de kerk zou zitten, wist hij dat het niets was geworden. Een andere plaats zou betekenen, dat ik een deel van het benodigde bedrag zou hebben kunnen lenen en zou ik vooraan plaatsnemen, dan was dat voor hem een teken dat ik het gehele bedrag had weten los te krijgen.

Zover was het uiteraard nog niet. Direct na aankomst in Poerwokerto werd ik gevolgd door mijn twee coupégenoten. Ik maakte gebruik van het enige openbaar vervoer dat er nog reed, een paard en wagen met koetsier, om naar het ziekenhuis te gaan. 85

Ook op dit traject werd ik gevolgd, nu door een motor met zijspan van de kempeitai. Bij de poort van het ziekenhuis bleven de twee agenten echter staan.

Toen ik mij aan dokter Zwaan, de geneesheer-directeur, voorstelde en over mijn achtervolgers vertelde, zei hij onmiddellijk: "U gaat nu meteen naar een ziekenkamer en in bed." Typisch Indisch, dat je direct zo vertrouwelijk met elkaar omging, terwijl wij elkaar nog nooit hadden ontmoet.

Hij bracht me via een paar donkere ziekenhuisgangen naar een kamer, waar ik snel in bed werd gestopt. De Jappen konden namelijk elk moment weer opduiken, om te zien of ik echt als patiënt was opgenomen. De koortsthermometer die op het kastje naast mijn bed lag, bracht ik met een lucifer tot bij de 40 graden, maar tot mijn schrik merkte ik, dat ik de zwarte roet er niet meer van af kreeg. Wat zou ik moeten zeggen als ze dat merkten, schoot het door mij heen. Mijn hele leven was een en al liegen en bedriegen geworden en het werd alleen maar erger.

Het duurde inderdaad niet lang, of er klopten twee Jappen op de deur van mijn ziekenkamer. Binnenkomen durfden ze echter niet, want ik riep hen in het Maleis toe dat ik koorts had. Daarvoor waren ze doodsbang.

Na kort overleg met dokter Zwaan dropen ze weer af. Ik werd in pyama meegenomen naar het appartement van Zwaan, waar ik ook kennismaakte met zijn vrouw.

De sfeer was echt gezellig. We dronken een borrel, wat ik al lange tijd niet meer had gedaan, rookten sigaretten en begonnen ons gesprek.

Plotseling klonk motorgeronk op het terrein en ik rende terug naar mijn kamer.

Na een half uur haalde dokter Zwaan me weer op en vertelde, dat het opnieuw de kempeitai was geweest die mijn hele doen en laten volstrekt niet vertrouwde.

Ook Zwaan en zijn vrouw leefden in voortdurende onzekerheid. Niet alleen met mij liepen ze risico’s, ook hadden ze op de isoleerafdeling klandestien nog een Brits-Indische soldaat liggen. "Als ze hem hier vinden, ben ik erbij met mijn hele gezin," vertelde de arts.

Ondanks de spanningen die het met zich meebracht, deed men dit soort dingen om anderen uit de kampen te houden. De gevaren nam je op de koop toe en die waren beslist niet geringer dan die in Nederland onder de Duitse bezetter. 86

Na het oponthoud zetten we onze bespreking voort en aan het eind van de avond kon ik me tevreden op de terugreis voorbereiden. Ik had een onverwacht hoog bedrag toegezegd gekregen, waarmee we weer een hele tijd konden doordraaien met onze gaarkeukens, de noodflats en de financiële steun aan individuele gevallen in nood.

Greet was voor deze reis heel bang geweest en bijzonder blij, toen ik weer opdook. "Je moet een beschermengel als gids hebben gehad," zei ze met een mengeling van angst en opluchting in haar stem.

De volgende zondag in de kerk zocht dominee Rullmann onmiddellijk de banken af om te zien waar ik zat. Toen hij mij op de plaats van de ‘volle buit’ ontwaarde, hield hij zijn hand zegenend naar mij op en allebei waren we zielsgelukkig. Hij hield een werkelijk gloedvolle preek in de Maleise taal, want het Nederlands was al verboden. Na de dienst dronken we samen koffie.

Ik vertelde hem hoe de missie was verlopen en wat mij aan geld was toegezegd. Meegenomen uit Poerwokerto had ik niets, want met het fouilleren door de Jappen was dat te gevaarlijk geweest. Met dokter Zwaan had ik het echter zo geregeld, dat in de loop van de week een vertrouwde bediende het geld bij mij zou afleveren.

Inderdaad werd een paar dagen later 's avonds op het raam getikt en stond een Javaanse bediende voor de deur. Eenmaal binnen, haalde hij overal van onder zijn kleding geld tevoorschijn en zelfs in zijn hoofddoek had hij nog het één en ander verstopt.

Het afgesproken bedrag klopte tot op de cent en Greet bood hem na zijn lange treinreis uiteraard een kop koffie en een sigaar aan. De Javaan bedankte echter beleefd met de mededeling dat hij snel weer weg moest en bij familie in Djokja zou slapen, voor hij de volgende dag naar zijn baas terug zou gaan. Beleefd nam hij afscheid en verdween in de nacht.

Ondertussen breidde de Japanse terreur zich gestadig uit. Telkens weer nieuwe interneringen werden afgekondigd. 87

Om de blanken alleen ging het bij de interneringen al lang niet meer. Ook de Indonesische bevolking die niet voor honderd procent Indonesisch bloed in de aderen had, moest ermee rekening houden op een dag naar de kampen te worden afgevoerd.

Zeker voelen kon niemand zich meer en dat deed me diep in mijn hart pijn. Hoe mooi was het leven hier tot voor kort nog geweest, hoe prettig had ik me hier al meer dan tien jaar lang gevoeld. Vrienden hadden we gevonden onder vrijwel alle groepen, of het nu de totok’s waren of de Indo’s, de Javanen of de Chinezen, de Ambonezen of de Menadonezen. Voor Greet en mij hadden kleur of afkomst nooit een verschil gemaakt. Hoofdzaak was de mens, in welke huid hij ook stak.

De Jap had de samenleving in stukken gehakt. Een nog steeds groeiend deel van de bevolking verdween in kampen, waar honger, ziekte en dood het dagelijks leven bepaalden. Degenen die overbleven, trokken zich steeds dieper in hun schulp terug.

In september 1943 was zowat het laatste restje Europese vrouwen en mannen aan de beurt, om in een kamp te worden opgesloten. Onder hen behoorde ook de geestelijkheid. Wat dominee Bakker mij al een jaar eerder had voorspeld, werd nu dus bewaarheid. De leiding van het project was ineens weg en namens hen stond ik er nu alleen voor.

Het afscheid vond als altijd plaats op het station. Er heerste geen begrafenisstemming, maar opwekkend was het vertrek allerminst. Wyb Reddingius, mijn grote vriend en Nederlands-Hervormd dominee, sprak: "Géza, ik hoef je niets te zeggen. Tot ziens en zorg goed voor de Takkenbos." Dat was de bijnaam van Greet, die nog altijd erg tenger was. Daarna nam ik afscheid van mijn bestuur. Van Bakker en Rullmann kreeg ik een warme handdruk voordat zij de trein instapten. Alleen Van Reenen zei: "Eigenlijk ben ik blij dat ik achter het prikkeldraad ga, want deze spanning had ik niet langer volgehouden. Géza, succes met het werk." 88

Nog diezelfde dag belegde ik met Lotje Bos, Wies Vermaes en frater Csizmazia von Somogy een vergadering. Ondanks het wegvallen van de oorspronkelijke leiding besloten we door te gaan, zo lang we het vol zouden kunnen houden. De frater, die namens de katholieke kerk deel uitmaakte van ons team, was van Hongaarse afkomst. Hij nam op zich, zijn bisschop in Semarang van de nieuwe situatie op de hoogte te stellen. Een situatie, waarin ik nu als niet-geestelijke de leiding had gekregen.

Binnen een week ontving ik van Monseigneur Soegiopranoto, de eerste Javaanse bisschop in Indië, een brief waarin hij mij erkende als hoogste vertegenwoordiger van zijn kerk in Djokja. Tevens deelde hij mee, dat de frater was benoemd tot verantwoordelijk persoon voor alle kerkelijke eigendommen in dit ressort.

Na de internering van de Europese geestelijkheid werden de kerkdiensten vrijwel geruisloos overgenomen door Indonesische en Chinese dominees en priesters. Ook de collectes gingen gewoon door.

De voedselsituatie verergerde. Levensmiddelen werden schaarser en bovendien begonnen de Jappen de distributie hoe langer hoe strenger te controleren. Dat betekende, dat ook de aankoop van voedsel voor een deel illegaal moest gebeuren.

Op een gegeven ogenblik sloten ze zelfs de stadsgrenzen af. We begonnen dus te smokkelen. Zo lukte het ons een keer een ossewagen, een 'tjikar', vol met rijst, mais en suikerde stad binnen te krijgen. Daar moest natuurlijk met goud voor worden betaald, letterlijk. Weer een vermindering van mijn gouden muntenverzameling, maar dat vond ik niet belangrijk.

Erger was, dat de Jappen me steeds scherper in de gaten begonnen te houden. Op onverwachte ogenblikken kreeg ik een oproep om langs te komen, nu eens op het bestuurskantoor dan weer bij de kempeitai.

De vragen hadden meestal betrekking op de financiering van ons project en wat ik ook antwoordde, hun reactie was altijd: "Bohong - je liegt." Ik kreeg dan een mep in mijn gezicht en dat herhaalde zich bij alles wat ik zei. 89

Loslaten deed ik niets en echt pijn had ik evenmin. Ik voelde op zulke momenten alleen weer die ijzige kou binnen in mij, die ik vroeger in Miskolc al had bespeurd, toen die ruiter me met zijn rijzweep een flap in het gezicht had gegeven.

Tijdens één van die ondervragingen ging het ook over mijn positie als vertegenwoordiger van de kerken. Hoe kon ik als burger een kruis dragen en door wie was ik eigenlijk in deze functie benoemd, brulden ze mij toe.

Ik gaf hen de brief die ik van Monseigneur Soegiopranoto had gekregen en die maakte indruk. Mijn positie werd geaccepteerd en wat deze kwestie betreft, werd ik voortaan met rust gelaten.

Pas later is me gebleken waarom. Door een foutieve vertaling van de brief, die in het Nederlands was gesteld, gingen zij ervan uit dat ik door de bisschop was benoemd tot Vaticaans gezant. Aan zo’n consulaire functie durfden de Jappen niet te tornen en dat was achteraf gezien ook de reden, waarom ik aan het eind van de bezetting vrijwel de enige Hongaar bleek te zijn, die nog niet was geïnterneerd.

Naast mijn activiteiten binnen de Kerkelijke Sociale Actie, hield ik mij uiteraard ook nog bezig met tandtechnisch werk. Op bescheiden schaal weliswaar, want alle Europese tandartsen voor wie ik vroeger werkte, waren inmiddels geïnterneerd. Alleen van een paar Chinese tandartsen kreeg ik nog opdrachten.

Op een dag kwam Wirjo, mijn leergierige assistent, in het laboratorium naar mij toe en bood zijn ontslag aan. Toen ik hem vroeg naar zijn beweegredenen vertelde hij, dat de Japanners hadden beloofd hem tot gevechtsvlieger op te leiden.

Ik had zo mijn twijfels, want Wirjo had geen andere vooropleiding dan lagere school en meer talen dan Javaans en Maleis sprak hij niet. "Weet je zeker dat je echt piloot wordt?" vroeg ik hem. "Ja," antwoordde hij geestdriftig, "ik word piloot om de Amerikanen van de wereld te vegen. Sikat Amerika! Weg met Amerika!"

Van mijn twijfel over de fraaie beloften van de Jappen kon ik hem niet overtuigen. Hij had zijn besluit genomen, hoewel ik zo goed als zeker wist, dat hij werd geronseld als zogeheten romoesja, als dwangarbeider. 90

Onder de meest vreemde voorwendsels trachtten de Jappen al een tijd lang Indonesiërs te werven, die uiteindelijk werden gedwongen als slaaf voor hen te werken. Deze romoesja’s werden niet beter behandeld dan de mensen in de kampen en ook zij werden aan verschrikkelijke ontberingen blootgesteld. Aan het eind van de oorlog bleek, dat de ronselpraktijken van de Jappen ook vele duizenden slachtoffers onder de Indonesische bevolking hadden gemaakt. Wirjo heb ik nimmer teruggezien.

De omstandigheden waarin wij ons werk moesten doen, werden met de dag moeilijker. Tot overmaat van ramp begonnen de Jappen voedsel naar hun eigen land te sturen, waar ook honger was gaan dreigen.

Als gevolg hiervan werden we gedwongen, de menu’s van de gaarkeukens en de noodflats te wijzigen. Rijst moest deels worden vervangen door mais en ook met het gebruik van de zo belangrijke groentes moesten we voorzichtiger gaan omspringen. Hoewel de voedingswaarde nog niet noemenswaardig daalde, kwam er toch gemor. Sommigen waren ervan overtuigd, dat onze middelen onuitputtelijk waren en dat leidde tot verwijten. Dit werd zelfs Lotje en Wies soms teveel. Gelukkig leverde in die periode Trude Resink, de zuster van Han, een steeds belangrijker bijdrage aan het werk.

We hadden natuurlijk niet de mogelijkheid het de mensen uit te leggen. De stelling van de oorspronkelijke leiding was - en die heb ik gehandhaafd - dat zo weinig mogelijk mensen mochten weten, hoe het geheel functioneerde. Dat was de enige mogelijkheid om de Japanse controle te doorstaan en het illegale werk te kunnen voortzetten.

Ik zat weer eens dringend verlegen om veel geld. 'Legaal' geld wel te verstaan, dus was een extra impuls via de collectezakjes nodig. Gelukkig hadden we nog enkele waardevolle zaken die ons in bewaring waren gegeven en die verkocht ik. Wies Vermaes droeg ik op, de volgende zondag tijdens de dienst in de katholieke kerk duizend gulden in het collectezakje te gooien. Na de dienst moest ze direct naar de consistoriekamer gaan, om daar het getelde collectegeld in ontvangst te nemen. 91

Het was spelen met vuur, om zo’n hoog bedrag aan de collectezak toe te vertrouwen, met zoveel onbetrouwbare mensen om je heen.

Lotje Bos zou als hulppredikante in de protestantse kerk preken. In die dienst zouden Greet en ik aanwezig zijn. Lotje had ik van tevoren al ingeseind, dat ze op een flink bedrag aan collectegeld kon rekenen en goed op moest letten, dat er tijdens de rondgang van het zakje niets uit zou worden gestolen. Dat gebeurde namelijk nogal eens.

Toen wij van huis weggingen, gaf ik Greet ook duizend gulden. In de kerk werden we door een der kerkeraadsleden naar onze plaats gebracht.

De dienst werd geleid door mijn vriend, de Ambonese dommee Pattinasarany, maar de preek hield Lotje. Behalve de beide dames, wist ook de dominee hoe onze hulpactie werkte. Wij volgden de dienst geboeid. Toen de man met het collectezakje voorbij kwam, stopten we ons geld erin en hielden hem zo lang mogelijk in het oog.

Plotseling stootte Greet mij aan en zei fluisterend: "Ik heb per ongeluk ook mijn zakdoekje in de collectezak gedaan." Ik vond het zo grappig, dat ik een spontane lachbui kreeg, die ik onmiddellijk probeerde te onderdrukken.

De volgende dag sprak ik Lotje, die van de kerkgangers had gehoord dat ik verschrikkelijk had gehuild. Wat zou er in die man zijn omgegaan, hadden ze zich afgevraagd. Allen waren vol medelijden met mij geweest.

Belangrijker was, dat alles had gefunctioneerd zoals gepland, ook bij de collecte in de kerk van Wies Vermaes. De ingezamelde collectegelden werden keurig in de officiële boeken bijgeschreven, waar de Jappen inzage in hadden en wij konden in elk geval weer een paar weken vooruit.

Niet lang na deze bijzondere collecte werd dominee Pattinasarany door de kempeitai gearresteerd. Mijn grote angst was, dat hij zou doorslaan. De dominee was immers van bijna a lles op de hoogte en een beetje informatie van zijn kant, zou voor de kempeitai voldoende zijn om het hulpproject te stoppen en mij te arresteren. Deze kleine Ambonees was een groot mens. Ondanks de foiteringen die hij moest doorstaan, bleef hij zijn geheim bewaren.92

Op verschrikkelijke wijze moet hij zijn gemarteld, heb ik later gehoord, tot de dood hem uiteindelijk verloste. Ik heb nog vaak aan hem teruggedacht.

Begin 1944 moesten we het aantal per dag te verstrekken maaltijden drastisch inkrimpen. De 3500 porties werden teruggebracht tot 2000 en korte tijd later tot zo’n 1500. Met veel onjuiste verklaringen en rapporten lukte het ons nog tot april 1944 alle vijf gaarkeukens draaiende te houden, maar toen moesten we twee ervan sluiten. De overige drie werden een maand later gesloten.

Degenen die door deze sluiting werden getroffen, kregen van ons financiële ondersteuning, zodat zij in elk geval zelf nog voor wat eetbaars zouden kunnen zorgen. Maar verder stortte dit deel van het humane project, dat onder de praktische leiding van dominee Van Reenen zo effectief was opgebouwd, ineen, zoals al zoveel was vernietigd onder de zware Japanse druk.

Van de beide noodflats was er inmiddels nog maar één overgebleven. Veel moeders waren hun kinderen niet meer de baas, jongens terroriseerden de meisjes en tal van onderlinge ruzies tussen de bewoners waren hoog opgelopen. Het gevolg was, dat velen op de loop gingen en elders een heenkomen zochten.

Tot eind 1944 had het Japanse bestuur nog enige financiële hulp aan het flatproject verleend, omdat men de doelstelling ervan wel kon onderschrijven. Daarna werd die steun stopgezet en moesten de bewoners het geld zelf verdienen met touwdraaien.

In de flat werden daartoe enkele toestellen geplaatst voor het spinnen en draaien van sisalvezels, maar die machines waren dermate ouderwets, dat de uiteindelijke produktie minimaal bleek te zijn. Het geld dat de bewoners tekort kwamen om te kunnen overleven, pasten wij ondergronds bij. Zo hebben wij in elk geval deze flat nog tot aan de Japanse capitulatie kunnen handhaven.

Een paar weken nadat we de gaarkeukens hadden moeten sluiten, kreeg ik opnieuw een oproep om bij het Japanse bestuur te komen. 93

Ik werd herinnerd aan de registraties, een paar jaar eerder, waarbij Wyb Reddingius namens de kerken een schuldbekentenis van tienduizenden guldens had getekend. Aangezien ik nu de kerken vertegenwoordigde, was het aan mij dat bedrag te verzilveren. En wel direct!

Het geld had ik uiteraard niet en het werd een eindeloos loven en bieden, dat zich dagen achtereen voortsleepte. Uiteindelijk kwamen we overeen, dat ik elke maand een bepaald bedrag zou aflossen. Geen hoog bedrag overigens, zo had ik weten te bedingen.

Later heb ik uitgerekend, dat de laatste aflossing pas plaats zou moeten vinden, wanneer ik 130 zou zijn. Een geruststellende gedachte.

Veel grotere zorgen had ik over de realiteit van dat moment. Als de oorlog nog één regentijd voortduurt, zo dacht ik bij mijzelf, zal er niemand meer overblijven. De tyfus, dysenterie en malaria zouden nog moordender toeslaan dan in voorgaande jaren al het geval was geweest.

De weerstand van de meeste mensen was door honger en ellende al vrijwel tot het nulpunt teruggebracht en slechts zeer weinigen zouden tegen een nieuwe ziektegolf zijn opgewassen.

De radioberichten, die we in het geheim nog konden ontvangen, waren bemoedigend. De geallieerden begonnen eindelijk terrein te winnen. Op 6 augustus 1945 viel de eerste atoombom op Hirosjima, de tweede op 9 augustus op Nagasaki. Kort daarop volgde de onvoorwaardelijke capitulatie van Japan.

Waar iedereen al zo lang naar had uitgekeken, was dus eindelijk een feit. We hadden nog ergens een fles champagne staan, zo dood als een pier en ongekoeld, maar met onze vriend die destijds het houten kruisje voor mij had gemaakt, dronken we toch met smaak op de overwinning.

Daarna belde ik oude vrienden van ons op, oom John en tante Roos Michael. Greet was zijn lievelinge en ik was de lieveling van tante Roos. Hij was Delfts ingenieur, zij lerares Engels en beiden waren van Armeense afkomst, hoewel ze al lang geleden tot Nederlands staatsburger waren genaturaliseerd.

Ik vertelde hen opgewonden wat er was gebeurd. Dat twee atoombommen ons hadden gered. Oom John was een wijze man, oude man. 94

Ik geloof dat hij dat op zijn achttiende al was. Zulke types kom je zo nu en dan tegen. Hij antwoordde op bedachtzame, welhaast bijbels-apostolische manier. "Géza, als de mens het atoom kan splitsen en het ook kan gebruiken, dan is in de toekomst in technisch opzicht niets meer onmogelijk."

Vijfentwintig jaar later liepen er mensen op de maan. Toen belde hij mij op en zei: "Heb je het ook gezien, Géza? De eerste mens die voet op de maan zette, is een broeder van ons." Neil Armstrong was inderdaad net als wij vrijmetselaar. En hij zei er nog bij: "Jij bent nog jong genoeg om de techniek te gebruiken. Misbruik haar niet." Oom John was een goed en gelovig mens. 95

Wat er moest gebeuren wanneer de Jappen zouden capituleren, hadden we voor de internering van Bakker, Rullmann en Van Reenen al een paar keer samen besproken.

Veel concreets was uit die gesprekken overigens niet gekomen, want geen van ons had een duidelijk beeld gehad, hoe en wanneer de oorlog zou eindigen. Wel wisten we, dat in Djokja de nodige chaos te verwachten viel, wanneer de overlevenden uit de kampen hun weg naar huis terug zouden gaan zoeken.

Centraal gelegen op Midden-Java was Djokja namelijk een echt knooppunt, waar al het treinverkeer samenkwam. De enige opdracht die ik van de oude leiding had meegekregen, was handelen naar bevind van zaken.

Ik riep mijn directe medewerkers bijeen, de dames en de frater, om te overleggen wat we zouden gaan doen, maar we kwamen tot de conclusie dat er voorlopig niets anders opzat dan te wachten.

De geallieerden hadden de Jappen namelijk bevolen, de kampen nog gesloten te houden om de vrijlating enigermate in goede banen te kunnen leiden. Een paar dagen lang heerste er in Djokja daarom een onheilspellende stilte. Er gebeurde niets.

Toen, op een zondagmiddag, kwam één van mijn verspieders onverwacht bij mij langs en vertelde:"Meneer, er zit een vrouw met twee kinderen op het station."

Ik op mijn fiets naar het station en inderdaad, daar zat waarachtig Non Ahn met haar dochtertje en zoontje. Voor haar internering was zij kookster geweest in één van onze gaarkeukens.

Achter een bijna popperig aandoend uiterlijk ging bij haar een taaie overlevingsdrift schuil. Ze had de openstelling van het kamp niet willen afwachten en was er vandoor gegaan. Nu stond zij daar als eerste klant van onze 'opvangorganisatie', die nog in het geheel niet bestond. Het enige wat ik kon doen, was haar onderbrengen bij een bevriende relatie.

Daarna riep ik onmiddellijk de directe medewerkers weer bijeen, ditmaal om spijkers met koppen te slaan. 96

Het drong tot mij door, dat de kampen natuurlijk toch binnen de kortste keren leeg zouden lopen, order of geen order van de geallieerden. Daarom stelde ik voor, zo snel mogelijk een stationsdienst in het leven te roepen.

Over de vraag hoe die eruit zou moeten zien, had ik op dat moment nog geen enkel concreet beeld. Ik improviseerde daarom. Het eerste wat we ons voornamen, was de reizigers van hun bagage te ontdoen en die te registreren. Dan hoefden ze zich daarover in elk geval geen zorgen te maken en zouden ze de handen vrij hebben, tot ze weer verder wilden reizen.

Zoals verwacht, liepen de kampen inderdaad direct leeg. De treinen met ondervoede, zieke en verwaarloosde mensen reden van oost naar west, van noord naar zuid en omgekeerd en elke trein deed Djokja aan.

Direct de eerste dag ging ik naar een bekend Chinees restaurant in de stad en sprak met de eigenares. "Mevrouw," zei ik, "wij hebben vanaf vandaag op het station ongelimiteerde hoeveelheden bouillon nodig voor de mensen die wij daar opvangen. Bovendien voor iedereen die direct door wil reizen een 'besek' (gevlochten mandje) nasi goreng om mee te nemen." "Alles is mogelijk," antwoordde ze, "als er maar wordt betaald." Dat beloofde ik, hoewel ik toen nog geen idee had, waar ik het geld vandaan zou moeten halen.

Tot medisch adviseur benoemde ik dokter Thio, een arts van Chinese afkomst die met een Europese vrouw was getrouwd. Een prachtvent, aan wie ik erg veel zou hebben. Samen met enkele verpleegsters zou hij voor eerste hulp zorgdragen en de mensen die er ernstig aan toe waren, naar één van de beide ziekenhuizen doorverwijzen.

Enkele dames had ik bereid gevonden, als ontvangstcomité op te treden. Zij moesten degenen die in Djokja thuishoorden, in een aparte ruimte opvangen en hen daar van warme dranken en maaltijden voorzien, die ons vroegere keukenpersoneel ter plaatse klaarmaakte.

Sjouwersploegen van telkens zo’n dertig jongens verzorgden het vrachtgoed en de bagage van de ex-geïnterneerden, zodat de afgetobde mensen rustig en zonder angst voor verlies, hun laatste bezittingen aan hen konden overlaten. 97

Daarnaast hadden we nog een hoteldienst in het leven geroepen, die elke kampbewoner die zijn reis dezelfde dag niet meer kon voortzetten, naar hotel Toegoe of een ander goed hotelbedrijf zou brengen. De gasten kregen daar een gezonde maaltijd en een bed, terwijl hen de volgende dag bij vertrek nog een 'besek' nasi goreng werd toegestopt.

De treinen reden af en aan en onze geïmproviseerde hulpdienst draaide op volle toeren. Maar met het toenemen van het aantal op drift geraakte reizigers, groeiden ook de problemen.

Elke avond hielden we een vergadering om de nodige knelpunten op te lossen. Vooral het grote aantal zieken dat we te verwerken kregen, gaf de nodige moeilijkheden en bovendien werd van de kant van de Javaanse autoriteiten totaal niets ondernomen. Wij als vrijwilligers stonden er alleen voor.

Tussen de lopende zaken door dacht ik terug aan Non, onze eerste evacuee. Hoe verlaten had ze daar gestaan met haar twee kinderen als enig bezit. Dat haar man in een Japanse kwikzilvermijn was omgekomen, wisten we toen nog niet. Non, een bescheiden vrouw, maar in de gaarkeukens een harde werkster. Nooit was haar iets te veel geweest en nu had ze daar op het station gestaan.

Op een avond, nadat we de laatste trein hadden afgehandeld, trad plotseling een goed geklede man uit het donker te voorschijn en stelde zich voor als vertegenwoordiger van het internationale Rode Kruis.

Hij was een Zwitser en sprak mij in het Duits aan. "Ik reis in opdracht van het Rode Kruis van west naar oost, om te zien wat er op de stations voor de exgeïnterneerden wordt gedaan," zei hij. "Bij u heb ik het volgende gezien. Als de mensen uitstappen wordt hun de bagage uit handen genomen. Daarna worden ze door dames begeleid naar enkele tafeltjes, waar zij bouillon met rijst krijgen en nog een klein pakje. Wat zit daarin?"

Ik vertelde hem, dat die pakjes medicamenten bevatten tegen diarree. "Ik heb ook gezien," zo ging hij door, "dat er mensen naar hotels in de stad worden gebracht. Wie betaalt hun logies?" 98

Ik deed hem de hele gang van zaken uit de doeken en verklaarde, dat ik voor alle kosten de verantwoordelijkheid op me had genomen.

"Een werkelijk perfecte organisatie," bekende de man. "Zoiets ben ik onderweg nog nergens tegengekomen." Die opmerking deed me goed, maar ik voegde er onmiddellijk aan toe, dat ik met mijn hulpdienst financieel totaal aan de grond zat. "Geen probleem,"antwoordde hij. "Ik rapporteer het direct aan Batavia en dan komt het met het geld wel in orde." Van het Rode Kruis heb ik nooit een cent ontvangen en de Zwitser heb ik mijn hele leven niet meer teruggezien.

Op het station volgde de ene trein met uitgemergelde kampbewoners na de andere. Ook lange treinen met duizenden dode romoesja’s, de Javaanse dwangarbeiders die het leven vanwege erbarmelijke omstandigheden hadden moeten laten, kwamen langs.

De aanvankelijke nonchalance van de Javaanse overheid, die de macht van de Jappen inmiddels had overgenomen, begon langzamerhand om te slaan in regelrechte tegenwerking.

De Sultan had gezegd, dat alle mensen die hier aankwamen, zijn gasten waren. Niemand had daar tot nu toe iets van gemerkt, maar de woorden waren in elk geval wel gesproken. Met onze hulpdienst schoot ik kennelijk onder zijn duiven en daarom trad de politie met het opleggen van allerlei beperkingen steeds driester tegen mij op.

Op tal van plaatsen, die wij voor ons werk nodig hadden, werden we plotseling geweerd. De meeste verboden lapten we echter aan onze laars en we gingen gewoon door met waar we aan begonnen waren.

De houding van de Javaanse overheid had me intussen wel geleerd, dat er in politiek opzicht veel aan het veranderen was.

Op 17 augustus 1945 werd de onafhankelijke Republiek Indonesië uitgeroepen en vooral de jongeren namen een steeds vijandiger en militanter houding aan tegenover iedereen die niet autochtoon Indonesiër was.

Van tevoren wisten we nooit waar vandaan een nieuwe trein zou binnenkomen. Op het laatst maakte het ook niet meer uit, of hij uit het oosten kwam of uit het westen. De aanblik was altijd dezelfde. 99

De kleding en de bagage die de mensen bij zich hadden, waren van alle reizigers vrijwel identiek, een armoedig hoopje vodden. Een enkeling had nog een blikje bij zich, waaruit werd gegeten of gedronken en dat was dan al een heel bezit.

De vrouwen leken bijna allemaal zeven maanden zwanger, met hun door hongeroedeem opgezette buiken. Greet verzamelde hopen vodden en versleten kleding om voor deze vrouwen maandverband te maken. Maar toen zij deze een paar van de vrouwen aanbood, lachten ze haar uit met de mededeling, dat ze die al jaren niet meer nodig hadden.

Tja, en dan de trein van Ngawi. Eén van de beroerdste ervaringen van de hele oorlog, zoniet van mijn hele leven. Ik was wel aan het één en ander gewend geraakt bij de ontvangst van deze treinen en kende de 'inhoud' al bijna van buiten. Maar bij de aankomst van de trein uit het kamp Ngawi stokte mijn adem.

Twee nogal goedgeklede en redelijk uitziende Nederlandse mannen sprongen als eersten uit de trein en begonnen op eigen houtje van alles te regelen. "Corruptie ten koste van anderen was in Ngawi kennelijk ook geen onbekend begrip," beet ik hen toe.

Toen ik eindelijk zelf de trein binnenkon, was het aanzicht werkelijk verschrikkelijk. Mijn vriend Han Resink was erbij en ook nog een paar andere bekenden, maar geen van hen kon ik direct herkennen.

Ngawi was het ergste Jappenkamp, met veruit het hoogste sterftecijfer. Velen in de trein hadden over hun hele lichaam schurft, soms ook met open wonden, waardoor ze niet eens meer konden zitten. Anderen lagen op de banken of op de grond en verroerden zich niet, ondanks dat ze wisten dat ze vrij waren en uit konden stappen.

Belangstelling hadden zij nergens meer voor. De meesten waren te ziek om zich te kunnen verroeren. Het was verschrikkelijk om zoiets onmenswaardigs aan te zien.

Han Resink zou als dichter in 1963 de bundel 'Kreeft en Steenbok' uitbrengen, waarin ook het gedicht 'De dood in Ngawi' is opgenomen. Van hem kreeg ik toestemming dit gedicht in mijn boek op te nemen, wat ik hierbij graag doe, aangezien het het meest treffende is, dat ik over de verschrikkingen in dit kamp ooit heb gelezen.100

De dood in Ngawi

De dood in Ngawi was de zachte dood,
die onder schijn van dikte in de benen
opklom, het bloed deed blauwen in de venae
en iets van bot al uit de tanden bloot
liet komen als de mond niet goed meer sloot.
Het vel leek soms als van het been doorschenen
en de ogen keken maar en werden groot,
te groot om bij dit doodgaan nog te wenen.

Bij elke uitvaart dacht je aan het vreten
dat vrijkwam, al boog je dan ook het hoofd
om aan de eerbied niet te zeer te wrikken.

Bestaan bestond uit eten en vergeten
en scheen aan God en mededief ontroofd.

Eerst lang na Ngawi kon je om doden snikken.

Laat in de avond had ik bij ons thuis een vergadering belegd, waarbij de hele stationsdienst aanwezig was en natuurlijk ook dokter Thio. De politie had het ons ook deze dag weer bijzonder moeilijk gemaakt en daarom moesten we onze hulpverlening op enkele punten aanpassen.

Plotseling tijdens de vergadering kreeg ik een huilbui. Kennelijk had de trein uit Ngawi mij veel meer aangegrepen dan ik me die dag bewust was geweest en kwamen alle verdrongen beelden in de betrekkelijke rust van deze bijeenkomst ineens naar boven.

Met een morfine-injectie, waar ik dokter Thio om vroeg, was ik gelukkig snel hersteld en konden we weer verder met ons werk.

Een paar dagen daarna kreeg ik bericht, dat ik me de volgende ochtend bij de rijksbestuurder moest melden. De rijksbestuurder stond direct onder sultan Hamengkoe Boewono de zeventiende en had, vertaald naar onze huidige politieke verhoudingen, in het sultanaat een gecombineerde functie van minister van financiën en minister-president. 101

(Sultan Hamengkoe Boewono de achttiende overleed in 1988. Hem heb ik nauwelijks gekend, al weet ik wel dat Cheffy Reddingius met hem op het Kennemer Lyceum is geweest.)

De uitnodiging zinde me in het geheel niet, want gezien de houding tot nu toe van de autoriteiten tegenover onze hulporganisatie, hoefde ik op steun volstrekt niet te rekenen. Het tegendeel viel eerder te verwachten.

Op de aangegeven tijd kwam ik het kantoor van de rijksbestuurder binnen en daar viel ik van de ene verbazing in de andere. Een dergelijke adellijke functionaris ontving zijn gasten doorgaans in ceremonieel Javaanse kledij, met een kris in zijn band op de rug. Hij echter had een militair officiersuniform aan, met hoge laarzen waarin de Jappen ook altijd liepen.

Maar wat mij nog meer verbaasde, was de aanwezigheid van de pangeran (prins) Tedjokoesoemo. Hij was een oud-oom van de sultan maar van iets lagere orde. Naast het sultanaat bestond in die dagen in Djokja namelijk ook nog een prinsdom. In tegenstelling tot de sultan was hij een goede kennis van mij. De pangeran wist kennelijk niet, dat ik bij de rijksbestuurder was ontboden.

Toen ik de kamer binnenkwam, stond hij direct op, omhelsde me en vroeg vol belangstelling hoe het met Greet en onze beide jongens ging. Hij vertelde, dat hij veel aan ons had gedacht tijdens de bezetting en dat hij het erg had gewaardeerd, dat ik geen pogingen had gedaan contact met hem te zoeken. Dat zou in de gegeven situatie namelijk uiterst pijnlijk voor hem zijn geweest. De pangeran ging weer zitten en vroeg de rijksbestuurder of hij bij het gesprek aanwezig mocht blijven, wat de man gezien zijn lagere rangorde niet kon weigeren.

Hoewel het gesprek weinig goeds beloofde, voelde ik de aanwezigheid van de pangeran in elk geval als een punt in mijn voordeel. Het gesprek zelf verliep eigenlijk zoals ik had verwacht. "U weet dat de sultan alle ex-krijgsgevangenen en ex-geïnterneerden beschouwt als zijn persoonlijke gasten," begon de rijksbestuurder. Daarna kwam de aap uit de mouw. Het ging natuurlijk over de stationsdienst die ik had opgezet. Waar haalt u het geld vandaan voor een dergelijk project? Dat geld dien ik als rijksbestuurder te beheren en verder is het de zorg van de sultan." 102

Ik beriep mij op onze onafhankelijke status als kerkelijke instantie, die zelfs de Japanners hadden gerespecteerd. Ook tijdens dit gesprek droeg ik mijn houten kruis, zoals me destijds was opgedragen.

Nu was me in elk geval helemaal duidelijk geworden, wat de bedoeling was. Men wilde mij geld, of anders gezegd kerkelijk eigendom, afhandig maken.

In zeer besliste bewoordingen maakte ik hem duidelijk, dat ik mijn onafhankelijke project, waarin met kerkelijke middelen werd gewerkt, niet kon en mocht overdragen aan wie dan ook.

De pangeran luisterde aandachtig mee en zijn aanwezigheid gaf me de moed, de rijksbestuurder recht toe recht aan mijn mening te zeggen. Zonder tot elkaar te zijn gekomen, beëindigde de rijksbestuurder daarna het gesprek en namen de pangeran en ik weer op zeer hartelijke wijze afscheid van elkaar.

Nog steeds bestaat bij velen de onjuiste mening, dat de toenmalige sultan de Nederlanders goed gezind was.

De Japanners, die nog altijd in groten getale in Djokja aanwezig waren, werden door de Javanen ineens ook als gehaat volk beschouwd.

Er klonken vaak schoten in de stad en regelmatig werden Jappen vermoord door de 'pemoeda's', de strijders van Soekarno, die het dagelijks leven steeds steviger in hun greep kregen.

Deze 'pemoeda's' waren jonge jongens met bamboe speren bewapend, die zich stuk voor stuk ware helden voelden. Ze scholden iedereen uit, Europeaan of Jap en waren kwaadaardig. De situatie werd revolutionair en chaotisch.

Het aantal treinen met vrijgekomen kampbewoners begon langzaam af te nemen.

Via-via had ik tot mijn opluchting gehoord, dat Carel, Wyb en Chef, Guus en vele andere vrienden en bekenden het Jappenkamp gelukkig hadden overleefd.

Het verzorgen van de ex-geïnterneerden werd ons echter steeds moeilijker gemaakt.

Op een ochtend kwam ik het station binnen, toen ik werd aangesproken door één van mijn verspieders. "Meneer, u mag de stad niet uit, want ik heb net gehoord dat een prins van de Kraton (Hof van een sultan) van Solo even buiten de stad is getjintjangd," vertelde hij opgewonden. 103

De prins was volgens zeggen met een kapmes in stukken gesneden, omdat hij lid was geweest van het internationale Rode Kruis. Het Rode Kruis werd door de 'pemoeda's' beschouwd als een Europese organisatie en iedereen die ook maar iets met de Europeanen van doen had, werd als vijand gezien.

Als de opstandige Javanen hun eigen landgenoten al vermoorden, dan ziet het er voor ons niet best uit, drong het tot mij door. Die wetenschap maakte het leven er wederom niet makkelijker op.

Op een avond, ik was net thuis, werd er bij ons in de buurt plotseling geschoten met mitrailleurs. Ons huis lag precies in de vuurlinie.

We doken met de kinderen en het personeel weg onder de ramen en wachtten zeker een half uur, tot het schieten ophield. Ik had een voorgevoel dat er iets stond te gebeuren, maar wàt kon ik op geen stukken na voorzien.

Twee dagen later werd er 's avonds op het raam getikt. Het was een Javaanse politie-inspecteur, die ik goed kende. De Jappen hadden hem direct na de bezetting uit zijn functie ontheven, omdat hij loyaal stond tegenover de Nederlanders. Die loyale houding had hij behouden, ondanks de gevaren die hij daardoor had gelopen en nu ook weer liep.

De politieman kwam binnen en keek erg bezorgd.
"Meneer, u kunt met uw gezin vanavond nog om twaalf uur met de laatste trein naar Batavia vertrekken," zei hij. "Wat er de komende dagen gaat gebeuren, weet ik niet, maar dit is uw laatste kans om nog te vluchten."

Dat kon ik niet doen, vond ik en zei hem dat ook. "Als men morgen merkt dat wij om de één of andere reden zijn verdwenen, dan breekt er paniek uit onder de mensen waarvoor ik me verantwoordelijk voel." De man boog het hoofd en verliet ons huis weer net zo stilletjes als hij was gekomen.

De volgende ochtend ging ik zoals gebruikelijk naar het station, waar ineens een ongewone rust heerste. Er reden geen treinen meer, het perron was vrijwel uitgestorven en de enigen die er nog rondliepen, waren mensen van onze stationsdienst. Ik vroeg hen wat er aan de hand was, maar niemand kon het me vertellen. Iedereen wist dat er iets stond te gebeuren, maar over het hoe en wat, tastten allen in het duister. 104

‘s Avonds gingen wij om de gewone tijd, elf uur, naar bed. De kinderen sliepen al. De ongewoon rustige dag was weldadig geweest en had me alle zorgen even doen vergeten. Met gesloten ogen dacht ik een kort moment: "Gisteravond hadden we nog kunnen vertrekken." 105

Om half drie in de nacht werden we plotseling gewekt, omdat er op de ramen en de deur werd geklopt. "Opstaan en aankleden," hoorde ik in het Maleis roepen. Het ging om mij. Ik moest mee, de anderen konden in huis blijven. Echt schrikken deed ik niet. Ik had al aangevoeld dat er iets te gebeuren stond en nu was het dan kennelijk zover.

Bij het aankleden gaf Greet me driehonderd roepia’s mee, die we nog in huis hadden. "Je weet nooit waar je die voor nodig kunt hebben," zei ze met vooruitziende blik. De drie briefjes van honderd stak ik in het horlogezakje van mijn broek, want de ervaring had me geleerd dat dat de veiligste plek was bij fouilleringen. Mijn portemonnee met gouden monogram, een geschenk van Greet uit onze verlovingstijd, stak ik in mijn achterzak.

Het was 10 oktober 1945.
Voor ik de deur uitging, stopte ik ook nog de sleutel van de kluis van de gereformeerde kerk bij me. In die kluis had ik alles verstopt wat van waarde was. Mijn aantekeningen over de hulpverlening in de afgelopen jaren lagen erin, de namen van de gevers, de boekhouding met alle geleende bedragen, maar ook al mijn diploma’s en familiepapieren.

In mijn onschuld had ik gedacht, dat dit de veiligste plek voor dergelijke paperassen was. In een kerk wordt toch niet ingebroken, zo meende ik. Waarom ik juist op het moment dat ik werd opgepakt die sleutel meenam, is me nu nog altijd een raadsel.

Toen ik het huis uitkwam en in het gelid werd gedirigeerd, zag ik dat het om een echte razzia ging. Met een man of honderd werden we door de hoofdstraat van Djokja afgevoerd naar het schoolplein, waar telkens weer nieuwe groepen Europese mannen werden afgeleverd.

Het was een allegaartje van jong en oud dat daar rondhing op het schoolplein, hek op slot en twee soldaten met mitrailleurs bij de poort.

Tijdens onze tocht door de hoofdstraat had ik een bekende gezien. 106

Ze was net een paar dagen eerder uit een Jappenkamp teruggekeerd evenals haar man, die nu alweer met ons werd afgevoerd. Ik gaf haar de sleutel van de kluis, met het verzoek die naar Greet te brengen. Dat deed ze ook inderdaad, maar later kwamen we er achter dat alles voor niets was geweest. De Indonesiërs hadden de kluis inmiddels opengebroken en alle waardevolle documenten eruit gehaald en vernietigd.

Pas in de loop van de avond werd ons voor het eerst die dag eten gebracht. Voor elke man een kleine portie rijst met een gedroogd visje van minimale afmetingen.

Na het eten werden we in groepjes op vrachtauto’s gezet en afgevoerd naar een oude suikeronderneming in Poendoeng, waar we in een lange rij werden gezet. Eén voor één moesten we langs een klein, met een oliepitje verlicht, tafeltje schuiven om te worden gefouilleerd.

Alles wat de militairen konden gebruiken, werd ons afgenomen en op tafel gegooid.

Toen ik aan de beurt was, moest ik meteen mijn portemonnee met gouden monogram afgeven. Naar de inhoud keken ze niet, maar er zaten foto’s in van Greet en de jongens en verder een stukje goud, dat een paar dagen eerder uit mijn kies was gevallen.

Ik werd nijdig en bedacht iets. Nadat een paar mannen achter mij het tafeltje hadden gepasseerd, ging ik opnieuw in de rij staan en liet me nogmaals fouilleren.

Toen ik aan de beurt was, deed ik een greep uit de stapel en het lukte me ongezien mijn portemonnee weer terug te pakken. De foto’s en het monogram heb ik nog altijd.

Na het fouilleren werden we met z'n allen, in totaal een man of vijfhonderd, een oude suikerloods ingejaagd. Daar lagen stapels 'tikers', uit riet gevlochten vloermatjes, die we als matras konden gebruiken. Dat was alles. Geen klamboe tegen de muskieten en zelfs geen toilet.

Achter de loods was alleen een smal slootje gegraven, dat als wc diende.

Het kamp waarin we terecht waren gekomen, was geen werkkamp. We kregen uiterst weinig voedsel en hadden af en toe corvee.

De eerste dagen was het een voortdurend heen en weer geloop in de loods. De groepsvorming was begonnen en iedereen sleepte zijn slaapmatje van de ene plek naar de andere. 107

In één van de hoeken verzamelden zich de katholieke geestelijken en die plaats werd prompt het Vaticaan genoemd.

Ik verzamelde de twee zoons van kennissen bij mij en een vriendje van hen, dat net uit een Jappenkamp was gekomen. Verder nog een man, die ik dagen eerder in Djokja in abominabele toestand uit de trein had gehaald en die er nog altijd slecht aan toe was. En tenslotte nog een dominee, die vanaf het eerste moment dat hij was opgepakt al had geklaagd en doodsbang was voor alles wat er om hem heen gebeurde.

De dominee trad op eigen verzoek tot ons groepje toe, dat nu dus uit zes man bestond en in zekere mate een hechte gemeenschap vormde. Al mijn andere vrienden en kennissen waren door het kamp verspreid, maar natuurlijk wel gemakkelijk bereikbaar.

Een paar dagen daarna mochten onze vrouwen een pakketje sturen met wat reservekleding en een kussentje. Waar wij zaten wisten zij niet, maar de pakjes hadden ze ergens in Djokja af mogen geven.

Greet had tussen mijn spullen een paar tabletten tegen dysenterie weten te verstoppen en zelfs een klein beetje koffie. Alle scherpevoorwerpen die men had proberen binnen te smokkelen, waren in beslag genomen, maar er waren toch een paar door de controle heen geslipt.

Een man had een scheerkrabbertje met twee Gillette-mesjes en een nagelschaartje weten te bemachtigen. Hij kwam naar mij toe en bood mij die aan, onder voorwaarde dat ik hem elke ochtend een beetje koffie gaf. Hij was een doorgewinterde kampbewoner, een vent die altijd overal zijn neus in stak, alles wist en al gauw de bijnaam 'moeder overste' kreeg. Voor de oorlog was hij een goedaardige bemoeial geweest, maar de paar jaren kamp die hij al had moeten doorstaan, hadden van hem een onuitstaanbare intrigant gemaakt. De meeste geruchten die werden verspreid, kwamen van hem.

Al na een paar maanden werd ons kamphoofd, dat het contact met de Indonesische kampleiding moest onderhouden, wegens corruptie overgeplaatst naar een ander kamp. Hij was één van de beide mannen geweest, die zo goed verzorgd als eersten uit de trein uit Ngawi waren gestapt. 108

Hij was niet alleen kamphoofd geweest, maar ook nog kamparts.
Kennelijk had hij zijn positie dermate schandelijk ten eigen bate misbruikt, dat hij zelfs voor de officiële kampleiding niet meer te handhaven viel.

Tot nieuw kamphoofd werd Bender benoemd, een administrateur van een cultuuronderneming. Een bijzonder aardige vent, waar iedereen terecht vertrouwen in had.

Bij het zoeken naar een nieuwe kamparts viel de keuze op mij. Ik was immers tandtechniker en zou dus wel wat van geneeskunde af weten, zo meende men. Ik aanvaardde de functie, omdat ik daardoor ook in het kampbestuur zitting kreeg en dus rechtstreeks controle zou hebben op de hele gang van zaken in het kamp.

Op papier was mijn taak veelomvattend, maar in de praktijk hield het maar weinig in. 's Morgens na de ochtendpap en 's middags moest ik spreekuur houden. In het midden van de loods stond daartoe een klein tafeltje, waar de lopende patiënten langs konden komen. Een medische uitrusting en medicamenten had ik echter praktisch niet. Het enige instrument waarover ik kon beschikken, was mijn kleine nagelschaartje, dat ik bovendien nog clandestien moest gebruiken.

Ik sneed er geïnfecteerde wonden mee open en gebruikte het als hevel, om er zere tanden en kiezen mee te trekken. Verder alleen een plukje watten, dat Greet me had meegestuurd, een klein flesje permanganaat kristallen voor ontsmetting, een rolletje verbandgaas en een beetje schurftzalf, dat slechts voor een paar dagen toereikend was.

Het stond in geen verhouding tot de ernst van de gevallen, die ik te behandelen had. Tegen malaria kon ik vrijwei niets ondernemen, behalve dan de patiënten op kininehoudende papayabladeren laten kauwen, die ik buiten van de bomen liet stelen.

Verder heerste er overvloedig veel schurft, die niet zozeer ontstond door onhygiëne, maar door een tekort aan minerale voedingsstoffen.

Ook de wandluizenplaag werd met de dag erger en veroorzaakte steeds meer zweren, die ik zonder ontsmettingsmiddelen onmogelijk kon verhelpen. Aangezien iedereen wist, dat er aan de meeste ziektegevallen niets viel te doen, stelde het spreekuur op den duur nog maar weinig voor. 109

Erg belangrijk was het bestrijden van ongedierte, omdat daarmee al veel ellende kon worden voorkomen.

Op een keer kregen wij van onze vrouwen weer pakjes met kleding en etenswaren aangeleverd. Alles was verpakt in 'beseks', die natuurlijk door iedereen werden bewaard. Een paar dagen nadat onze pakjes waren afgeleverd, was er plotseling sprake van een ware wandluizenexplosie.

Ik snuffelde hier en daar wat rond en ontdekte tot mijn stomme verbazing, dat het tussen het vlechtwerk van de 'beseks' krioelde van de wandluizen. Ook was er een matras van kapok binnengekomen, die bijna op eigen kracht kon lopen.

Ik ging naar Bender, ons kamphoofd, en liet hem voor de volgende ochtend afkondigen, dat alle 'beseks' en de matras op de buitenplaats zouden moeten worden verbrand. De kampbewoners reageerden met gemor, want niemand wilde zijn 'kostbare' bezit op de brandstapel zien verdwijnen.

Drie dagen heb ik geen spreekuur gehouden om de mensen te dwingen hun mandjes af te geven. Pas toen zag men in dat het noodzakelijk was en werd alle rotzooi met frisse tegenzin verbrand.

Een enkele keer mochten we post ontvangen. Uitsluitend briefkaarten waren toegestaan met maximaal vijfentwintig woorden, in blokletters en in het Maleis. Deze regel gold ook omgekeerd. De informatie die we konden uitwisselen, was daardoor zó summier, dat er maar weinig communicatie met de familieleden over bet kampleven bestond.

Ik wist in elk geval wel, dat Greet en onze jongens inmiddels ook waren geïnterneerd en dat Cheffy Reddingius met haar twee kinderen in hetzelfde kamp zat. Maar onder welke omstandigheden zij daar moesten leven, kwam ik uit de briefkaarten niet te weten. Dat zou ik pas later horen.

Het jaar liep tegen het einde in een sleur, die je deed vergeten of er dagen of weken voorbijgingen. Wyb Reddingius, die op dezelfde dag als ik was opgepakt, lag vaak in de ziekenboeg. Uit het Jappenkamp was hij in een zeer slechte conditie teruggekeerd en ook nu ging het hem nog altijd niet veel beter.

Op een middag sprak hij mij aan en zei: "Ik houd morgen de oudejaarsavond-dienst. Leen mij je kruis, zodat ik in elk geval nog een beetje op een dominee lijk." 110

Dat kruis had hij in het geheel niet nodig, want zijn verschijning alleen al was indrukwekkend en als hij preekte of bad, was hij volstrekt overtuigend.

Toen hij zijn preek de volgende avond begon, vreesde ik het ergste gezien zijn gezondheidstoestand. Ik was naast hem gaan staan om hem eventueel op te vangen als hem iets zou overkomen.

Het hele kamp was aanwezig, ook de katholieken, want Wyb preekte nooit voor één bepaald geloof, maar voor de mens.

Plotseling, halverwege de dienst, ik was even nergens op bedacht, sloeg hij als een blok achterover tegen de vloer. We brachten hem meteen naar de ziekenboeg, waar hij lange tijd bewusteloos bleef liggen.

Toen hij weer bijkwam, vroeg hij alleen: "Waar ben ik?" Ik zei hem: "Wyb, wij zijn bij je." Hij keek alleen maar op en sprak toen zeer berustend: "Dan is het goed."

Met alle rotzooi en ellende, honger en ziekte, kabbelde het leven verder. Op een dag werd ik bij de Indonesische kampleiding, een soort militaire politie ontboden, waar een groot pak van het Amerikaanse Rode Kruis was afgeleverd. Ik moest tekenen voor ontvangst, maar ik zag dat het pakket al was opengemaakt. De specificatielijst ontbrak, dus was het duidelijk dat er spullen uit waren gestolen. Kinine en aspirine, die altijd in dergelijke tropenpakketten werden meegezonden, ontbraken bijvoorbeeld al. Ik weigerde daarom te tekenen.

Er ontspon zich een hevig twistgesprek tussen de politieman en mij. Opeens trok hij z'n pistool en drukte de loop tegen mijn slaap. "U kunt mij doodschieten als u wilt, maar dat zult u dan wel moeten verantwoorden," zei ik hem.

De politieman antwoordde dreigend, dat er in de Franse Revolutie ook rare dingen waren gebeurd. "In de Franse Revolutie hadden de leiders in elk geval nog hersens, maar hier heeft niemand die." Ik was buiten mezelf van woede, het kon me allemaal niets meer schelen.

Ons kampboofd, dat ook voor het in ontvangst nemen van het pakket was meegekomen, trachtte mij in te tomen met de opmerking, dat ik onze eigen mensen niet door zoiets in de steek mocht laten. Dat bracht me weer tot bedaren, waarna we het pakket naar bet kamp brachten en de resterende inhoud inventariseerden. 111

Dozen met tabletten tegen dysenterie zaten erin, potten met schurftzalf die in de praktijk echter niet bleken te helpen, nog wat morfinetabletten en een paar glazen injectiespuiten met naalden, maar geen ampullen. Kortom een uitgekleed pakket, waar niemand al te veel meer aan had. Alleen de morfine was welkom als pijnstiller.

Het probleem was echter, hoe ik die morfine eventueel zou kunnen injecteren aan een patiënt, die de tabletten niet zou kunnen slikken. Ik ging te rade bij één van de kampbewoners, een apotheker, die mij adviseerde de tabletten in gedistilleerd water op te lossen. Dat was makkelijker gezegd dan gedaan, want uiteraard had niemand hier ook maar een druppel van in voorraad.

Onze klusjesman, die al tal van andere dingen voor de kampbevolking in elkaar had geknutseld, bracht uitkomst. "Als ik maar een blik heb dat ik kan dichtsolderen en een stukje koperbuis, dan moet dat lukken," voorspelde hij.

Na veel zoeken vonden we een leeg havermoutblik met deksel en ook een koperen pijpje.
Met een gloeiende spijker en wat lood lukte het hem inderdaad een 'distilleerinstallatie' in elkaar te solderen, waarna ik druppel voor druppel het begeerde water kon bereiden. Het duurde ongeveer een week voor ik ongeveer 100 cc bij elkaar had gestookt, maar dat deerde niet.

De apotheker loste er de benodigde hoeveelheid tabletten in op, zodat we eindelijk in bet bezit waren van een vloeibaar verdovingsmiddel.

Een paar dagen later werd een jonge kerel binnengebracht met een enorme vleeswond aan zijn bovenbeen. Hij was gevallen in een glasscherf, had veel bloed verloren en leed enorme pijn.

Ik legde hem een drukverband om van oude kledingresten en gaf hem een injectie van eigen maaksel. Hij werd rustig en viel in een diepe slaap. Meer konden we niet voor hem doen, want opname in een ziekenhuis was ten enenmale onmogeiijk, wat we als kampbestuur bij de leiding ook probeerden.

Na een paar dagen knapte de jongen gelukkig weer op, zonder dat zich infecties voordeden. Jaren later zou hij in Holland één van mijn tandtechnikers worden.
Wie had dat toen kunnen vermoeden. 112

Inmiddels was bijna anderhaif jaar verstreken, sinds die nacht dat ik door de Indonesische extremisten van huis was weggevoerd.

In het kamp zat ook een Duitser, die er al vaak tegen had geprotesteerd dat hij als neutraal buitenlander zat opgesloten. Ook ik had me al een paar keer op die neutraliteit beroepen, maar daar had men nooit op gereageerd.

Eén van de mensen in de kampwacht, die kennelijk de pik op mij had vanwege mijn pro-Hollandse houding tijdens de Japanse bezetting, wilde niets van mijn vrijlating weten. Hij had zich tegenover anderen al eens laten ontvallen: "Szabó komt hier tocb nooit levend uit."

Een weinig opwekkend vooruitzicht, waarin ik inmiddels had berust.
Des te verbaasder was ik daarom, dat op een dag twee personen werden opgeroepen om zich gereed te maken voor vertrek. De ene was de Duitser, de ander ik.
We werden vrijgelaten met als reden ons neutrale buitenlanderschap.

Natuurlijk was het een bijzonder gevoel, na anderhaif jaar naar mijn gezin terug te mogen keren. Maar hier mijn mensen in de steek te moeten laten, deed wel pijn. De medische sector gaf ik in elk geval zo goed mogelijk over aan een opvolger, daarna nam ik afscheid van mijn beste vrienden en vertrok.

De Duitser en ik werden afgevoerd naar Djokja, waar we voor de avond en de nacht werden ondergebracbt in de gereformeerde lagere school, die nu dienst deed als kantoor van de plaatselijke militaire commandant.

De volgende ochtend mochten we vertrekken, met de mededeiing dat we voorlopig op een vastgesteld adres zouden moeten blijven wonen. Mijn Duitse lotgenoot mocht direct door naar zijn vrouw, een Indo-Europese, terwijl ik werd verwezen naar een opvangcentrum voor buitenlanders.

Het 'opvangcentrum' was een gewoon huis, waar een Franse vrouw genaamd Camille woonde. Zij was tweemaal met een Hollander getrouwd geweest en voelde zich inmiddeis ook op en top Hollandse. Ik werd allerhartelijkst door haar ontvangen, maar Greet en de kinderen die ik er eigenlijk had verwacht, waren er nog niet. 113

Het laatste contact met Greet dateerde van maanden terug, middels een van de schaarse briefkaarten die we hadden mogen uitwisselen. Daarin had ze geschreven, dat het hun naar omstandigheden goed ging.

De volgende dag echter, toen ook zij met hun drietjes bij Camille werden afgeleverd, bleek het tegenovergestelde. Greet was er heel erg slecht aan toe, enorm vermagerd en ziek en ook de jongens verkeerden in een bijzonder slechte conditie en hadden kinkhoest.

Onze hereniging na ruim anderhalf jaar was vreugdevol, maar daarvan genieten was er de eerste dagen nog niet bij. Daarvoor waren we alle vier te zeer verzwakt.

Voor het eerst kon Greet nu ook het relaas van haar internering vertellen. Nadat Wyb en ik waren geïnteneerd, was Cheffy met haar kinderen Peter en Dedy bij Greet ingetrokken.

Bijna een maand lang hadden ze met hun zessen nog thuis kunnen blijven wonen. Dat werd al gauw een angstige tijd. Overdag werden de straten bevolkt door de eerdergenoemde pemoeda’s, de agressieve nationalisten met hun bamboespiezen. En 's nachts maakten plunderaars de stad onveilig.

Toen kregen ook Greet en Cheffy opdracht zich te melden voor internering. Cheffy, die pas een paar maanden eerder uit een Jappenkamp was teruggekeerd, was er nog altijd slecht aan toe.

Een poging van Greet voor haar een uitzondering te maken, vond bij de politie geen gehoor en op 2 december 1945 werden ze met nog ruim vierhonderd andere vrouwen in vrachtwagens geladen en naar een oude suikeronderneming bij Djokja afgevoerd, het kamp Sewoe Galor.

Ieder gezin kreeg een kamertje van twee bij drie meter toegewezen. De vrouwen moesten zelf koken en hun eten ook betalen.

Gelukkig had Greet voor vertrek een buikband genaaid en daarin het restant van mijn gouden muntenverzameling verstopt. Met dat "geld" hebben ze zich wat voedsel betreft in leven kunnen houden, terwijl Greet ook nog tal van anderen van haar "rijkdom" heeft laten meeprofiteren.

Lotje Bos en Wies Vermaes, de beide teamgenoten uit de Kerkelijke Sociale Actie, werden prompt als kamphoofden gekozen. 114

In tegensteiling tot het kamp waar ik zat, was er bij de vrouwen geen enkele medische verzorging. Een arts in hun midden hadden zij niet en medicamenten waren nauwelijks voorradig. Het gevolg was een schrikbarend hoog aantal zieken, waarvan velen de bevrijding niet meer zouden meemaken.

De voedselsituatie was in het vrouwenkamp echter iets beter dan in het mannenkamp.

Tegen het einde van de interneringstijd werden in bet vrouwenkamp ook enkele mannen ondergebracht, die of te oud of te zwak werden geacht voor een mannenkamp. Onder hen bevond zich Carel Dake. Hij was de zestig inmiddels gepasseerd en had kort tevoren het Jappenkamp maar net overleefd.

Tot het uiterste verzwakt, kwam hij bij de vrouwen terecht. Zijn eigen vrouw Willy Klop was daar geïnterneerd en zij was zielsblij, dat ze hem nu zelf kon verzorgen en hem langzaam maar zeker weer wat op krachten kon brengen.

Carel en Willy werden uit het kamp ontslagen, ongeveer een maand voordat Greet en de jongens vrijkwamen. Helaas hebben we Carel nooit meer kunnen ontmoeten.

In Batavia reed hij op een avond met zijn zwager, die militair was, in een jeep een kazerne voorbij. Dat het al na spertijd was en niemand zich dus meer op straat mocht bevinden, hadden beiden zich niet gerealiseerd. Bij bet naderen van de jeep had de kazernewacht argwaan gekregen en de wagen tot stoppen gemaand, maar Carel noch zijn zwager had dat bevel opgemerkt. Het gevolg was dat er meteen met scherp werd geschoten, waarbij Carel het leven liet.

Willy Klop, onze goede vriendin en na zoveel ellende nu ook nog weduwe, keerde haar vaderland verbitterd de rug toe en vertrok met haar moeder per boot naar Holland. 115

Na een paardagen rust in het huis van Camille, begon ik aan mijn toekomst te werken. Eén ding stond vast, namelijk dat we hier vandaan moesten, weg naar een plaats onder Hollands bestuur. Ik mikte op Batavia. Eenvoudig was dat niet, want daarvoor had ik een uitreisvisum nodig en dat gaf tal van problemen.

De eerste bij wie ik het probeerde was prins Pakoe Alam. Deze prins kende ik goed van vroeger. Ondanks zijn welwillende houding, kreeg ik nul op het rekest. "Al geef ik u een paspoort met al mijn stempels erin, dan zal u dat niets baten. Ik heb hier namelijk geen enkele macht en bevoegdheid meer," zei de prins ernstig. We namen afscheid en dat bleek voorgoed.

Korte tijd daarna werd ik ontboden bij een functionaris van de Militaire Politie. De man was niet onvriendelijk en na enig heen en weer gepraat vroeg hij, of ik interesse had voor de Republiek Indonesië te gaan werken. Ik zou dan direct mijn volledige vrijheid terugkrijgen.

Dat was het dus, dacht ik bij mijzelf, maar aan zo’n constructie had ik allerminst behoefte. Dit Indonesië was na alles wat er zich de afgelopen anderhalf jaar had afgespeeld mijn Indië niet meer. Ik wilde gewoon weg.

Ik probeerde mijn Hongaarschap uit te spelen. "U weet dat ik niet onwelwillend sta tegenover uw volk, maar zo’n belangrijke beslissing wil ik in volle vrijheid nemen. Als u mij een uitreisvisum geeft, kan ik naar mijn land terug en mij daar in alle rust over uw voorstel beraden," probeerde ik, maar de man ging er niet op in.

Hij dwong mij direct een beslissing te nemen en mijn antwoord was dus nee. Ik bleef daarom onder huisarrest en feitelijk gevangene van de Republiek Indonesië.

Ondanks mijn huisarrest, ging ik toch regelmatig over straat om op de één of andere wijze te proberen een uitreisvisum te bemachtigen. Ik besloot naar het kantoor van Soekarno te gaan, maar daar kreeg ik te horen dat de president niet aanwezig was. Wel kon ik een onderhoud hebben met vice-president Hatta, een aanbod dat ik met graagte accepteerde. 116

Hatta was allerbeminnelijkst. Ik vertelde hem over mijn Hongaarschap, dat ik daarom ten onrechte geïnteneerd was geweest en dat ik al mijn bezittingen was kwijtgeraakt.

Hij maakte hierover zijn excuses, maar voegde er aan toe, dat er tijdens een revolutie altijd vreemde dingen gebeuren, waarvan dan later blijkt dat ze fout zijn. Ook mijn geval was daar kennelijk een voorbeeld van, maar een financiële genoegdoening kon hij mij niet geven. Toen ik hem uitlegde, dat mijn enige wens was naar mijn land terug te keren, belde hij zijn secretaris.

In mijn bijzijn dicteerde Hatta hem een brief, die hij meteen liet uitwerken. Na enige tijd kwam de secretaris met de brief terug, die de vice-president ondertekende. Voordat hij me het schrijven overhandigde, zei hij: "Meneer, in deze brief staat, dat u vanaf dit moment vrij bent. U brengt hem naar het hoofd van de Militaire Politie, die voor u en uw gezin een vrijgeleide moet verzorgen tot de demarkatielijn."

Deze lijn trok de grens tussen nationalistisch Indonesië en het restant gebied, waar nog de Nederlandse souvereiniteit heerste.

Ik kon mijn oren bijna niet geloven en was zielsblij met dit document.

De volgende dag ging ik direct naar het hoofd van de Militaire Politie die de brief zeer aandachtig las. Na lezing keek de man me een moment indringend aan en verscheurde toen Hatta’s schrijven met de opmerking: "Dit is mijn zaak."

Ik stond perplex. Het kon toch niet waar zijn, dat een beslissing van een politieambtenaar uitging boven die van de vice-president? Ik voelde me ineens volslagen reddeloos. Wat moest ik Greet zeggen?

Op straat kwam ik een Ambonese vrouw tegen, die vroeger in één van de gaarkeukens had gewerkt. Ik vertelde haar wat me was overkomen. Na een ogenblik van diep gepeins, zei ze misschien iets voor me te kunnen doen.

Haar oom was nu minister van volksgezondheid in het kabinet van Soekarno en hij zou mij mogelijk kunnen helpen. Oom Jo, zoals ze hem noemde, kende ik van naam. Hij was een uitstekend medicus, zeer principieel in zijn opvattingen en een geziene figuur in zowel de Europese als de Indische gemeenschap vroeger. 117

Een paar dagen later kwam de vrouw bij ons langs met de mededeling, dat ik dezelfde avond nog om acht uur bij oom Jo kon komen.

In het donker liep ik naar de vroegere Europese wijk, waar hij woonde. De voorgalerij was geheel verduisterd en door een spleet in de gordijnen glipte ik naar binnen.

In het huis waren vrijwel geen meubels aanwezig, alleen stond in het midden een keukentafel met twee stoelen. De verlichting bestond uit een enkel olielampje.

Oom Jo, die aan tafel had gezeten, liep mij tegemoet en nam direct het woord. "U weet wie ik ben, ik weet wie u bent er waarom u bent gekomen. Ons gesprek is niet voor derden bestemd, daarom heb ik ook de wacht weggestuurd," vertelde hij als een sober welkomstwoord.

Daarna ging hij voort. "Ik weet, dat u ook voor mijn volk veel hebt gedaan en wil u graag helpen. De enige mogelijkheid die ik heb, is u hier uit te smokkelen. De komende tijd kunt u iemand bij u thuis verwachten, die u instructies zal geven. Vraag niets en handel alleen naar wat U wordt opgedragen."

Na deze toezegging dankte ik hem hartelijk en verdween weer, in gespannen afwachting wat er zou gaan gebeuren.

In het huis van Camille woonde ook een Indiër, die officier was in het Engelse leger. Hij reisde veel naar Batavia als een soort tussenpersoon bij geheime besprekingen, die het Nederlandse bestuur voerde met de republikeinen van Soekarno.

Korte tijd na mijn gesprek met oom Jo, hoorde ik op een nacht voor het huis een jeep stoppen. Even later werd kort op het raam geklopt en mijn eerste gedachte was, opnieuw te worden opgepakt. Het was echter de Indiër, die onmiddellijk binnenkwam toen ik opendeed.

"Ik kom net uit Batavia," vertelde hij, "waar ik ook op een Indonesisch kantoor was. Ik heb daar in wat paperassen gesnuffeld en vond ondermeer een brief in het Maleis, waarin u verklaart op eigen verzoek Indonesisch staatsburger te zijn geworden. U zou een baan hebben geaccepteerd op een in Djokja op te richten universiteit. Die brief was door u ondertekend. Is dat juist of gaat het om een vervalsing?" vroeg hij.

Ik verklaarde hem zeer beslist dat het een vervalsing moest zijn, waarna hij opstond met de mededeling, dat ik hier zo snel mogelijk moest zien weg te komen met mijn gezin. 118

Inmiddels was met de evacuatie van Europeanen begonnen, die vanuit de binnenlanden naar Batavia, Semarang en Soerabaja werden afgevoerd. Van daaruit konden ze per schip naar Europa vertrekken.

Dagen en dagen gingen voorbij, zonder dat we ook maar iets van oom Jo te horen kregen.

Gelaten wachtten we af wat ons boven het hoofd hing, totdat zich op een avond een zeer beleefde Javaan aandiende. Hij droeg de originele klederdracht, een sarong en kabaja en gedroeg zich met alle beleefdheidsvormen aan zijn stand verplicht.

"Meneer," zei hij op bijna fluisterende toon, "u moet morgenochtend met uw gezin op het station zijn. Vraagt u daar niets, u wordt op de trein naar Batavia gezet. Ook in de coupé vraagt u niets en verder doet u zo gewoon mogelijk." Dat was alles en onze boodschapper liet ons weer alleen.

De volgende ochtend stonden we op de aangegeven tijd op het station, met al onze bagage. Dat waren zegge en schrijve drie kleine handkoffertjes. Greet had onze jongens tevoren nadrukkelijk op het hart gebonden, dat zij zich de hele reis stil moesten houden en beslist niets mochten zeggen, waaruit zou kunnen blijken waar we naar toe gingen.

Op het station werden we door iemand opgevangen, die ons een plaats aanwees in de Rode Kruis coupé.

Behalve wij met z'n vieren zaten in het treinstel nog drie Indonesische legerofficieren, twee Indonesische artsen en enkele verpleegsters.

Ons werd niet gevraagd waarom wij daar zaten en wij van onze kant knoopten ook geen gesprek aan. Onderweg mochten we nergens uitstappen als de trein stopte, maar wel kregen we een paar maal een beetje eten en drinken.

De treinreis duurde in totaal anderhalve dag. Een paar uur voordat we Batavia bereikten, stond de trein even stil op de demarkatielijn.
Ik was juist op het toilet, keek uit het raampje en ontwaarde in de verte een wapperende Nederlandse vlag. Bij het zien van het rood, wit en blauw schoten me de tranen in de ogen. 119

Ruim achttien jaar had ik hier geleefd.
De eerste veertien jaar waren als een paradijs op aarde geweest, de laatste vier een hel.

Weer terug in de coupé vertrok ik geen spier.
Rond het middaguur reden wij het station van Batavia binnen. De trein stond nog niet stil, of ik sprong er met Greet en de jongens uit.
Eindelijk weer op vrije bodem.

Op het station werden we begroet door de vroegere commissaris van politie in Djokja, die nu hoofdcommissaris in Batavia was. "Hallo, Géza, blij je gezicht weer te zien," riep hij joviaal uit. Ik beloofde de volgende dag bij hem langs te komen.

Daarna werden we overgebracht naar het Tjidengkamp, een vroegere arbeiderswijk in Batavia die nu dienst deed als opvangcentrum voor evacuees. Daar werd ons een "woning" aangeboden, in de vorm van een garage zonder slot op de deur.

Meteen de volgende ochtend ging ik bij hem op bezoek. Hij was ernstig. "Luister, Géza, wij hebben je diverse keren van hieruit bij de Indonesiërs opgevraagd. Telkens kregen we ten antwoord, dat je Indonesisch staatsburger was geworden en een functie aan de universiteit in Djokja had aanvaard. Met die zogenaamde eigen verklaring van jou hebben ze ons de mond gesnoerd en konden we van hieruit niets meer ondernemen." Toen ik hem had uitgelegd, dat het hier een vervalsing betrof, werd alles duidelijk.

De betrekkelijke rust van Batavia bood ons de gelegenheid nieuwe plannen voor de toekomst te maken. Dat we Indonesië zouden verlaten, stond eigenlijk wel vast. De gemoedelijke samenleving van vroeger was veranderd in een maatschappij, waar je je als blanke beslist niet meer prettig kon voelen. Bleef over Holland, mijn 'vaderland', waar ik nog nooit van mijn leven was geweest.

De grote moeilijkheid was echter, dat ik noch het geld noch de papieren had om de reis te kunnen maken. Alle belangrijke documenten waren immers gestolen uit de kluis van de gereformeerde kerk in Djokja.

Ik besloot langs te gaan bij de gouverneur van Batavia. Hem legde ik de situatie voor, maar direct helpen kon hij niet. Het geld vormde geen probleem, vertelde hij, maar mijn papieren wel. 120

Een extra complicatie was, dat ik min of meer tussen wal en schip was terecht gekomen. Hongaar was ik officieel niet meer en Hollander was ik nog niet.

"Kom overmorgen maar eens terug, dan kijk ik ondertussen wat ik voor u kan doen," besloot de gouverneur aan het eind van ons gesprek.

Twee dagen later zat ik weer tegenover hem in zijn kantoor. Hij keek mij ernstig aan en zei: "Officieel mag en kan ik niets voor u doen, vanwege uw statenloosschap. Echter, gezien uw inzet en prestaties voor ons tijdens de bezetting, heb ik het volgende bedacht.
Ik verzin wel een soort paspoort voor u en geef u een verklaring, waarmee u met uw gezin in Holland dezelfde rechten krijgt als elke Nederlander. Wat die paspoorten betreft, nog het volgende. Ambtelijk gezien is dit niet zuiver op de graad. Ik doe het alleen onder voorwaarde, dat u ze in Holland direct na aankomst vernietigt. Als het namelijk uitkomt, krijg ik er reuze gedonder mee."

Ik beloofde zijn instructies op te volgen, waarna hij me twee paspoorten overhandigde. Eén voor mij en één voor Greet, waar natuurlijk ook de kinderen bij opstonden. Verder kreeg ik wat reisgeld en een stapel paperassen mee, ondermeer een formuuier waarmee ik bij de scheepvaartmaatschappij passage kon boeken.

Toen ik het geld en alle benodigde papieren in ontvangst had genomen, dankte ik de gouverneur hartelijk voor zijn inspanningen en kon ik me helemaal gaan voorbereiden op een nieuw bestaan.

Kort voor ons vertrek moesten we bij de Ataka langs om kleren te halen. De Ataka was een Nederlandse instelling, die kleding verstrekte aan evacuees die naar Holland gingen. De maat werd op het oog geschat en ik werd ondermeer toebedeeld met een lange jaeger onderbroek. Ik vertelde dat ik hem niet wilde hebben, omdat ik zo’n ding nooit droeg.

Naast mij stond een man die had meegeluisterd. "Alles wat ze je geven, moet je aannemen. In Holland is alles op de bon en je kunt het op de zwarte markt zo verpatsen," zei hij samenzweerderig.

Voor mij waren het nieuwe begrippen die ik te horen kreeg en dat merkte de man ook. 121

Hij keek mij aan en vroeg of ik nooit in Holland was geweest. Toen ik ontkennend antwoordde, sprak hij: "Dan waarschuw ik u. Schrik niet wanneer u daar bent, want het gaat er nu goed en als het Hollanders goed gaat, dan beginnen ze te mopperen en te klagen."

De laatste avond voor ons vertrek trakteerden we een paar kennissen en uiteraard ook onszelf van ons armoedje op een echte Chinese bami goreng, zo van een straatverkoper. Ik dacht, dit krijgen we vermoedelijk nooit weer.

De volgende ochtend stapten we aan boord van de 'Sloterdijk', een vroegere vrachtvaarder die tot troepentransportschip was omgebouwd.

Op de boot werden we direct gescheiden, de mannen en de grote jongens moesten in het ene ruim, de vrouwen en kleine kinderen in het andere.

Aan boord was het gezellig noch comfortabel en bovendien heerste er een enorme hitte, zowel overdag als 's nachts.

Driemaal daags moesten we met een bord en een mok lang in de rij staan om eten en drinken te halen en dat maakte de stemming onder de passagiers er ook niet beter op.

In een mum van tijd heerste er grote spanning aan boord. Iedereen was ontevreden en de onrust werd nog aangewakkerd door een man, die vroeger administrateur bij een cultuuronderneming op Sumatra was geweest.

Op een middag, ik was aan dek, werd ik plotseling aangesproken door een nogal opgewonden man die ik niet kende.

"Meneer, meneer, er is een vergadering in het mannenruim. U moet meteen komen." Waarom hij juist mij moest hebben, is me nooit duidelijk geworden, maar toen ik het ruim binnenkwam stond de onruststoker inderdaad op een grote hutkoffer te oreren.

Hij riep uit dat het een schande was, zoals we hier werden behandeld. We zouden naar de kapitein moeten gaan en hem dwingen, ons beter te behandelen.

Ik dacht, dit loopt mis. Ik duwde hem van zijn koffer af, ging er zelf op staan en sprak de mensen toe. "Hier wordt geen stemming gemaakt tegen wie dan ook," riep ik uit. "Niemand gaat naar de kapitein, want die kan voor ons ook niet meer doen dan hij doet. Verder wens ik, dat iedereen bijdraagt aan een plezierige vaart. Laten we er met z’n allen het beste van maken." 122

Na mijn toespraakje stapte ik van de koffer af en ging terug naar het dek. Daar vertelde ik Greet wat er was voorgevallen. Zij was er niet bepaald gelukklg mee. "Bemoei je maar niet met deze rotzooi. Jij hebt dacht ik al genoeg gehad de laatste jaren," zei ze bezorgd. Maar achteraf kreeg ik hiervoor nog een persoonlijk bedankje van de kapitein.

Een week of wat later, zo’n beetje vóór het Suez-kanaal, kwam de scheepspredikant bij me langs. "Als koerier van de Nedenlandse regening," zei hij, "had ik inzage in geheime Japanse stukken, waar men de hand op had weten te leggen. Uw vreemde naam viel me daarbij op. Ik ben bijzonder blij, u hier nu in levende lijve te kunnen zien.

Uit één van deze documenten bleek namelijk, dat u met nog iemand uit Bandoeng zou worden geëlimineerd. Ze wilden u beiden boven het Sumatraanse oerwoud uit een vliegtuig verliezen." De plotselinge capitulatie heeft mijn leven gered.

Naar omstandigheden verliep de verdere reis redelijk rustig, afgezien dan van twee sterfgevallen die onderweg plaatsvonden. Een klein meisje overleed, evenals de bootsman, die aan zijn laatste reis bezig was en binnenkort met pensioen zou gaan.

De rouwplechtigheid maakte grote indruk op mij, door de eenvoud en soberheid bij het overboord zetten van de stoffelijke overschotten.

De dag voordat we Rotterdam zouden binnenlopen, werd voor de passagiers een afscheidsavond georganiseerd. Een Zwitserse vrouw die in een Jappenkamp had gezeten, had een poppenspel gemaakt, waarmee zij de hele reis in grappige vorm uitbeeldde. Het was een groot succes, dat veel van de ergernissen in de weken op zee deed vergeten.

De volgende dag namen we afscheid van veel passagiers die we hadden leren kennen. We spraken af, met elkaar contact te zullen houden, maar uiteindelijk is het daar nooit van gekomen. Ieder moest op eigen kracht zijn weg zoeken, de meesten ook nog in een voor hen vreemd klimaat en een vreemde, zoniet afstandelijke maatschappij. Het zou voor velen een harde dobber worden. 123

Op de treeplank van de 'Sloterdijk', op weg om voor het eerst voet op Hollandse bodem te zetten, kreeg ik plotseling het benauwende gevoel, dat nu het laatste contact met Indië werd verbroken. Het land, waar wij het zo goed hadden gehad, dat aardse paradijs, lag voorgoed achter ons. Wij stapten aan wal als volkomen ontheemden. 124

Wij stonden op de kade van de Rotterdamse haven, waar voor mijn begnippen alles uitermate zakelijk en efficiënt toeging. Met het minimum aan bagage dat we bij ons hadden, voelde ik me eigenlijk totaal verloren. Er waren geen mensen die je behulpzaam waren, zoals destijds bij mijn aankomst in Indië het geval was geweest. Het was een aankomst, die een kil gevoel bij mij achterliet.

Na een tijdje werden onze namen afgeroepen en konden we in een klein busje stappen, dat ons naar Budel zou brengen. Daar woonden Wyb en Cheffy Reddingius nu, bij wie we voonlopig zouden kunnen intrekken. Wyb was in deze Brabantse plaats beroepen.

Het busje stopte voor de pastorie, waar wij door onze dierbare vrienden enorm hartelijk werden ontvangen. Ze hadden zelfs de vlag uitgestoken ter gelegenheid van onze komst. Wyb was een stijlvolle vent en zoiets paste volledig in zijn gevoelssfeer.

De eerste dagen gebruikten we om bij te komen van de gebeurtenissen in de afgelopen weken, of eigenlijk jaren. Er was veel om aan terug te denken, maar dat lag mij totaal niet. Mij boeide de toekomst, het verleden was voorbij.

Het landschap, dat ik tussen Rotterdam en Budel al enigszins had leren kennen, fascineerde me. Ik kende Nedenland tot nu toe alleen van foto’s en voor mij was het dan ook een hele belevenis eindelijk het land te zien, waartoe ik van ver weg al zo lang had willen behoren.

Na de paar dagen rust, begonnen we kennis te maken met de nieuwsgierige bevolking om ons heen.

Wyb had verteld dat zijn gast Hongaar was en zo iemand had men daar nog nooit ontmoet. Volgens de geldende dorpsregels stelden we ons eerst voor bij de burgemeester en daarna kwamen de pastoor, de dorpsarts, de hoofdonderwijzer en de buren aan de beurt. Bij de arts, met wie we snel bevriend raakten, maakten we al tijdens onze eerste kennismaking een afspraak voor een consult. 125

Wij wilden weten, of ons iets mankeerde na de bezetting en de kamptijd en konden direct de volgende dag langskomen.

Bij Greet kwam de weegschaal niet vender dan 43 kilo, wat de arts bedenkelijk deed kijken. "Meid, wat jij nodig hebt is spek en jenever," zei hij, niet wetende dat zij tot op de dag van vandaag noch het een noch het ander door de keel kan knijgen. Toen zij dan ook tegensputterde, gaf hij haar de raad bij de slager lever en een goed stuk vlees te halen. "En vertel hem, dat ik het gezegd heb," voegde hij er nog nadrukkelijk aan toe, doelend op het feit, dat dit op zijn gezag zonder voedselbonnen diende te worden verstrekt.

Vervolgens kwamen de jongens aan de beurt. Bij Frans moest op zeer korte termijn de blindedarm eruit, terwijl Ben, die net als Greet dysenterie had gehad en als een scharminkel uit het kamp was gekomen, alleen goed en veel moest eten.

Mijzelf mankeerde niets, afgezien van de malaria die ik in het kamp had opgelopen. Ik wist dat ik het had, maar hier was gelukkig zowel kinine als jenever te knijgen en dat kwam ik dus gauw te boven.

Deze open en eerlijke plattelandsarts was in feite een begaafd diagnosticus.

De avonden in de pastorie brachten we door met gesprekken over onze toekomst. Wyb had tijd nodig om op te krabbelen en kon een grote gemeente niet meer aan. Budel met z’n negentig protestanten ging nog net, maar wat hij eigenlijk wilde, was gevangenispredikant worden. Hij zou uiteindelijk in Alkmaar terecht komen, waar hij voor de gedetineerden veel heeft gedaan. Wyb had aan den lijve ondervonden wat het betekende gevangene te zijn en handelde vanuit dat weten.

Maar wat moest en met mij gebeuren? Ik kreeg aanbiedingen om weer als tandtechniker te gaan werken, maar daar had ik geen zin meer in. Ik was op het vak uitgekeken en wilde eigenlijk tandarts worden.

Wyb probeerde me daar van af te houden. "Waar begin je aan als getrouwd man, met twee schoolgaande kinderen," verzuchtte hij als ik er weer over begon.

Het idee liet mij echter niet meer los en bovendien wist ik, dat Greet mij in dit voornemen zou steunen.

Ik vernam, dat de tandheelkundige faculteiten in Utrecht en Groningen zouden beginnen met een zesjanige cursus. 126

Voordien was de studieduur vier jaar geweest. Nu ging dat veranderen en het benoep zou meer op een all-round medische ondergrond worden gefundeerd. Dat trok mij aan en ik maakte een afspraak met de voorzitter van de examencommissie in Utnecht.

Het gesprek liep uit op een grote teleurstelling. De hooggeleerde heer maakte me duidelijk, dat ik geen einddiploma middelbare school had, aangezien ik het gymnasium destijds voortijdig had verlaten.

Over een eventuele dispensatie (vrijstelling) werd met geen woord gesproken. Kortom, de man was totaal niet in mij geïnteresseerd en na het onderhoud, dat uiterst kort duurde, kon ik weer gaan.

Enigszins ontmoedigd, maar niet uit het veld geslagen, probeerde ik het vervolgens in Groningen. Daar was de reactie volstrekt anders, veel welwillender.

De professor met wie ik sprak, raadde mij aan me direct in te laten schrijven. Het ontbreken van een eindexamendocument middelbare school was voor hem geen probleem. Ik zou bij het ministerie van Ondenwijs dispensatie aan kunnen vragen, vermoedelijk een colloquium doctum moeten doen en dan was de zaak geregeld.

Ingeschreven als student aan de medische faculteit, sectie tandheelkunde, reisde ik de volgende dag opgelucht en zeer tevreden naar Budel terug.

Ik diende mijn dispensatieaanvraag in en vertrok medio oktober naar Groningen, waar het nieuwe academisch jaar kort tevoren was geopend.

Mij was door de voorzitter van de medische faculteit geadviseerd, meteen al met de colleges te beginnen, hoewel een beslissing over mijn dispensatie nog niet was genomen.

Ik vond een zolderkamertje op de Spilsluizen, van waaruit ik uitzicht had op de fraaie Martinitoren. Het meubilair bestond uit een ijzeren bed, een keukentafel en een stoel. Mijn hospita was een grove, dikke vrouw van middelbare leeftijd en getrouwd met een licht lichamelijk gehandicapte man.

Het was een studentenkosthuis waar ik woonde en ik was de enige die medicijnen studeerde. Gelukkig heb ik hier niet lang in mijn eentje hoeven wonen. Van een vriend uit Indië, die terugging, kregen wij zijn huurwoning. Deze bestond uit twee kamertjes, een keuken en een serre. Daar hebben we drie jaar gewoond, waarna we een ruimere flatwoning toegewezen kregen. 127

Ongeveer een maand nadat ik mijn studie was begonnen, kreeg ik een oproep naar Den Haag te komen in verband met mijn aanvraag tot dispensatie.

De toelatingscommissie hield zitting in een kamer op het ministerie en in de gang zaten al zeker twintig anderen. Allen hadden hetzelfde probleem, geen einddiploma en toch willen studeren. Al snel bleek, dat er van een persoonlijk gesprek geen sprake was, maar dat het om een ondervraging ging, die precies drie minuten duurde.

Op een gegeven moment was ik aan de beurt. In de kamer waar ik binnenkwam, zaten zeven mensen aan een lange, groene tafel. De voorzitter, een kille, onaangename man, opende meteen een spervuur van vragen. Het deed me even terugdenken aan de Jappentijd.

"Als u zich zo knap vindt dat u een academische studie zult kunnen volgen met goed resultaat, dan kost het u toch beslist ook geen moeite om eerst nog een einddiploma HBS of gymnasium te halen," zei hij cynisch.

Ik legde hem uit, dat ik daar gezien mijn leeftijd en als getrouwd man met twee kinderen niet de tijd voor kon nemen.

Eén van de heren achter de tafel, professor Duynstee uit Nijmegen, die later onder andere als publicist voor het dagblad 'De Telegnaaf' bekend werd, vroeg het woord.

"Meneer, wat u tijdens de bezettingsjaren in Indië hebt gedaan, weet ik. Maar in uw beschrijving staat, dat u door de Indonesiërs bent geïnterneerd geweest. Wat hebt u in het kamp gedaan?" wilde hij weten.

Ik verklaarde hem dat ik als kamparts had gefunctioneerd, omdat en geen geschiktere was. De man keek mij een moment indringend aan en sprak vervolgens: "Ook dat wist ik, maar ik wilde het graag van u zelf horen." Wat hij precies met zijn vraag wilde bereiken, heb ik nooit begnepen. Ik kan gaan met de plichtmatige mededeling: "U hoort nog van ons."

In Groningen kon ik opmerkelijk gemakkelijk aarden. Het vlakke, weidse landschap beviel me. Met oom John Michael had ik verschillende gesprekken over de Vrijmetselarij. Ik meldde me aan en werd begin 1948 ingewijd. 128

Een domper vormde een benicht van het Rode Knuis. Zowel Imre als Miklós waren naar Frankrijk uitgeweken. Vermoedelijk waren ze voor het totalitaire communistische regime, dat in Hongarije werd gevestigd, op de vlucht gegaan. Vanuit onze opvoeding lag het voor de hand niet te kunnen berusten in een systeem, dat het met de rechten van de mens niet zo nauw neemt. Lang hebben ze echter van recht, vrijheid en vrede niet kunnen genieten. Ze overleden kort na elkaar een natuurlijke dood.

De studie als geheel beviel me, maar niet alle vakken. De natuurkundepraktika en de scheikundeproeven bijvoorbeeld waren een ware kwelling. Dezelfde moeilijkheden had een jaargenoot van me, die ongeveer even oud was als ik en als Nedenlandse gevechtsvlieger bij de Britse luchtmacht ook het nodige achter de rug had. Door het grote leeftijdsverschil met de andere studenten, trokken we als vanzelfsprekend veel met elkaar op en werden snel vrienden.

Zo’n hekel als wij hadden aan deze beide vakken, zo plezierig waren de kleine snijzaal en de practica histologie, waar we weefselpreparaten te bestuderen kregen. Dat was tenminste geneeskunde, vonden we. Aan dit soort vakken kleefde echter één groot bezwaar, namelijk dat er vaak nauwkeurige schetsen van bepaalde situaties moesten worden gemaakt.

Tekenen kon ik volstrekt niet, maar Greet gelukkig wel. Op het practicum maakte ik daarom altijd zeer primitieve schetsjes van haaien, kalfskoppen en dergelijke, het beste wat ik op papier kon brengen en nam die dan mee naar huis. Daar legde ik ze Greet voor, met plaatjes uit anatomieboeken erbij en zij maakte en ware kunstwerken van.

Het kalenderjaar spoedde ten einde en op het bord in de hal stond aangekondigd, dat de eerstejaars direct na de kerstvakantie het eerste deel van hun propaedeuse konden doen. Daarvoor dienden ze hun einddiploma mee te nemen met de bijbehorende cijferlijst en het tekenboekje van de snijzaalpreparaten.

Een reactie op mijn dispensatieverzoek had ik nog altijd niet gekregen, dus ik zat met de handen in het haar. Ik wilde graag mijn tentamens doen, maar kon het niet zonder einddiploma middelbare school. 129

Ik ging om advies naar de voorzitter van de examencommissie, die mijn probleem ongeduldig aanhoorde. Toen ik klaar was, keek hij me aan en zei: "Meneer, zit me niet te vervelen met uw verhaal. U doet gewoon uw tentamens en verder is het mijn zaak, niet de uwe." Ik kon gaan, deed mijn tentamens en slaagde voor alle vakken.

Het leven ging verder en ik werkte keihard aan mijn studie. Ik deed het graag. Op een dag zat ik in de keuken in een teil en Greet besprenkelde me met een theekopje. Dat was mijn dagelijkse douche. De bel ging en Greet liep naar de deur.

Het was de postbode, die een aangetekend stuk bracht van het ministerie van Onderwijs. Ik maakte de brief open en las, dat mij dispensatie was verleend om de examens af te leggen. Ook van een colloquium doctum, een soort toelatingsexamen, was ik vrijgesteld.

Ik was enorm blij, maar Greet keek allerminst vrolijk. Voor de brief had zij een rijksdaalder moeten betalen, de laatste die we nog hadden.

In mijn ogen echter was de brief een vermogen waard. Ik werd als werkloze evacuee beschouwd en kreeg uit dien hoofde een uitkening van de sociale dienst. Die uitkering bedroeg vierenvijftig gulden per week en daarmee was het niet bepaald ruim leven.

Dankzij het improvisatievermogen van Greet lukte het echter telkens weer rond te komen. Dat ik uiteindelijk mijn bul heb kunnen halen, is vooral ook de verdienste van haar geweest. Mijn bul, zo heb ik het altijd oprecht gevoeld, hebben we samen verdiend.

Nadat ik mijn kandidaatsexamen had gedaan, werd ik door professor De Boer gevraagd assistent te worden op histologie. Ik nam de uitnodiging met trots en graagte aan, want histologie was mijn lievelingsvak.

Het betekende bovendien, dat onze financiële druk enigszins werd verlicht. Ik hoefde als assistent namelijk geen collegegeld meer te betalen en het inschrijfgeld van vijftien gulden per jaar, mocht ik nu ook houden.

Een nieuwe toekomst begon te gloren. Het wensbeeld dat ik me in Budel had gevormd, kreeg hier in Groningen realistische contouren. In april 1953 behaalde ik mijn bul, klaar om als nieuwbakken tandarts aan de slag te gaan. Wyb stak opnleuw de vlag voor me uit. 130

Enige tijd tevoren kwam een politie-agent bij ons langs met de mededeling, dat de naturalisatieaanvraag was gehononeerd. Eindelijk! De desbetreffende beschikking, zo liet de agent weten, kon ik vinden in het Staatsblad nr. 186 van het jaar 1952. We waren blij, dat we de begeerde Nederlandse nationaliteit hadden gekregen. Het was bovendien een geruststellende gedachte, dat we onze zoons nu hier konden laten opgroeien. Te wonen in dit vrije land is een voorrecht. 131

Inmiddels schrijven we 1989 en kan ik met een voldaan gevoel terugkijken op ongeveer dertig welbestede praktijkjaren. Rijk ben ik er niet van geworden, tenminste in financieel opzicht niet.

Wezenlijke, innerlijke rijkdom echter hebben mij de omgang met mijn patiënten gebracht. Hen te kunnen helpen, is altijd mijn doel geweest en die instelling, dat kan ik hier oprecht verklaren, heb ik nooit verloochend.

"Kijk eerst naar de mens als totaal en dan pas naar de patiënt met zijn kwaal," had me in Groningen al één van mijn professoren geleerd. Naar die wijze woorden heb ik als tandarts en kaakchirurg altijd gewerkt en dat heeft ook zijn vruchten afgeworpen.

Tanden en kiezen trekken, even 'vlug een gebit maken', dat was nooit mijn stijl. Als een patiënt extra aandacht nodig had dan kreeg hij die, ongeacht het tijdstip of de duur van de behandeling. Niet de tijd was van belang, maar het resultaat.

Dat men zich daardoor altijd weer in vol vertrouwen en vooral ook zonder angst onder mijn behandeling stelde, heeft mij intens goed gedaan, evenals het feit, dat ik vele vrienden uit het voormalige Indië als patiënt kreeg. De vriendschapsbanden werden mede hierdoor versterkt.

Als zeer teleurstellend daarentegen heb ik de afwikkeling van de in de oorlogsjaren aangegane leningen ervaren. Jarenlang hebben Bakker, Rullmann, Van Reenen en ik getracht regering en kerk aan hun belofte te houden, die leningen aan de destijds zo opofferingsgezinde gevers terug te betalen.

De antwoorden op onze vragen, of ze nu mondeling of schriftelijk werden gesteld, waren telkens weer afwijzend. Schuil gaand achter juridische spitsvondigheden, hebben de autoriteiten zich aan hun verantwoordelijkheid weten te onttrekken, tot op de dag van vandaag. De mensen die in goed vertrouwen geld hebben uitgeleend om er voedsel van te kunnen kopen, hebben daar dus nooit iets van terug gezien. 132

In mijn archief bevinden zich talloze brieven, die hiervan getuigen.

Wèl kregen de oorlogsslachtoffers uit Indië op een gegeven ogenblik een rehabilitatie-uitkering, een bedrag ineens. Het ging hierbij om de geleden materiële schade, maar die werd er op geen stukken na mee gedekt.

Dit geld heb ik zelf trouwens niet willen aannemen. De Nederlandse samenleving had mij in de gelegenheid gesteld te studeren en dit gebaar vond ik voldoende.

In 1956 werden we opgeschrikt door de Hongaarse opstand. Ik wilde meteen naar Wenen om de uitgeweken Hongaren daar op te vangen. Een generaal, die ik als patiënt had, zei me met de nodige nadruk, dat ik dat in géén geval mocht doen. Toen ik naar het waarom hiervan vroeg, antwoordde hij alleen, dat ik in het geval ik in Wenen zou "verdwijnen" op geen enkele hulp van de Nederlandse overheid zou kunnen rekenen.

Ik heb de reden hiervan nooit kunnen achterhalen en besloot de Hongaren in mijn woonplaats Den Haag op te vangen. Velen hadden naar mijn mening ongerechtvaardigde kritiek op Hollandse toestanden. Ik besefte, dat ik voorgoed van Hongarije was vervreemd.

Terugblikkend op het geheel kan ik zeggen, dat ik in mijn leven ongelofelijk veel geluk heb gehad. Ik heb een goede gezondheid meegekregen en mijn werk, zowel als tandtechniker als tandarts, heb ik met veel plezier gedaan. Ofschoon alles me natuurlijk niet is komen aanwaaien, is mij geschonken wat ik verlangde.

In gevaarlijke situaties heb ik het er levend afgebracht.

Toen door de oorlog vele mensen aan een gewisse hongerdood ten prooi dreigden te vallen, voelde ik een sterke aandrift hen, ongeacht hun nationaliteit, te helpen overleven. Dat ik hierin iets bereikt heb, beschouw ik als een van de hoogtepunten van mijn leven.

Mijn verworven Nederlanderschap heb ik bijzonder gewaardeerd, hoewel me mijn Hongaarse geaardheid natuurlijk altijd is bijgebleven. Dit botste wel eens met de Hollandse nuchterheid. 133

De dichter Leo Vrooman zei eens: "Liever heimwee dan Holland." Toch heb ik liever polder dan poesta! 134